32. Want Ik heb ook Mijnen schrik gegeven Ik heb toegelaten dat hij nl. Farao een schrik was in het land der levenden (
Hoofdstuk 31:16); dies zal hij geleid worden in het midden der onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Faraö en zijne ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.
Verpletterd zal ook Faraö en geheel zijn leger tot deze vergadering der doden nedervaren, en bij het zien van deze vernietigde heerlijkheid zich troosten over al zijne menigte; want de Heere legt zijne verschrikking op het land der levenden.
Dat is ene majestueuze tegenstelling tegenover al het verschrikkelijke van en aan de mensen (Vers 22-31) een heerlijk slot! Door Zijne verschrikking zal de Heere eindelijk ook alle goddelozen en anti-christenen doen vallen en door het openbaar worden Zijner gerichten (Openbaring 5:4) Zijn rijk op de aarde heerlijk uitbreiden.
Wanneer men gevraagd heeft, wanneer dan eigenlijk Egypte getroffen is door den ondergang, die in deze voorzeggingen is gedreigd, dan is dat ene weinig betekenende vraag. Men behoeft slechts onder de piramiden van Egypte of in zijne katakomben te treden, om te zien, dat de heerlijkheid der Faraö's ene in de scheool (de hel) gevarene is. Dat deze ondergang der oud-Egyptische heerlijkheid uit de tijden van het Babylonisch-Perzische rijk dateert, is even zeker. Die ondergang was ook zo volkomen, dat reeds voor het nieuwe Egypte der Ptolemeüssen (Daniël 11:5) het oude Egypte een volkomen raadsel, vergeten en onbegrepen was.
Wij zouden met deze uiteenzettingen van den inhoud, zoals de voornaamste Schriftuitleggers die geven, onze afdeling kunnen besluiten; wij hebben echter nog een zeker gevoel van onbevredigd zijn. Wij kunnen de gedachte niet van ons afzetten, dat de Heilige Geest, als die des profeten mond tot deze voorzeggingen gebruikte, en dien niet minder den zeven woorden Gods over een en hetzelfde land op de lippen legde, verder heeft gedacht dan het geschiedkundige Egypte, nog aan ene andere wereldmacht, namelijk die van den laatsten tijd, wier val wij in Openbaring 9 voor ons zien. Het mocht echter den Profeet nog niet zo helder en duidelijk worden, hoe het met dit Egypte van den laatsten tijd en met zijnen Faraö eigenlijk gesteld was. Evenals in het Oude Testament satan de eerste 3. 000 jaren van de geschiedenis der mensheid nog op den achtergrond staat, en zijn aard en handelen verborgen wordt gehouden (Leviticus 16:10), totdat eerst onder David en Salomo direct van hem sprake is (1 Kronieken 21:1 en Job 1:16), zo hebben de Oud-Testamentische Profeten ook nog geen eigenlijk bewustzijn van den mens der zonde en den zoon des verderfs. Eerst aan den Apostel Paulus werd daarvoor het duidelijke bepaalde woord gegeven (2 Thessalonicenzen 2:3 Zelfs wat Daniël (11:36 vv.) over den Antichrist heeft te voorzeggen, verkrijgt een voor de geschiedenis van zijnen voorganger, van Antiochus Epifanes, zo juist passend kleed, dat het niet gemakkelijk is den Antichrist van Antiochus duidelijk te onderscheiden. Dat heeft ene goede reden; want 1) wanneer in het getal van het dier (Openbaring 3:18) zes honderd zes en zestig, een drievuldige trap der ontwikkeling van de zonde in het menselijk geslacht tot symbolische uitdrukking komt, die wij kortelijk begin, midden en einde willen noemen, en die ook aan de drievoudige verzoeking van den Verlosser door den duivel in Mattheus 4:3-10 ten grondslag ligt-Adam in het paradijs, het Joodse volk in zijne verwerping van den Christus, de Antichrist in zijne bewuste en met geweld doorgedrongene zelfvergoding (2 Thessalonicenzen 2:4) zo behoort de eerste trap aan de mensheid zonder onderscheid toe, de tweede aan het uitverkoren volk Israël, zonder onmiddellijk deelgenootschap der heidenwereld, de derde daarentegen der heidenwereld in den bij Hoofdstuk 30:3 ontwikkelden zin van het woord, zonder dat het in Christus bekeerde en in het heilige land geheiligde Israël zich eveneens aan deze zonde mede schuldig maakte. Alzo 2) heeft Israël een zeer langen en ontzettend zwaren tijd van straf te ondergaan. waardoor het een spreekwoord onder de volken wordt, totdat het dan tot erkentenis van schuld en tot geloof in Christus komt. Maar nu wordt het ook, omdat het tot in het diepste der ziel verootmoedigd is, en zo in bijzondere mate begenadigd, zo grondig in den inwendigen mens vernieuwd en door Gods Geest geheiligd als bij geen ander volk het Evangelie in gelijke volkomenheid dat heeft kunnen bereiken.
Gewoonlijk is ongeveer het volgende de mening der gelovige theologen over de laatste dingen: Terwijl de zielen der gestorven gelovigen in den Heere rusten en op de laatste voleindiging wachten, wordt op aarde de ontwikkeling van `s Heeren rijk voortgezet. Zij neemt dezen loop: terwijl de kerk naar buiten in steeds wijderen kring de volken der wereld omvat en in het Christendom inleidt, komt inwendig ene voortgaande en steeds dieper gaande scheiding tussen de Christelijke elementen en hetgeen den boze toebehoort. De tegenstelling tussen dezulken, die inwendig Christus, toebehoren, en dezulken, die zich van Hem verwijderen, en in inwendige tegenspraak tegen Hem volhouden en zich verharden, in den beginne nog relatief en afwisselend en door de algemene heerschappij van het Christendom omsloten, wordt eindelijk tot openbare en besliste vijandschap der goddelozen tegen de ware leden van Christus; ene vijandschap, die zich naar de natuur van den Gode vijandigen haat tot overweldiging der laatsten door de eersten zal verheffen, en tot ene doortastende zitting voor de kerk zal worden. Deze zifting is tot inwendige reiniging en voorbereiding der gemeente noodzakelijk. Zij is het laatste grote gericht over het huis Gods, het toppunt van den strijd, dat door den gehelen tijd der wereld doorgaat en daarin zijn toppunt bereikt. De redding uit de zwaarste verzoeking en uitwendigen nood, welke daarmee voor de gemeente komt, heeft niet plaats, voordat aan de ene zijde de kerk hare aardse levenstaak heeft vervuld, de nieuwe mensheid toebereid is, en aan de andere zijde de zonde geheel tot rijpheid is gekomen, de mate der machtige dwalingen is vol geworden, en de anti-christelijke macht in een gesloten wereldrijk, ja, in ene bijzondere menselijke persoonlijkheid zich heeft geconcentreerd. Dan volgt die ook onfeilbaar door de wederverschijning des Heeren, die nu uit het onzichtbare en bovenaardse, waarin Hij tot hiertoe gebleven is, op eens zichtbaar te voorschijn treedt. In de heerlijkheid Zijner verhoogde mensheid, door de majesteit van Zijnen Vader omschenen, door de machten des hemels en door de gemeente der volmaakt rechtvaardigen omgeven, openbaart Hij Zich aan deze zichtbare wereld, en deze Zijne verschijning brengt de verlossing van Zijne strijdende kerk op aarde uit den laatsten zwaren strijd, de opwekking der doden, het oordeel over de wereld en de geestelijk-lichamelijke volmaking der gehele verloste gemeente aan.