Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 29
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
IN het
1
tiende jaar, in de
2
tiende
maand
, op den twaalfde der maand, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2
Mensenkind,
3
zet uw aangezicht tegen
4
Farao, den koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het ganse Egypte.
3
Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie,
5
Ik
wil
aan u, o Farao, koning van Egypte, dien groten
a
6
zeedraak, die in het midden zijner
7
rivieren ligt; die daar zegt: Mijn
8
rivier is mijne, en ik heb
die
voor mij
9
gemaakt.
4
Maar Ik zal
10
haken in uw kaken doen, en den
11
vis uwer rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en al de vis uwer rivieren zal aan uw schubben kleven.
5
En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al den vis uwer rivieren; op het open veld zult gij
12
vallen; gij zult niet
13
verzameld noch vergaderd worden;
14
aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb Ik u ter spijze gegeven.
6
En al de inwoners van Egypte zullen weten dat Ik de HEERE ben, omdat zij den huize Israëls een
b
15
rietstaf geweest zijn.
7
Als zij u bij uw hand grepen, zo werdt gij
16
gebroken en spleet hun alle
17
zijden; en als zij op u leunden, zo werdt gij verbroken en
18
liet alle lendenen op zichzelven staan.
8
Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het
19
zwaard over u brengen, en Ik zal uit u mens en beest uitroeien.
9
En Egypteland zal worden tot een wildernis en woestheid, en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben; omdat
20
hij zegt:
21
De rivier is mijne, en ik heb
die
gemaakt.
10
Daarom, zie, Ik
22
wil
aan u en aan uw rivier, en Ik zal Egypteland stellen tot
23
woeste wilde eenzaamheden, van den
24
toren van
25
Syene af, tot aan de landpale van
26
Morenland.
11
Geen mensenvoet zal door hetzelve doorgaan, en geen beestenvoet zal door hetzelve doorgaan, en het zal veertig jaar
27
onbewoond zijn.
12
Want Ik zal Egypteland stellen
tot
een verwoesting in het
28
midden der verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestheid zijn in het midden der verwoeste steden, veertig jaar; en Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen
29
verspreiden in de landen.
13
Maar zo zegt de Heere HEERE: Ten einde van
30
veertig jaar zal Ik de Egyptenaars vergaderen uit de volken waarheen zij verstrooid zijn geworden.
14
En Ik zal de gevangenis der Egyptenaars wenden en hen wederbrengen in het land
31
Pathros, in het land huns
32
koophandels; en aldaar zullen zij een
33
nederig koninkrijk zijn.
15
En het zal nederiger zijn dan de
andere
koninkrijken, en zich niet meer verheffen boven de heidenen; want Ik zal hen verminderen, dat zij niet zullen heersen over de heidenen.
16
En het zal den huize Israëls niet meer zijn tot een vertrouwen, dat der
34
ongerechtigheid doet gedenken, wanneer zij naar
35
henlieden
c
omzien; maar zij zullen weten dat Ik de Heere HEERE ben.
17
Voorts gebeurde het in het
36
zeven en twintigste jaar, in de
37
eerste
maand
, op den eerste der maand,
dat
het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
18
Mensenkind, Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft zijn heir een groten dienst doen dienen tegen
38
Tyrus; alle
39
hoofden zijn
40
kaal geworden, en
41
alle zijden zijn uitgeplukt; en noch hij, noch zijn heir heeft loon gehad vanwege Tyrus, voor den dienst dien hij tegen haar gediend heeft.
19
Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Nebukadrézar, den koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal
42
deszelfs
43
menigte wegvoeren, en deszelfs buit buiten, en deszelfs roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn heir.
20
Tot
zijn
44
arbeidsloon, omdat hij tegen
45
haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij
46
voor Mij
47
gewrocht hebben, spreekt de Heere HEERE.
21
Te dien dage zal Ik den
48
hoorn van het huis Israëls doen uitspruiten, en u
49
opening des monds geven in het midden van
50
hen; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.