7. Als zij u bij uwe hand grepen, zo werdt gij gebroken, en spleet hen alle zijden, en als zij op u leunden, zo wordt gij verbroken, en liet alle lenden op zich zelven staan (
2 Koningen 18:21).
Ene waarschuwing, die in Jesaja 36:6 in heidensen haat en overmoed werd uitgesproken, wordt nu tot ene treurige waarheid, sedert Egypte zich in zijne machteloosheid openbaarde. (Jeremia 37:5). Egypte was even weinig te vertrouwen wat zijne uitwendige macht, als wat zijn karakter aangaat, in welk laatste opzicht het reeds bij de ouden in geen goeden naam stond.
Wanneer Israëlieten Egypte in hun hand namen, zo verbrak de rietstaf Egypte en ging hun door hand en arm heen tot den schouder; wanneer zij op dien rietstaf met het gehele lichaam steunden, verbrak hij, ging door de heupen en maakte hen, doordat hij spieren en leden wondde, strak en stijf, zodat zij noch staan noch gaan konden. Zo ging het rijk der tien stammen onder Hosea met Egypte (2 Koningen 17:4, en eveneens het koninkrijk Juda onder Zedekia.
Rietstaf is alles wat in deze wereld is, bijv. menschengunst, tijdelijk geluk, schoonheid, ja het zedelijk leven zelf. Van buiten ziet het er uit als een staf, en velen wandelen daarmee, maar van binnen is het hol en bros.
God straft niet alleen degenen, die op vlees vertrouwen, maar ook die vlees zijn en anderen met zich zelven willen troosten.