Jesaja 37:1-7
Wij kunnen hier opmerken:
1. Dat het beste middel om de boosaardige plannen van onze vijanden tegen ons te verijdelen, hierin bestaat, dat wij er door gedreven worden tot God en onze plicht, en aldus spijze te verkrijgen uit de eter. Rabsake's doel was Hizkia van de Heere weg te schrikken, maar het bleek dat hij hem heenschrikte tot de Heere. In plaats dat de wind de mantel des reizigers van hem afrukte, maakte hij slechts dat hij er zich dichter in hulde. Hoe meer Rabsake God smaadt, hoe meer Hizkia er zich op toelegt om Hem te eren door zijn klederen te scheuren wegens de smaad, Hem aangedaan, en in het heiligdom te gaan, ten einde Zijn wil te kennen.
2. Dat het de groten van de aarde wel voegt om de gebeden van de Godvruchtigen en van de vrome leraren te begeren. Hizkia zond boden, en wel zeer achtbare mannen, van de hoogste rang tot Jesaja, ten einde om zijn gebed te verzoeken, gedenkende hoezeer zijn laatste profetieën duidelijk heen wezen naar de gebeurtenissen, die thans plaats hadden, en waarschijnlijk heeft hij in vertrouwen daarop niet getwijfeld, of de uitkomst zou goed en troostrijk zijn, maar toch wilde hij dat die troostrijke uitkomst een antwoord zal zijn op het gebed, deze dag is een dag van de benauwdheid, derhalve, laat het een dag van het gebed wezen.
3. Dat wij, als wij het meest in spanning zijn, het vurigst moeten wezen in het gebed. Nu de kinderen tot de geboorte zijn gekomen, maar er geen kracht is om te baren, laat nu het gebed ter hulpe komen, als de weeën het hevigst zijn, laat het gebed dan levendig en dringend zijn, en als wij de grootste moeilijkheden ontmoeten, dan is het een tijd, niet alleen om onszelf, maar ook om anderen op te wekken om God aan te grijpen. Het gebed is de vroedvrouw van de zegen, die helpt om hem voort te brengen.
4. Als wij slechts enige hoop hebben op zegen, dan is die hoop een aanmoediging om te bidden, vers 4. Misschien zal de Heere uw God horen. Wie weet Hij mocht zich wenden en berouw hebben? Dit: het mocht wezen aangaande het vooruitzicht op de haven van de zegen, moet ons aansporen om met verdubbelde ijver de roeiriemen des gebeds in beweging te brengen.
5. Als er een overblijfsel gevonden wordt-en niet dan een overblijfsel- dan is het onze plicht om voor dat overblijfsel een gebed op te heffen, vers 4. Het gebed, dat de hemel bereikt, moet opgeheven worden door een krachtig geloof, vurige begeerten en de bepaalde bedoeling van Gods eer en heerlijkheid, dit alles moet opgewekt worden als wij tot het uiterste van de nood gekomen zijn.
6. Wij hebben geen reden om diegenen te vrezen, die God tot hun vijand gemaakt hebben, want zij zijn getekend voor het verderf, en zij kunnen wel sissen, maar niet schaden. Rabsake heeft God gelasterd, laat Hizkia dus niet bevreesd voor hem zijn, vers 6. Hij heeft door zijn schelden God tot een partij gemaakt van de zaak, en daarom zal de uitspraak van het geding ongetwijfeld tegen hem zijn, God zal gewis Zijn eigen zaak voorstaan en bepleiten.
7. De vrees van de zondaars is slechts een voorbode van hun val. Hij zal het gerucht horen van de slachting van zijn leger, dat hem zal noodzaken om terug te keren naar zijn land, en daar zal hij gedood worden, vers 7. De angst, die hem vervolgt, zal hem ten laatste heenvoeren tot "de koning van de verschrikkingen," Job 18:11, 14. De vloek zal de zondaar achterhalen.