Ezechiël 33:21-29
Hier hebben wij,
I. De tijding, die Ezechiël van de verbranding van Jeruzalem door de Chaldeën overbrengt. De stad werd verbrand in het elfde jaar van de ballingschap, de vijfde maand, Jeremia 52:12, 13. Het bericht hiervan werd de profeet gebracht door iemand, die ooggetuige van de verwoesting was geweest, in het twaalfde jaar, de tiende maand, vers 21, dus een jaar en bijna vijf maanden na de gebeurtenis zelf. Wij kunnen wel veronderstellen, dat hij, daar toen meer dan ooit geregeld verkeer met Jeruzalem gehouden werd het nieuws reeds lang tevoren had vernomen. Maar thans hoorde hij het voor het eerst van een vluchteling, die zelf ontsnapt was en dus nauwkeurige informatie kon geven en dat zeker met gevoel zou doen. En het teken, hem gegeven, was de komst van zulk een, die zelf ternauwernood aan de vlammen was ontsnapt, Hoofdstuk 24:26 :Dat op dezelfde dag een ontkomene tot u zal komen, om uw oren dat te doen horen, meer in bijzonderheden dan ooit te voren, van iemand, die zeggen kan. (Quaeque ipse miserrima vidi, deze tonelen van ellende heb ik zelf gezien.)
II. De goddelijke indruk en invloed, waaronder hij verkeerde, om hem op deze vreselijke berichten voor te bereiden, vers 22 :De hand des Heren was op mij geweest, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, om tot het huis Israëls te spreken wat wij in het voorafgaande deel van dit hoofdstuk hebben gevonden. En nu was hij niet meer stom, hij profeteerde thans met meer vrijmoedigheid en stoutmoedigheid, nu deze gebeurtenis had bewezen, dat hij waarlijk een profeet was, tot beschaming dergenen, die hem tegengesproken hadden. Alle profetieën van Hoofdstuk vier en twintig af tot dit hoofdstuk toe, hebben enigzins betrekking op de volken rondom, en het is waarschijnlijk, dat de profeet, toen hij die openbaringen had ontvangen, ze niet mondeling maar schriftelijk heeft meegedeeld. Want hij kon niet spreken tot de Ammonieten, tot Tyrus, tot Farao enz. maar moest door brieven hun die bekend maken. Evenzo schreef Zacharias, toen hij stom was en niet spreken kon, ook op die wijze oefende hij zijn profetisch ambt alt. Zie, zelfs predikanten, die niet meer kunnen spreken, kunnen heel wat goeds doen door te schrijven. Maar nu is de mond van de profeet opengedaan, zodat hij kan spreken tot de kinderen van zijn volk. Waarschijnlijk heeft hij die drie jaren tot hen gesproken als een vriend, hun herinnerende wat hij vroeger tot hen gezegd had, maar nooit als profeet met enige nieuwe openbaring. Maar nu was de hand des Heren op hem geweest, had hem weer een nieuwe last opgedragen, zijn mond opengedaan, en Hem met kracht toegerust om weer tot het volk te spreken gelijk hij behoorde te spreken.
III. De bijzondere boodschap, waarmee hij werd belast, met betrekking tot de Joden, die in het land Israëls waren en die woeste plaatsen bewoonden, vers 24. Zie, welk werk de zonde had teweeggebracht. De steden Israëls waren nu geworden de woeste plaatsen Israëls, want zij lagen alle in puin, enkele waren het zwaard ontkomen, bleven nog in het land en dachten er aan, weer te gaan bouwen. Dit was zo lang na Jeruzalems val, dat het nog enige tijd was voordat Gedalia, een nederig, bescheiden man, en zijn vrienden gedood werden, maar waarschijnlijk ten tijde, toen Johanan en alle trotse mannen, die zich bij hem hadden gevoegd, hun grootste macht bezaten, Jeremia 43:2. Voordat zij het besluit genomen hadden, naar Egypte te gaan, een besluit, dat Jeremia afkeurde hebben zij waarschijnlijk het plan gevormd zich in de woeste plaatsen van het land Israëls te vestigen, dat Ezechiël hun afraadt, en is degene, door wie hij deze boodschap zond, dezelfde, die hem het nieuws van Jeruzalems verwoesting gebracht had. Of, mogelijk, zijn degenen, tegen wie hij hier profeteert, de ene of andere partij onder de Joden, die in het land gebleven waren, hopende er zich te wortelen en de enige meesters ervan te worden, nadat Johanan en de zijnen naar Egypte waren gegaan.
Nu hebben wij hier
1. Een verhaal van de hoogmoed van de achtergebleven Joden, die in de woeste plaatsen in het land Israëls woonden. Ofschoon Gods bezoeking over hen hen zeer vernederd had en nog immer dreigde, bleven zij onduldbaar hooghartig en zeker en beloofden zich vrede. Hij, die de profeet het nieuws had gebracht, dat Jeruzalem verwoest was, kon hem waarschijnlijk niet vertellen wat deze lieden zeiden, maar God vertelt het hem. Zij zeggen: "Het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting, vers 21. Onze medegenoten zijn heengegaan, het is nu voor ons, die overgebleven zijn, bij gebrek aan erfgenamen behoort het ons als die het nu bezitten, wij zijn nu geplaatst in het midden van de aarde en ze hoort ons toe." Dit verraadt grote onwetendheid omtrent Gods zwaar op hen rustende hand, grote zelfzucht en bekrompenheid. Zij schiepen vermaak in de verwoesting van hun land, zolang zij daaruit winst meenden te kunnen afleiden, bekommerden zij zich niet om die woestheid, als zij het maar alleen mochten hebben, een arme erfenis, om trots op te zijn! Zij zich onbeschaamd genoeg om hun toestand bij die van Abraham te vergelijken en roemen: Wij hebben Abraham tot een vader. "Abraham", zeggen zij, was een enig man, een huisgezin, hij bezat dit land erfelijk en leefde vele jaren in het vreedzaam bezit ervan. Maar onze zijn velen, vele gezinnen, talrijker dan het zijne, het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting."
a. Zij menen er evenveel recht op te hebben als Abraham, "als God het hem gegeven heeft, die slechts een dienaar Gods was, als loon voor zijn diensten, hoeveel te meer zal Hij het ons geven, die vele dienaren Gods zijn, als loon voor onze diensten." Dit toont, hoe grote gedachte zij omtrent hun eigen verdiensten hadden, als waren deze nog groter dan die van Abraham, hun vader, die toch niet uit de werken, maar uit het geloof gerechtvaardigd is.
b. Zij menen het bezit van dit land te kunnen handhaven tegenover de Chaldeën en andere veroveraars, evengoed als Abraham tegen andere mededingers, indien hij, die maar een enig man was, het kon behouden, hoeveel te meer dan wij, die velen zijn, en die meer mannen tot onze verdediging hebben dan zijn driehonderd achttien geoefenden ten strijde. Hieruit blijkt hun vertrouwen op hun eigen macht, zij hadden het land in bezit en waren besloten, het te houden.
2. Een domper op hun hoogmoed. Nu Gods tuchtroede hen niet verootmoedigd noch verschrikt heeft, zendt Hij hun een boodschap, die beide zal doen.
A. Om hen te verootmoedigen, spreekt Hij hun over de goddeloosheid waarin zij volharden en die hen ten enenmale onwaardig maakt, dit land te bezitten, zodat zij onmogelijk kunnen verwachten, dat God het hun zou geven. Het ene oordeel na het andere had hen getroffen maar zij hadden van deze genademiddelen geen gebruik gemaakt, gelijk men had mogen verwachten, zij waren nog onbekeerd, en hoe konden zij dan verwachten, het land te bezitten? Zult gij het land bezitten? Wat, zulke goddeloze lieden als gij zijt? "Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land?" Jeremia 3:19. Zeker, gij keert nooit tot u zelf in, anders zoudt gij veeleer verbaasd staan, dat gij nog in het land van de levenden zijt, dan verwachten, dit land te bezitten. Want weet gij wel, hoe slecht gij zijt? a. Gij gebruikt zonder gewetenswroeging verboden vrucht, verboden voedsel, gij eet vlees met het bloed, in lijnrechte tegenspraak met wat Noach en zijn gezin was voorgeschreven, toen God hun de aarde tot bezitting gaf, Genesis 9:4.
b. Afgoderij, die zonde van bondsbreuk, die zonde, die een jaloers God bijzonder vertoornt zodat hij het land heeft laten verwoesten, is de zonde, die u nog lichtelijk omringt en waartoe gij bijzonder geneigd zijt. Gij heft uw ogen op tot uw drekgoden, hetgeen bewijst, dat gij, hoezeer gij misschien uw knieën niet zó diep buigt als voorheen, toch uw hert erop zet en ernaar hunkert.
c. Gij zijt even ruw en wreed, en barbaars als ooit, gij vergiet bloed, onschuldig bloed.
d. Gij vertrouwt op eigen kracht, op uw eigen arm, op uw eigen boog, en niet op God en Zijn hulp, gij staat op ulieder zwaard, vers 26, gij waant alles voor u uit te drijven, alles uw eigen te maken, door kracht van wapens. Hoe kunnen zij de erfenis van Izaäk verwachten, die Ismaëls aard hebben, wiens hand tegen alles was, Genesis 16:12, en Ezau's besluit, te leven op zijn zwaard," Genesis 27:40. Wij hebben dezulken ontmoet, die, als zij stierven, meenden dat zij niet onder de grond konden liggen, tenzij zij hun zwaarden onder hun hoofd hadden, Hoofdstuk 32:27. Hier ontmoeten wij mensen, die, terwijl zij leven, menen, dat zij niet vast op de grond kunnen staan, als zij niet hun zwaard onder hun voet hebben, als ware een zwaard zowel het zachtste kussen als de hechtste pilaar, of schoon hij zonde deed, die het eerst het zwaard trok. Maar, geloofd zij God, er zijn er ook, die beter weten, die staan op de steun van de goddelijke macht en belofte, en hun hoofd neerleggen in de boezem van de goddelijke liefde, niet vertrouwende op hun eigen zwaard, Psalm 44:3..
e. "Gij zijt schuldig aan allerlei gruwelijkheid, en vooral, gij verontreinigt een ieder de huisvrouw van zijn naaste hetgeen een vreselijke zonde is, en zoudt gij het land bezitten? Wat, zulke godvergeten lieden als gij zijt?" Zie, dezulken kunnen niet verwachten, het land te bezitten, noch enige troost of geluk hier of hiernamaals te snaken, die in opstand tegen de Heere leven.
B. Om ze te verschrikken, vertelt Hij hun van de verdere oordelen, die God over hen zou brengen, waardoor het hun ten enenmale onmogelijk zou worden, het land te bezitten, zodat zij het in `t geheel niet tegen de vijand zouden kunnen uithouden. Zeggen zij, dat zij het land zullen bezitten? God heeft gezegd van neen, heeft gezworen: Zo waarachtig als Ik leef. Ofschoon Hij heeft gezworen, dat Hij geen lust heeft in de dood van de zondaar, toch heeft Hij ook gezworen, dat degenen, die in hun onbekeerlijkheid en ongeloof volharden, in Zijn rust niet zullen ingaan.
a. Zij, die in de steden, hier woeste plaatsen genaamd, wonen, zullen vallen door het zwaard, hetzij het zwaard van de Chaldeën, die de moord op Gedalia komen wreken of door eens anders zwaard, of door inwendige verdeeldheid.
b. Zij, die in het open veld zijn, zullen door het wild gedierte omkomen dat natuurlijk in een ontvolkt land zich vermenigvuldigde, nu er niemand was, om het in toom te houden, Exodus 23:29. Toen het vijandelijke leger het land verlaten had, was het er nog niet veilig: het boos gedierte was één van de vier strenge oordelen, Hoofdstuk 14:15. c. Zij, die in de vestingen en in de spelonken zijn, die zichzelf in kunstmatige of natuurlijke versterkingen veilig achten, omdat geen menselijk oog hen zien noch een menselijke pijlen bereiken kan, zullen de pijlen van de Almachtigen uitvinden: zij zullen door de pestilentie sterven.
d. Het gehele land, ja het land Israëls, dat de roem van alle landen was geweest, zou tot een verwoesting en een schrik gesteld worden, vers 28. Het zou worden verwoesting, een en al verwoesting, zo woest als alleen verwoesting het maken kon. De bergen Israëls, de vruchtbare bergen, de heilige berg Zion zelfs niet uitgezonderd, zouden woest worden, de wegen verlaten, de huizen onbewoond, dat er niemand over- of doorga, gelijk, Deuteronomium 28:62, gedreigd was. Gij zult weinige in getal zijn.
e. De hovaardij zijner sterkte zal ophouden, hoe heerlijk en hoe sterk Israëls ook geweest was.
f. De reden van dit alles was alleen zonde: het was om al hun gruwelen, die zij gedaan hadden. Niets dan zonde had aan al die verwoesting en ellende schuld, heeft aan alle ondergang van hele volken schuld, en daarom noemt de Schrift het gruwelen.
g. Toch zal er iets goeds uit voortspruiten: dan zullen zij weten, dat Ik de Heere ben, hun Heere, en zullen zij terugkeren tot Mijn verbond, als Ik het land tot een verwoesting zal gesteld hebben. Zij zijn inderdaad onhandelbare, onleerzame schepselen, die niet leren verstaan hun afhankelijkheid van God zelfs dan als alle menselijke hulp hun ontgaat en verwoesting van allen kant omringt.