Ezechiël 29:1-7
Hier is,
I. De datum van deze profetie tegen Egypte: het tiende jaar van de gevangenschap, en toch is ze geplaatst na de profetie tegen Tyrus, die in het elfde jaar geschiedde, omdat in de vervulling van de profetieën, de verwoesting van Tyrus plaats vond vóór die van Egypte, Nebukadnezars verovering van Egypte een beloning zijnde voor zijn dienst tegen Tyrus. Om dit beter te doen uitkomen, vermeldt de profeet eerst de voorzegging aangaande Tyrus. Maar vooral moet de aandacht gevestigd worden op het feit, dat de profetie tegen Egypte werd afgekondigd juist op de tijd, dat de koning van dit land optrok om Jeruzalem te hulp te komen en het beleg van deze stad te doen opbreken, Jesaja 37:5, maar de verwachtingen van de Joden teleurstelden. Zie, het is goed, de dwaasheid van ons vertrouwen op mede-schepselen te voorzien, juist dan als wij in de verzoeking verkeren, daarin te vallen, opdat wij afleren, "op mensen te vertrouwen."
II. De omvang van deze profetie. Ze wordt gericht tegen Farao, de koning van Egypte en tegen het gehele Egypte, vers 2. De profetie tegen Tyrus begon met het volk en ging daarna tegen de vorst. Maar deze vangt met de vorst aan, omdat opstand en rebellie van het volk tegen de vorst, niet lang daarna, de voltooiing van Egypte's val werd.
III. De profetie zelf. Farao Hophra (zo heette de toenmalige koning) wordt hier voorgesteld als een grote zeedraak of krokodil, die in het midden van zijn rivieren ligt, als een leviathan in de wateren, om daarin te spelen, vers 3. De Nijl, de rivier van Egypte, was bekend om zijn krokodillen. En wat was de koning van Egypte, in Gods oog, dan een grote zeedraak, vergiftig en boosaardig? Daarom zegt God: "Ik wil aan u, Ik sta boven u, gelijk sommigen lezen. Hoe hoog de vorsten en potentaten van de aarde ook zijn, er is Eén hoger dan de hoge," Psalm 5:7, een God boven hen, die ze nagaat, en, zo zij dwingelanden en verdrukkers zijn, tegen hen zich keert en rekening met hen houdt.
Merk hier op.
1. De hoogmoed en de zekerheid van Farao. "Hij ligt in het midden van zijn rivieren, vermaakt zich daar met grote zelfvoldoening in weelde en genot en zegt: Mijn rivier is van mij." Hij verheft zich er op, een soeverein vorst te zijn, zijn onderdanen zijn zijn slaven, want Jozef had ze, lang geleden, voor hem gekocht, Genesis 47:23. Hij meent alleen vorst te zijn, zonder mede-regent of mededinger, zonder schuld, want al wat hij heeft is het zijne, en geen van zijn naturen heeft iets van hem te vorderen. Hij is onafhankelijk, aan niemand cijnsbaar of verantwoordelijk. Zie, werelds-, vleselijk-gezinden scheppen er behagen in en beroemen zich op hun eigendommen, vergetende dat zij er alleen het gebruik van hebben, terwijl alles aan God toebehoort. Wij zijn niet van onszelf, maar van God. Onze tongen zijn niet van ons, Psalm 12:4. Onze rivier is niet van ons, want haar oorsprongen zijn in God. De machtigste vorst kan niets het zijne noemen, want, al kunnen zij dat beweren tegenover de gehele wereld, tegenover God bezitten zij niets. Maar Farao's beweringen zijn nog ongerijmder: "Mijn rivier is van mij want ik heb die voor mij gemaakt. Hij noemt de rivier de zijne en ziet niet opwaarts op Hem, die dat van verre tijden geformeerd heeft," Jesaja 22:11. Wat wij hebben, hebben wij van God ontvangen, en moeten wij in Zijn dienst gebruiken, zodat wij niet kunnen zeggen: Wij hebben het gemaakt, veel minder: wij hebben het voor ons zelf gemaakt. En waarop zijn wij dan trots? Zie, zelf is de grote afgod, die door de gehele wereld aangebeden wordt, met terzijdestelling van Gods soevereiniteit. 2. Welke weg God met deze trotsaard houden wil om hem te vernederen. Hij is een grote zeedraak in de wateren, en dienoverkomstig zal God met hem handelen, vers 4, 5..
a. Hij zal hem uit zijn rivier trekken, want Hij heeft een haak en een koord voor deze leviathan, waarmee Hij hem bedwingt, al kan dat niemand op aarde, Job 41:1. "Ik zal u uit het midden van uw rivieren optrekken, u uit uw paleis halen, uit uw rijk voeren, en van alle die dingen beroven, waarin gij genoegen schept en waarop gij vertrouwt". Herodotus verhaalt van deze Farao, die nu koning van Egypte was, dat hij vijf en twintig jaren in grote voorspoed geregeerd had, en dat die voorspoed hem zo zeelfverzekerd had gemaakt, dat hij zei: "God zelf kon hem niet uit zijn koninkrijk werpen". Weldra zal hij zijn dwaling inzien en dat, waarop hij vertrouwde, zal hem ontzinken. God kan de mens ontnemen zelfs datgene, wat hem de grootste veiligheid en gewisheid bood.
b. Al de vis zal met hem uitgetrokken worden, zijn dienaren, zijn krijgslieden, allen, die van hen afhankelijk waren, naar hij meende, maar van wie hij inderdaad afhankelijk was. Die zal God aan zijn schatten doen kleven, in hun konings lot delen. vast besloten met hem te sterven of met hem te leven. Maar,
c. De koning en zijn leger, de zeedraak met al de vis, die aan zijn schubben kleeft, zal samenkomen, als vis op het droge, en aan het gedierte van de aarde en aan het gevogelte des hemels ten spijze gegeven worden, vers 5. Nu wordt geacht, dat dit woord zijn vervulling vond, toen Farao, om Aricius, koning van Lybië, te verdedigen, die door de Cyreniërs uit zijn rijk verdreven was, een groot leger op de been bracht en tegen de Cyreniërs optrok om zijn vriend in diens heerschappij te herstellen. Farao werd echter in de strijd verslagen en al zijn legerscharen op de vlucht gedreven, waardoor in zijn eigen rijk zo'n ontevredenheid ontstond, dat het volk tegen hem opstond. Toen werd hij in de woestijn losgelaten, hij en al de vis van zijn rivieren met hem. Daarop loopt `s mensen hoogmoed, zijn aanmatiging, zijn vleselijke gerustheid uit. Zo verliest de mens naar recht wat hij het zijne kon noemen, door Gods bestel, wanneer hij het het zijne noemt, tegen Gods recht in.
3. De reden, waarom God met de Egyptenaren twist, namelijk omdat zij Zijn volk misleid hebben. Zij gaven Israël grond om van hen steun en bijstand te verwachten, toen het in nood verkeerde, maar bleven in gebreke, vers 6, 7:omdat zij voor het huis Israëls een rietstaf geweest zijn. Zij beweerden een staf voor Israël te zijn om op te leunen, maar wanneer het een stut zocht, bleek de staf te zwak of verraderlijk, hij kon niet of wilde niet doen wat van hem verwacht werd. Hij brak toen men hem bij de hand greep, tot grote verbazing en teleurstelling, zodat alle zijden gespleten werden en alle lendenen op zich zelf bleven staan. Waarschijnlijk had de koning van Egypte Zedekia aangemoedigd om zijn verbond met de koning van Babel te breken, en hem beloofd, dat hij hem zou bijstaan. Toen die bijstand faalde, kwam Israël in te groter ellende. God had Zijn volk, lang tevoren voorspeld, dat de Egyptenaren een gebroken rietstaf waren, Jesaja 30:6, 7. Rabsake had hun dat al gezegd, Jesaja 36:6. En nu maakten zij die ervaring. Het was inderdaad Israëls dwaasheid, hen te vertrouwen, en het was zijn verdiende loon, dat het met hen bedrogen uitkwam. God was rechtvaardig in dit oordeel. Maar dat was geen verontschuldiging voor Egypte's valsheid en verraad, en kan het ook niet vrijwaren tegen de goddelijke strafgerichten, wijl God een wreker is van zo'n euveldaad. Het is een grote zonde, waarmee de mens God tergt, een onrechtvaardige, ondankbare, oneerlijke en onvriendelijke daad, iemand te bedriegen, die zijn vertrouwen op ons stelt.