Ezechiël 32:17-32
Deze profetie besluit en voltooit de last van Egypte en laat het met zijn gehele menigte in de afgrond des verderfs achter.
I. Hier worden wij uitgenodigd, de begrafenis bij te wonen van dat eens bloeiende koninkrijk, zijn val te beklagen, en te zien, wie het volgen naar het graf, en wie het vergezellen In het graf.
1. Dit dode lichaam van een koninkrijk wordt hier ten grave gebracht. De profeet wordt bevolen ze te doen neerdalen in de kuil, vers 18, hun verwoesting te voorspellen, als één, die gezag heeft, evenals Jeremia gesteld was over de koninkrijken, Jeremia 1:10. Hij moet spreken in Gods naam, als Degene, die hen zal doen nederdalen. Toch moet hij het voorspellen, als één, die hun hartelijk toegedaan is, hij moet weeklagen over de menigte van Egypte, terwijl hij ze doet nederdalen. Als Egypte geslagen is, moet hij een eervolle begrafenis hebben, in overeenstemming met zijn rang. Hij moet begraven worden bij de dochters van de prachtige heidenen, in hun graf en met dezelfde plechtigheden. Het is een armzalige troost, vergeleken met de smaad en de schrik des doods, begraven te worden bij de aanzienlijken, toch is dit alles, wat Egypte wordt toegestaan. Zal Egypte menen, dat hij alleen ontkomen zal aan het gemeenschappelijk lot van trotse en heerszuchtige volken? Neen, hij zal delen in hun lot, vers 19 :"Boven wie zijt gij liefelijk? Zijt gij zoveel liefelijker dan enig ander volk, dat dat een reden van verschoning voor u zou zijn? Neen, anderen, even schoon als gij, zijn in de kuil nedergedaald, daal dus neer en leg u bij de onbesnedenen. Gij zult hun gelijk zijn en zeer zeker bij hen liggen. De menigte van Egypte zal vallen in het midden van de verslagenen van het zwaard, nu er een algemene slachting is onder de volken." Egypte moet de bloediger beker drinken met de anderen, en daarom is het aan het zwaard overgegeven, aan het krijgszwaard (maar in Gods hand, het zwaard van de gerechtigheid), het is overgeleverd om in `t openbaar gevonnist te worden. Trek het henen met al zijn menigte trek ze, of als de dode lichamen van de aanzienlijken met ere ten grave gebracht worden, in een koets, of, zoals misdadigers met schande naar de gerechtsplaats gevoerd worden, op een horde, trek ze naar de kuil, en maak ze tot een schouwspel voor de gehele aarde.
2. Dit lijk van een koninkrijk wordt verwelkomd in het graf, en Farao krijgt toegang tot de vergadering van de doden, en wordt in hun rijk toegelaten, niet zonder enige praal en plechtigheid. Evenals de verrassende val van de koning van Babel aldus wordt voorgesteld: De hel van onderen was beroerd om uwentwille om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt, en u binnen te leiden in het rijk van de duisternis, Jesaja 15:9 enz, zo hier, vers 21. Zij zullen hem toespreken uit het midden van de hel, hem als `t ware verwelkomen bij zijn aankomst, en hem oproepen zich met hen te verenigen in de erkentenis van hetgeen hij noch zij wilden erkennen, zolang zij in pracht en praal leefden, dat het ijdel is, met God te twisten, en dat niemand ooit zijn hart tegen Hem verhardde en voorspoed had. Zij zullen tot hem, en tot die hem zouden helpen zeggen: Waar zijt gij nu? Hoever zijt gij nu gekomen met uw plannen? Verschillende volken worden hier vermeld, die ten grave gedaald zijn voor Egypte, en die gereed staan het met verachting te ontvangen en het te honen, omdat het tenslotte bij hen gekomen is. De volken, waarvan hier gesproken wordt, waren waarschijnlijk die, welke in de laatste jaren door de koning van Babel verwoest en onderworpen, en wier vorsten afgesneden waren, Egypte moet weten, dat hem enerlei wedervaart met zijn naburen. Als hij ten grave daalt, doet hij niet anders dan (migrare ad plures-verhuizen naar een groot getal), dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal. Maar het is opmerkelijk, dat, hoewel Juda en Jeruzalem, omstreeks deze tijd, of een weinig daarvoor, volkomen verwoest en onderworpen worden, zij toch niet vermeld worden onder de volken, die Egypte in de kuil verwelkomen, want, hoewel zij hetzelfde lot ondergingen als deze volken, en door dezelfde hand, toch kreeg het hun een heel ander karakter door de vriendelijke bedoeling, waarmee zij beproefd werden, en de gelukkige eindelijke uitkomst, en de genade, die God nog voor hen bewaarde. Het was voor hen geen neerdalen in de kuil, als voor de heidenen, zij zijn niet geslagen als anderen, en niet gedood als hun gedoden, Jesaja 27:7. Maar laat ons zien, wie het waren, die neergedaald zijn vóór Egypte, de onbesnedenen, die van het zwaard verslagen liggen, bij wie het nu zijn intrek nemen moet.
a. Daar ligt het Assyrische rijk, en al de vorsten en machtigen van dat rijk, vers 22 :Daar is Assur met zijn ganse hoop, al de landen die er schatplichtig aan waren en afhankelijk van zijn kroon. Die machtige potentaat, die in staatsie placht te liggen, met zijn lijfwacht en groten om zich heen, ligt nu in de duisternis met zijn graven rondom hem en zijn soldaten er in, niet in staat hem nog enige dienst of eer te bewijzen, zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard. Het getal hunner maanden werd afgesneden, en als mannen des bloeds en bedrogs, zullen zij hun dagen niet voor de helft brengen. Hun graven zin gesteld in de zijden van de kuil, allen in een rij, als bedden in een gemeenschappelijke kamer, vers 23. Allen, die haar gezelschap houden, zijn verslagen, gevallen door het zwaard, er is een grote verzameling van die, welke een schrik gaven in het land van de levenden. Maar evenals de dood van degenen, voor wie zij een schrik waren, een eind maakte aan hun vrees in het graf zijn de gebondenen tezamen in ruste en horen de stem van de drijvers niet, Job 3:18), zo zal de dood van deze machtigen een einde maken aan hun verschrikkingen. Wie is bevreesd voor een dode leeuw? De dood zal een koning van de verschrikking zijn voor hen, die, in plaats van zich tot een zegen te stellen, zich tot een schrik maken van hun tijdgenoten.
b. Daar ligt het koninkrijk van Perzië, dat misschien nog bij heugenis van de toen levenden verwoest en ten onder gebracht was: Daar is Elam met zijn gehele menigte, de koning van Elam met zijn talrijke legers, vers 24, 25. Ook zij hadden een schrik gegeven in het land van de levenden, hadden in hun dagen een vreselijk gedruis en opschudding gemaakt onder de volken. Maar Elam heeft nu zijn graf gevonden en de graven van zijn menigte zijn nu rondom hem gevallen door het zwaard, zijn legerstede is gesteld in het midden van de verslagenen, die nedergedaald zijn, onbesneden, niet geheiligd, en niet in verbond met God. Zij dragen hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald: zij zijn gevallen met de gewone schande en pijn die het deel van de mensen zijn, dat zij sterven, en begraven worden, ja, zij sterven met de bijzondere tekenen van schande, die God en mensen hun aandoen. Die een schrik geven, zullen, vroeger of later, hun schande dragen, en zichzelf tot een schrik zijn. De koning van Elam is gelegd in het midden van de verslagenen. Al de eer, waarop hij nu aanspraak maken kan, is begraven te worden in het voornaamste graf.
c. Daar ligt de macht van Scythië, die omstreeks die tijd de wereld in beweging had gebracht. Mesech en Tubal, die barbaarse noorse volken, hadden onlangs een aanval gedaan op de Meden, en hun een schrik gegeven, leefden enige jaren op hun kosten, en maakten zich van alles meester, waar zij de hand op leggen konden, maar tenslotte kreeg Cyaxares hen, door een list, in zijn macht, doodde een groot aantal van hen en dwong hen zijn land te verlaten, vers 26. Daar liggen Mesech en Tubal met hun gehele menigte, er is een begraafplaats voor hen, met hun voornaamste aanvoerder in hun midden, allen onbesnedenen, verslagen van het zwaard. Deze Scythen, die roemloos stierven zoals zij geleefd hadden worden niet, zoals de andere volken, waarvan tevoren gesproken is, op het bed van eer gelegd, vers 27 :Zij liggen niet met de helden, zullen niet met staatsie begraven worden, zoals die welke op het slagveld gedood zijn, die ter helle zijn nedergedaald met hun krijgswapenen, die voor de lijkbaar uit gedragen, of er achterna gebracht worden, en dat met toestemming van de vijand, welker zwaarden men gelegd heeft onder hun hoofden, alsof zij zoeter zouden slapen, als hun hoofd op zo'n peluw lag. De Scythen worden niet met deze eerbewijzen begraven, maar hun ongerechtigheid is op hun beenderen, zij zullen, om hun ongerechtigheden, onbegraven blijven liggen, hoewel zij van de helden schrik in het land van de levenden geweest zijn.
d. Daar ligt het koninkrijk van Edom, dat lang gebloeid had, maar in deze tijd, ten minste voor de verwoesting van Egypte, geheel woest gemaakt werd, zoals voorspeld was, Hoofdstuk 25:13. Onder de graven van de volken, is Edom, vers 29. Daar liggen, niet geëerd door gedenktekenen of opschriften, maar gemengd met het algemene stof, zijn koningen en zijn vorsten, zijn wijze staatslieden, waarom Edom beroemd was, en zijn dappere soldaten. Dezen met hunlieder macht zijn gelegd bij de verslagenen van het zwaard, hun macht kon het niet beletten, ja, hun macht deed er het hare toe, want die moedigde hen aan de oorlog te beginnen, en hitste hun naburen tegen hen op, die het noodzakelijk achtten, hun toenemende grootheid te knotten. Zeer veel moeite deden zij, om zich zelf te verderven, als zovelen, die met hun macht, met al hun macht gelegd worden bij de verslagenen van het zwaard. De Edomieten behielden de besnijdenis, daar zij van Abrahams zaad waren. Maar dat zal hun niet helpen, zij zullen liggen met de onbesnedenen.
e. Daar liggen de geweldigen van het noorden en alle Sidoniers. Dezen waren even goed bekend met zeezaken als de Egyptenaars, die groot vertrouwen stelden op dat deel van hun kracht, maar zij zijn nedergedaald met de verslagenen, vers 30, nedergedaald in de kuil. Nu zijn zij beschaamd vanwege hun schrik, beschaamd, als zij bedenken, hoezeer zij er op stoften en vertrouwden, en, evenals de Edomieten met hun macht, zo worden deze met hun schrik gelegd bij de verslagenen van het zwaard, en gedwongen hun lot te delen. Zij dragen hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald, zij sterven in even grote schande, als die door de hand van de openbare gerechtigheid afgesneden zijn.
f. Dit alles is zeer toepasselijk op Farao en de Egyptenaars, die geen reden hebben zich te vleien met de hoop op gerustheid, als zij zien, hoe de wijsten, de rijksten, de sterksten van hun naburen verwoest zijn, vers 28 :Gij ook zult verbroken worden in het midden van de onbesnedenen, als God de volken, die zich niet vernederen en verbeteren willen, ter neer werpt, moet gij er op rekenen, eveneens ter neer geworpen te worden.
g. Het zal een vermindering van de ellende van Egypte zijn, op te merken, dat hun lot het lot van zovele en zo grote volken is geweest vóór hen, vers 31 :Farao zal hen zien en zich troosten, het zal zijn gemoed enigszins verlichten, dat hij niet de eerste koning is, die in de slag gevallen is-dat zijn leger niet het eerste was dat verslagen werd, dat zijn koninkrijk niet het eerste was, dat verwoest is. Greenhill merkt hier op: De troost, die de goddelozen na hun dood hebben, is een armzalige troost, niet wezenlijk, maar denkbeeldig. Het zal hun luttel voldoening geven, dat zij zoveel lotgenoten in hun lijden hebben de rijke man in de hel was er bevreesd voor. Alleen ten opzichte van de eer kan Farao zien en zich troosten.
h. Maar door niets zal deze ellende verlicht worden, want, vers 32 :Ik heb ook Mijn schrik gegeven in het land van de levenden. De groten van de wereld hebben hun schrik gegeven en er werk van gemaakt om iedereen vrees in te boezemen. (Oderim dum metuant-Zij mogen mij haten, als zij mij maar vrezen.) Maar nu heeft de grote God Zijn schrik gegeven in het land van de levenden, en daarom lacht Hij om de hunne, want hij ziet, dat Zijn dag komt, Psalm 37:12. In die dag van de verschrikking zal Farao en zijn gehele menigte gelegd worden bij de verslagenen met het zwaard.
II. De blik, die deze profetie ons geeft op verwoeste staten, kan ons iets leren:
1. Van deze tegenwoordige wereld en het rijk des doods daarin. Kom en zie de rampzalige toestand van het menselijk leven, zie, hoe alles in deze wereld sterft. De sterken sterven, de machtigen sterven, Farao en zijn gehele menigte. Zie, hoevelen in deze wereld gedood worden. Zij worden allen met het zwaard verslagen. Alsof men toch al niet snel genoeg stierf, spitsen de mensen hun vernuft om middelen te vinden, elkaar te vernietigen. Het is niets anders dan een groot slagveld.
2. Van de andere wereld. Hoewel het de verdelging van volken als zodanig is, die misschien in de eerste plaats hier bedoeld wordt, toch is het tevens een klaarblijkelijke toespeling op de eindelijke en altijddurende verdoemenis van de onboetvaardige zondaars, dergenen die onbesneden van hart zijn, zij worden verslagen door het zwaard van de goddelijke gerechtigheid, hun ongerechtigheid is op hen, en daarbij dragen zij hun schande. De vijanden van Christus, die niet wilden, dat Hij over hen regeren zou, zullen tot hen gebracht en voor hem doodgeslagen worden, al zijn zij even prachtig, al zijn zij even talrijk als Farao en zijn gehele menigte.