21. Te dien dage, als Egypte het bepaalde gericht zal hebben ondergaan en Nebukadnezar, zijn loon zal hebben verkregen, zal Ik den hoorn van het huis Israëls doen uitspruiten, en u opening des monds geven in het midden van hen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer zij voor hun ogen zien hoe hetgeen Ik door u, Mijnen Profeet, heb bekend gemaakt, tot vervulling komt.
Deze voorzegging ziet zonder twijfel op de begenadiging en verheffing van Jojachin, welke ons in 2 Koningen 25:27-30 wordt meegedeeld. De Profeet heeft naar het begin der ballingschap van dezen koning al zijne profetieën gerekend (Hoofdstuk 1:2), en zo was de wederverhoging van hem (in 562 v. C.) het eigenlijke einde zijner werkzaamheid. Hij had nu, evenals voor zijne bedreigende voorzeggingen in Jeruzalems verwoesting, zo ook voor zijne beloften in het allereerste begin harer verwezenlijking een bewijs zijner Goddelijke zending voor het huis Israëls in handen, zodat het opendoen van zijnen mond voortaan met blijdschap kon zijn. Wij mogen dit wel niet zo verstaan, alsof hij nu nog meerdere woorden Gods had meegedeeld; het voor ons liggende is integendeel het laatste, dat hij ontvangt, maar veel van hetgeen hij tot hiertoe ontving heeft hij ter schrift gesteld, en zo spreekt hij nu eerst, nu hij zijn schrift in `t openbaar geeft, voor het huis Israëls. Deze opvatting omtrent den inhoud van ons vers spreekt het "te dien dage" niet tegen, in zoverre het in Vers 17 opgegevene 27ste jaar nog vrij ver van het 37ste jaar af is, waarin Nebukadnezars zoon en opvolger Evil-Merodach, het hoofd van Jojachin uit den kerker verhief en hij hem eerde; want de gehele tijd der vernedering van Egypte wordt, zoals Hengstenberg juist opmerkt, onder het beeld van enen idealen dag gezien. Daarentegen spreekt beslist voor de juistheid het doen uitspruiten van een hoorn voor het huis Israëls. De hoorn van dit huis was afgebroken met de vernietiging van het koningschap der belofte (Hoofdstuk 17:1-21), maar nu spruit uit den achtergebleven tronk het begin van een nieuwe, die ten laatste zijn toppunt in den Messiaansen koning bereikt (Hoofdstuk 17:22-24). Zeker heeft Ezechiël het jaar 561 v. C. nog beleefd; alzo heeft hij, daar hij volgens Hoofdstuk 1:1 in het jaar 624 geboren is, een leeftijd van minstens 63 jaren bereikt.