Ezechiël 28:1-10
In het voorgaande hoofdstuk hadden wij met Tyrus afgedaan, maar nu wordt aan de vorst van Tyrus gedacht. Hier is iets dat tot hem alleen gezegd moet worden, een woord Gods aan hem, dat hem de profeet zenden moet, hetzij, dat hij het horen zal, of hetzij, dat hij het laten zal.
I. Hij moet tot hem spreken van zijn trots. Zijn volk is trots, Hoofdstuk 27:3, en hij zelf ook, en zij zullen beide moeten weten, dat God de hovaardige wederstaat.
1. Laat ons zien, wat de uitingen van zijn trots waren: Zijn hart heeft zich verheven, vers 2. Hij was zeer wijs bij zich zelf, hij was opgeblazen door de gedachte aan zijn eigen algenoegzaamheid en zag met minachting op ieder ander neer. Uit de overvloed van de trots van zijn hart, zei hij: Ik ben God, hij zei het niet alleen in zijn hart, maar had de onbeschaamdheid het ook uit te spreken. "God heeft van de vorsten gezegd: Het zijn goden," Psalm 82:6, maar het past hun niet dat van zich zelf te zeggen, het is een grote belediging voor Hem, die alleen God is, en Zijn eer geen andere geeft. Hij dacht, dat de stad Tyrus hem evenzeer nodig had en even afhankelijk van hem was als de wereld van God, die ze gemaakt heeft, en dat hij zelf onafhankelijk van God en niemand verantwoording schuldig was. Hij dacht, dat hij evenveel wijsheid en kracht als God zelf had, en dat zijn gezag even onbetwistbaar was en dat zijn koninklijke voorrechten even absoluut en zijn woord evenzeer wet was als het woord van God. Hij eiste goddelijke eer en verwachtte geprezen en bewonderd te worden als een god, en hij twijfelde er niet aan, dat hij na zijn dood, onder andere helden, als een groot weldoener van de wereld vergood zou worden. Zo zei ook de koning van Babel: "Ik zal de Allerhoogste gelijk worden" Jesaja 14:44, en niet: gelijk de Allerheiligste. "Ik ben de sterke God, en daarom wil ik niet tegengesproken worden, omdat niemand mij kan nagaan. Ik zit in Gods stoel, Ik ben even hoog als God, mijn troon is gelijk aan de Zijne". "Divisum imperium cum Jove Caesar habet-Caesar deelt de heerschappij met Jupiter. Ik zit even veilig als God, even veilig in het hart van de zeeën, en even ver buiten het bereik van gevaar, als die in de hoogte van de hemelen zit." Hij denkt, dat de krijgslieden van zijn lijfwacht even machtig en luisterrijk zijn troon omringen, als de heirscharen van de engelen de troon van God. Hij wordt herinnerd aan zijn kleinheid en sterfelijkheid, en, sinds hij er behoefte aan heeft, dat het hem gezegd wordt, zal het hem ook gezegd worden, hoewel het een waarheid is, die van zelf spreekt: "Gij zijt een mens, en geen God, een afhankelijk schepsel, een sterfelijk schepsel. Gij zijt vlees en geen geest," Jesaja 31:3. De mensen moeten leren, "dat zij mensen zijn" en anders niet, Psalm 9:21. De grootste geesten, de grootste machthebbers, de grootste heiligen zijn mensen en geen goden. Jezus Christus was beide God en mens. Al heeft de koning van Tyrus machtige invloed op zijn omgeving en al oefent hij grote macht uit door middel van zijn rijkdom, al worden schatting en geschenken aan zijn hof gebracht, met evenveel wijding alsof het offers op zijn altaar waren, al wordt hij gevleid door zijn hovelingen, en door de dichters tot een god gemaakt, toch is hij, per slot van rekening, "een mens en anders niet", hij weet het, daarom vreest hij. "Maar hij stelt zijn hart als Gods hart." Gij hebt u zelf wijs gemaakt, dat gij een god zijt, hebt u zelf met God vergeleken, menende, dat gij even wijs en sterk zijt en even goed in staat om de wereld te regeren als Hij. Het was de val van onze eerste ouders en in hen van ons, dat zij als God willen zijn, Genesis 3:5. En nog steeds verleidt die bedorven natuur de mensen om hun eigen meester te zijn, te doen wat zij willen, te geloven, dat zij hun eigen maker zijn, hun eigen zin te doen, hun eigen doel na te jagen, voor zich zelf te leven, voor hun eigen geluk, zich vrolijk te maken en "hun hart te stellen als Gods hart," inbreuk te maken op Zijn koninklijke voorrechten en Hem naar de kroon te steken-een aanmatiging, die niet ongestraft kan blijven. 2. Hier wordt ons gezegd, wat het was, waarop hij trots was.
a. Zijn wijsheid. Het is waarschijnlijk, dat deze vorst van Tyrus een man was van een zeer goede aanleg, een wijsgeer, en doorkneed in alle vakken van wetenschap, die in die tijd onderwezen werden, ten minste een staatsman, en één, die een grote bekwaamheid had in `t behandelen van staatszaken. En hij vond zich wijzer dan Daniël, vers 3. Hiervoor vonden wij, dat Daniël, hoewel nog een jong man, beroemd was om de kracht van zijn gebed, Hoofdstuk 14:14 Hier vinden wij, dat hij beroemd was om zijn wijsheid in de behandeling van wereldse zaken, een groot geleerde en staatsman, en tevens een groot heilige, en toch geen vorst, maar een arme gevangene. Het was vreemd, dat onder zulke grote uiterlijke nadelen zijn luister uitblinken kon, zodat zijn wijsheid tot een spreekwoord geworden was. Als de koning van Tyrus droomt, dat hij een god is, zegt hij: "Ik ben wijzer dan Daniël. Zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen." Waarschijnlijk eiste hij van alle hovelingen, dat zij hem met raadselen verzoeken zouden, zoals Salomo verzocht werd, en had hij al hun raadsels opgelost en al hun vragen beantwoord, en kon niets hem in de war brengen. Misschien was hij voorspoedig geweest in het ontdekken van samenzweringen, en het raden van de plannen van de naburige vorsten, en dacht daarom dat hij alwetend was, en dat niets hem verborgen blijven kon, daarom zei hij: "Ik ben God. Kennis maakt opgeblazen, " het is moeilijk veel te weten en het niet al te goed te weten en er zich op te verheffen. Hij was wijzer dan Daniël, maar trotser dan Lucifer. Die veel weten, moeten daarom trachten naar nederigheid en bewijzen, dat zij het zijn.
b. Zijn rijkdom. Daartoe bracht hem zijn wijsheid, er wordt niet gezegd, dat hij door zijn wijsheid in de geheimen hetzij van de natuur of van de politiek doordrong, de staat beter inrichtte dan hij tot nu toe was ingericht, of betere wetten maakte, of de belangen bevorderde van het rijk van de wetenschap, maar zijn wijsheid en zijn verstand waren hem van nut in de handel. Evenals sommige koningen van Juda liefhebbers van de landbouw waren, 2 Kronieken 26:10, zo had de koning van Tyrus voorliefde voor de handel, en daardoor heeft hij vermogen verkregen, zijn vermogen vermeerderd, goud en zilver in zijn schatten verkregen, vers 4, 5. Zie, wat de wijsheid van de wereld is. Als de wijste mannen te worden beschouwd, die geld weten te maken, en door recht of onrecht zich een vermogen weten te verwerven, en toch inderdaad is "deze hun weg een dwaasheid van hen," Psalm 49:13. Het was de dwaasheid van de koning van Tyrus.
c. Dat hij het toenemen van zijn rijkdom aan zich zelf en niet aan de leiding van God toeschreef, "en vergat wie hem kracht gaf om vermogen te verkrijgen," Deuteronomium 8:17, 18.
d. Dat hij zich zelf voor wijs hield, omdat hij rijk was, terwijl ook een dwaas soms vermogen heeft, Prediker 2:19, ja, een dwaas verwerft soms vermogen, want men heeft dikwijls opgemerkt, dat de wereld dezulken begunstigt, en dat "de spijze niet is van de wijzen," Prediker 3:11..
e. Dat zijn hart zich verhief vanwege zijn vermogen, om het toenemen van zijn rijkdom, wat hem zo hooghartig en zeker maakte, zo onbeschaamd en heerszuchtig, en dat hij zijn hart stelde als Gods hart. "Toen de mens van de zonde veel wereldse praal en macht had, vertoonde hij zichzelf, dat hij God was", 2 Thessalonicenzen 2:4. Die rijk zijn in deze wereld, hebben er behoefte aan, dat hun bevolen wordt, wat het woord Gods hun beveelt, dat zij niet hoogmoedig zijn, 1 Timotheus 6:11. II. Wijl hovaardigheid voor de verbreking is, en hoogheid des geestes voor de val, moet hij hem die verbreking, die val aanzeggen, die nu met snelheid naderde als de rechtvaardige straf voor de aanmatiging zich te willen meten. "Omdat gij u voor een god uitgegeven hebt, vers 6, daarom zult gij niet langer een mens zijn", vers 7. Ziehier,
1. De werktuigen van Zijn verbreking: Ik zal vreemden over u brengen -de Chaldeën, die wij niet vermeld vinden onder de vele volken en landen, die met Tyrus handel dreven, Hoofdstuk 27. Indien er één van die volken tegen haar afgezonden was, zou zij enig medelijden met haar gehad hebben, als oude kennissen, maar dat zullen deze vreemden niet hebben. Zij zijn een volk, dat een vreemde taal spreekt, welke de koning van Tyrus zelf, zo wijs als hij is, misschien niet verstaat. Zij zijn de tyranniekste van de heidenen, hun leger was samengesteld uit vele volken, en in deze tijd was het het meest geduchte, beide in kracht en in wreedheid. Dezen staan ter beschikking van God, en deze zal Hij over de koning van Tyrus brengen.
2. De volkomenheid van de verwoesting: Zij zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, vers 7, over al die dingen waarin gij roemt als uw schoonheid en het voortbrengsel van uw wijsheid. Het is rechtvaardig van God, dat onze vijanden datgene buit maken, wat wij onze trots maken. Het paleis van de koning van Tyrus, zijn schatkist, zijn vloot, zijn leger, daar roemt hij in als zijn glans deze meent hij, maken hem luisterrijk en heerlijk als een god op aarde. Maar die alle zal de overwinnende vijand ontheiligen, ontwijden en ontsieren. Hij dacht, dat die dingen heilig waren dat niemand ze durfde aan te raken, maar de overwinnaars zullen ze nemen als alledaagse dingen, en de glans er van bezoedelen. Maar wat daarmee ook gebeurt, zijn persoon is toch zeker heilig. Neen, vers 8 :Ter groeve zullen zij u doen neerdalen, ter groeve, gij zult de dood sterven. En,
a. Het zal geen eervolle maar een schandelijke dood zijn. Hij zal op zo'n vernederende wijze gedood worden, dat hij er aan zal wanhopen na zijn dood vergood te worden. Hij zal sterven de dood van de verslagenen in het hart van de zeeën, wie bij hun dood geen eer bewezen wordt, maar hun lijken worden onmiddellijk over boord gezet, zonder enige plechtigheid of onderscheiding, als een maaltijd voor de vissen. Tyrus zal waarschijnlijk zijn als de uitgeroeide in het midden van de zee, Hoofdstuk 27:32, en de vorst van Tyrus zal het niet beter gaan dan zijn volk.
b. Het zal geen gelukkige, maar een ellendige dood zijn. Hij zal de dood van de onbesnedenen sterven, dat is: van degenen, die vervreemd zijn van God, en niet in verbond met Hem, en die daarom onder Zijn toorn en vloek sterven. Het doodvonnis, hier over de koning van Tyrus geveld, wordt bekrachtigd door een woord van goddelijk gezag: "Ik heb het gesproken, spreekt de Heere Heere. En wat hij gezegd heeft, zal Hij doen. Niemand kan het tegenspreken, en ook zal Hij het niet herroepen.
3. Het krachtdadig bewijs, dat dit alles leveren zal van de onrechtmatigheid van al zijn aanspraken op goddelijkheid, vers 9 :"Als de overwinnaar u zijn zwaard op de borst zet, en gij geen uitweg ziet om te ontsnappen, zult gij dan zeggen: Ik ben God. Zult gij dan zoveel verbeelding en zoveel vertrouwen in u zelf hebben als gij nu hebt? Neen, als gij overweldigd zijt door de dood, en door de vrees er voor, zult gij gedwongen zijn te erkennen dat gij geen god zijt, maar een zwak, vreesachtig, sidderend sterveling". In de hand desgenen, die u verslaat (in de hand van God, en van de werktuigen, die Hij gebruikt) zult gij een mens en geen god zijn, volkomen machteloos om tegenstand te bieden, en u zelf te helpen. "Ik heb gezegd: gij zijt goden, nochtans zult gij sterven als een mens," Psalm 82:6, 7. die beweren even hoog te staan als God, zullen op de een of andere wijze gedwongen worden, hun eisen te laten vallen. Als het niet vroeger geschiedt dan zal de dood ons leren, dat wij mensen zijn, wanneer wij in zijn handen vallen.