Ezechiël 25:1-7
Hier,
I. Wordt de profeet bevolen, zich tot de Ammonieten te richten, "in de naam des Heren Heren, de God van Israël, die de God is van de gehele aarde". Maar wat kan Chemos, de god van de kinderen Ammons, daarop antwoorden? Hem wordt gezegd, zijn aangezicht te stellen tegen de Ammonieten, want hij is als profeet Gods vertegenwoordiger, en dit moet betekenen, dat God Zijn aangezicht tegen hen zet, "want des Heren aangezicht is tegen degenen, die kwaad doen", Psalm 34:16. Hij moet met stoutmoedigheid en volle verzekerdheid spreken, als iemand, die weet wiens boodschap hij overbrengt, en ook weet dat hij in dat overbrengen zal staande gehouden worden. Hij moet dus zijn aangezicht "als een keisteen zetten," Jesaja 50:7. Hij moet zijn ongenoegen tonen over de trotse vijanden van Israël en ze beschamen, ofschoon ze zeer onbeschaamd zijn. Hij moet tonen, dat, hoewel hij zo lang en zoveel tegen Israël geprofeteerd had, God nog voor Israël was, en, terwijl Hij getuigde tegen deszelfs verdorvenheid, het verbond met Israël nog gedacht en zich Zij n verbond met Israël herinnerde. Zie, diegenen zijn ellendig, tegen wie Gods profeten prediken en bidden, tegen wie hun aangezichten gezet zijn.
II. Wordt hem vertoond wat hij zeggen zal. Ezechiël is nu een banneling in Babel, reeds sinds vele jaren, en weet weinig van zijn eigen volk, veel min van de natiën rondom, maar God zegt hem beide wat zij doen en wat Hij met hen gaat doen. Zo wordt hij door de geest van de profetie bekwaam gemaakt even beslist over hun lot te spreken als wanneer hij in hun midden was geweest.
1. Hij moet de Ammonieten bestraffen om hun onbeschaamd en barbaars triomferen over het volk Israëls in deszelfs ellende, vers 3. De Ammonieten zeiden, toen alles de Joden tegen was: Heah! dat is: zo bevalt het ons. Zij waren blij, te zien,
a. De tempel verbrand, het heiligdom ontheiligd door de zegevierende Chaldeen. Dit wordt vooropgesteld om aan te wijzen wat de oorzaak was van deze twist, zij haatten de Joden om hun godsdienst, of schoon het alleen nog maar een arm overblijfsel was van hun godsdienst, dat nog onder hen gevonden werd.
b. De natie ondergegaan. Zij verheugden zich over het land Israëls, als het verwoest werd, de steden verbrand, beide ontvolkt, en het huis van Juda in de gevangenis ging. Toen zij zelf de macht niet bezaten, Gods Israël te onderdrukken, deed het hun genoegen ze door de Chaldeën te zien mishandelen, ten dele omdat zij hun de welvaart en `t goede land benijdden, ten dele omdat zij hun toenemende macht vreesden, en ten dele omdat zij hun godsdienst en de godsspraken, waarmee Israël begunstigd werd, haatten. Weer wordt herhaald, vers 6 :Zij hebben met de hand geklapt, om de verbolgenheid van de Chaldeën nog meer te prikkelen en ze als honden op het wild af te jagen, of: zij klapten in de handen van genot en woonden het treurspel bij met hun "Plaudite, Geef ons uw toejuiching," menende, dat zij hun rol wel gespeeld hadden. Nooit was hun iets zo onderhoudend en aantrekkelijk geweest. Zij hebben met de voet gestampt gereed om bij deze gelegenheid te springen en te dansen van vreugde. Zij konden niet nalaten daaraan uiting te geven, ofschoon een gevoel van eer en menselijkheid daarover schande zou geroepen hebben, vooral als zij bedachten dat zij bij Israëls val heel geen voordeel hadden (indien wel, dan kon dat te hunner verontschuldiging dienen, want de meeste mensen zijn op hun eigen voordeel uit). Het was bij hen echter niets dan boosaardigheid, vijandschap en leedvermaak. Gij zijt van harte verblijd geweest in al uw plundering over het land Israëls. Zie, de goddeloze wereld heeft Gods Volk altijd een boos hart toegedragen, zijn ellende is haar vermaak geweest. Zie, welke onnatuurlijke voorbeelden van kwaadaardigheid de vijandschap van het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw heeft aan de dag gelegd. Indien enig volk, dan moesten de Ammonieten zich van leedvermaak bij Jeruzalems val hebben onthouden, veeleer hebben gebeefd, omdat zij zelf ternauwernood ontsnapt waren. "Het was als kruis of munt", dat kinder-kansspel, welke stad het eerst zou aangevallen worden. Rabba of Jeruzalem, Hoofdstuk 21:20. En zij hadden reden gehad, te verwachten, dat de koning van Babel eerst hen zou aanvallen. Maar aldus waren hun harten verhard, tot eigen verderf, en hun onbeschaamdheid jegens Jeruzalem was een bewijs des verderfs, Filippenzen 1:28. Het is goddeloos, blijde te zijn over iemands tegenspoed, vooral over die van Gods volk, een zonde, die God zeker straffen zal. Zoveel behagen als God schept in het betoon van barmhartigheid, en zo traag is Hij om te straffen, dat niets Hem aangenamer is dan dat een voorbede Hem in de weg van Zijn oordelen tegenkomt, maar ook niets dat meer Zijn toorn verwekt, dan "ten kwade te helpen, wanneer Hij maar een weinig toornig is", Zacheria 1:15.
2. Hij moet de Ammonieten met algehele verwoesting dreigen om de onbeschaamdheid waaraan zij zich hadden schuldig gemaakt. God keert Zijn toorn van Israël af, tegen hen, naar Spreuk. 24:17, 18. God is naijverig op de eer van Zijn volk, omdat Zijn eigen eer daarmee gemoeid is. En daarom, wie Zijn volk aanraakt, die raakt Gods oogappel aan. Hij had tevoren de ondergang van de Ammonieten voorzegd, Hoofdstuk 21:28. Hadden zij berouw gehad dan zou het vonnis zijn opgeschort nu wordt het bevestigd.
a. Een vernielende vijand wordt tegen hen in het veld gebracht: Ik zal u de heidenen ten buit geven, eerst de Chaldeën, die uit het noord-oosten kwamen, en wier leger onder aanvoering van Nebukadnezar, het land van de Ammonieten verwoestte, ongeveer vijf jaren na de verwoesting van Jeruzalem (naar Josephus verhaalt), (Antiq. lib. X cap. 1) en daarna de Arabieren, die meer bepaald de kinderen van het oosten waren, die, toen de Babyloniërs het land verwoest en daarop verlaten hadden, kwamen en er voor zichzelf bezit van namen, waarschijnlijk met goedvinden van de veroveraars. Herderstenten waren hun paleizen, deze werden in het land van de Ammonieten gespannen, daar maakten zij hun woningen, vers 4. Zij genoten de opbrengst des lands. Die zullen uw vruchten eten en die zullen uw melk drinken, en de melk is de tweede hands-opbrengst des lands. Zij gebruikten de koninklijke stad voor hun vee, vers 5. Ik zal Rabba, dat een prachtige stad was, tot een kamelenstal maken, want deszelfs nieuwe meesters, wier rijkdom in vee bestond, zullen menen, dat zij de paleizen van Rabba niet beter konden benutten. Rabba was de woning van ruwe lieden geweest, terecht wordt het dus nu een kamemelenstad en het land tot een schaapskooi, onschuldige dieren dan waarmee het vroeger was vervuld geweest.
b. God zelf treedt als hun vijand op, vers 7, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, een hand, die ver zal reiken en gevoelig treffen, tegen welker slagen geen weerstand mogelijk is, want het is een machtige hand, en welker gewicht alles neerdrukt, want het is een ware hand. Gods hand tegen de Ammonieten uitgestrekt, zal ze niet alleen de heidenen ten buit geven, zodat al hun naburen ze zullen beroven, maar Hij zal ze ook uit de volkeren uitroeien en uit de landen verdoen, zo dat van hen in die streken niets overblijft. Vergelijk hiermede Jeremia 49:1, enz. Wat kan vreselijker klinken dan dit besluit, vers 7 :Ik zal u verdelgen? Want de almachtige God is machtig ons te verlossen en om te verderven, en het is vreselijk in Zijn handen te vallen. Beide de bedreigingen hier, vers 5, 7, eindigen met deze betuiging: "Gij zult weten dat Ik de Here ben." Want, c. Zo handhaaft God Zijn eigen eer en laat duidelijk verstaan, dat Hij de God Israëls is, hoewel Hij toelaat, dat het voor een tijd in Babel gevangen is.
d. Zo brengt Hij hen, die Hem vreemd waren, in betrekking tot Hem, en dat zal het gezegend gevolg hunner rampen zijn. Het is beter, God te kennen in armoede, dan Hem in rijkdom niet te kennen.