16. En het zal den huize Israëls niet meer zijn tot een vertrouwen, dat der ongerechtigheid doet gedenken, wanneer zij, die van het huis Israëls, naar henlieden naar de Egyptenaren, zo als zij tot hiertoe deden a) omzien 1); maar Zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben. 2)
a) Klaagliederen 4:17.
1) Thans treedt Egypte als aanklager tegen het verbondsvolk voor God op, als een getuige van zijn gebrek aan vertrouwen op God, van zijne afgodische bewondering van wereldse uitwendige macht, dus van zijnen afval van God. Dan zal het echter zulk een verleider tot zonde voor Israël niet meer zijn, omdat het dan geen voorwerp van vertrouwen meer is.
God weet den Zijnen wel voor de ogen weg te nemen, wat hun ogen verleidde en gevangen hield. Alle veranderingen in de wereld hebben ten laatste hun doel ten opzichte van de kerk.
Het doel van alle gerichten, die er zijn, is het volk der gelovigen af te trekken van alle vertrouwen op het menselijke en een vast vertrouwen op God te weeg te brengen.
2) De erkentenis van Jehova als Heere en Heerser zowel in het oordeel, als in het ontfermen, blijft refrein, is voor Israël en voor de Heidenen het einde der wegen Gods.
17.
VIII. Vers 17-21. In het voorgaande was het werktuig niet genoemd, waardoor over Egypte Gods gericht zou komen. Als zodanig staat nu echter in dit, 17 jaren later ontvangen Godswoord Nebukadnezar, dien God voor de vernietiging van Tyrus, welke in Hoofdstuk 26 vv. werd voorzegd, in Zijnen dienst had genomen, en die in den buit, dien bij gemaakt had, het loon voor zijn werk en den arbeid van zijn leger niet heeft gevonden. Daarom wordt hem Egypte met zijn goed toegekend (Vers 17-20). Om echter tevens ten opzichte van Egypte het in Vers 6 v. en 16 voorkomende doelen op het huis Israëls weer voor te stellen, volgt ten slotte ene herinnering aan hetgeen de Heere te Zijner tijd met dit huis doen zal (Vers 21).