5. En Ik zal u verlaten, eeuwig laten in de woestijn 1), u en al den vis uwer rivieren; op het open veld zult gij vallen; gij zult niet verzameld noch vergaderd worden, aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb Ik u ter hun zo welkome spijze gegeven 2).
1) In het Hebreeën Netaschthika hamidbarah. Beter: Ik zal uw weg stellen in of naar de woestijn. Van uit de vruchtbare vlakten aan den Nijl zou de Heere hem weghalen naar de zandige en onvruchtbare vlakten van de woestijn. In plaats dus van voorspoed en zegen zou de Heere hem vloek en tegenspoed zenden, ja tot op het diepste vernederen. In plaats van de machtige en aanzienlijke te zijn, zou de Heere God hem in een toestand van machteloosheid en hulpeloosheid en ellende brengen.
2) De uitdrukking is ontleend aan de natuurlijke toestanden van Egypte, waar zich aan de vruchtbare oevers van den Nijl de eenzame, ontzaglijke woestijn aansluiten. Het land, waarop de grote draak zal vallen, is het open veld, in tegenstelling tot de prachtige mausolea, waarin de Egyptische Faraö's in den tijd van hunnen luister werden begraven. Hij wordt zo diep vernederd, dat hij niet eens ene eerlijke begrafenis verkrijgt; als koning is hij als het ware een ideaal persoon, die ene grote numerieke veelheid in zich bevat; zo kan van hem worden gezegd: "gij zult niet verzameld noch vergaderd worden" ieder van zijne gedode onderdanen was als het ware een stuk van Faraö, evenals bij den terugtocht uit Moskou (1812) in iederen doden Fransman Napoleon werd gezien.
Volgens Herodotus moet Faraö Hofra tengevolge der nederlagen, die zijn leger door de Cyreneërs leed, en van het daardoor uitgebroken oproer der Egyptische priesterkaste tegen Amasis, die zich, in plaats van de rebellen tot gehoorzaamheid terug te brengen, door hen tot koning liet uitroepen, vrijheid en troon hebben verloren, en door het woedende volk zijn gedood (Jeremia 43:13). De door Herodotus berichte en door momenten bevestigde haat van het Egyptische volk tegen Hofra zal toch moeilijk uit het medegedeelde kunnen worden verklaard, zo niet in enig verband met dien tocht tegen de Cyreneërs een Chaldeeuwse inval in Egypte gekomen is, waardoor de overmoed van Hofra als door een oordeel Gods verdoemd, aan het Egyptische volk te hatelijker moest voorkomen, daar hij het tot hiertoe genoten geluk en den glans van dezen Faraö, ellende van volk en mensen door zijne schuld veroorzaakt, de sterkste tegenstelling was.