Ezechiël 26:1-14
Deze profetie dateert van het elfde jaar, het jaar, waarin Jeruzalem ingenomen werd, de eerste van de maand, maar van welke maand wordt niet gezegd, sommigen menen van de maand, waarin Jeruzalem ingenomen werd, dus de vierde, anderen menen van de daaropvolgende maand, of misschien was het de eerste maand, en dan was het de eerste maand van het jaar. Hier valt op te merken,
I. Het genoegen, waarmee de Tyriërs zagen dat Jeruzalem in puin lag. Ezechiël was ver weg, te Babel, maar God zei hem, wat men te Tyrus tegen Jeruzalem zei, vers 2 :"Heah! zij is verbroken, die de poort van de volkeren was, waar alles heenstroomde, en waar alle volken gewoon waren elkaar te ontmoeten, de één om deze reden, en de ander om een andere reden, en ik zal er winst mee doen, al de rijkdom, macht en invloed, die Jeruzalem bezat, zal nu op Tyrus overgaan, dat is ten minste te hopen, en nu zij verwoest is, zal ik vervuld worden". Wij vinden nergens, dat de haat en de vijandschap van de Tyriërs tegen Jeruzalem en het heiligdom zo groot was als die van de Ammonieten en Edomieten, of dat zij even wrevelig en boosaardig waren tegenover de Joden. Het waren handelaars, met uitgebreide betrekkingen en vrij in de omgang, en daarom waren zij niet zo dweepziek en tot vervolging geneigd als bekrompen zielen, die in afzondering leven en de wereld niet kennen. Hun enige zorg was, zich een vermogen te verwerven, en de handel uit te breiden, en zij beschouwden Jeruzalem niet als een vijand, maar als een mededingster. Hiram, de koning van Tyrus, was een goed vriend van David en Salomo, en wij lezen nergens van twisten tussen de Joden en de Tyriërs, maar Tyrus vleide zich met de hoop dat de val van Jeruzalem een voordeel voor haar zou zijn ten opzichte van handel en nering dat zij nu de klanten van Jeruzalem trekken zou, en dat de aanzienlijken uit alle delen, die gewoon waren naar Jeruzalem te komen om hun opvoeding te voltooien, en hun inkomen daar te verteren, nu naar Tyrus zullen komen, om het daar te verteren, en, terwijl velen naar Jeruzalem gevlucht waren, sinds het Chaldeeuwse leger die delen bezette, en hun vermogen daar in veiligheid brachten, zoals de Rechabieten deden, zullen zij nu naar Tyrus komen, dat als `t ware door de zee omringd is, en daarom voor een sterkere plaats gehouden zal worden dan Jeruzalem, en zo zal uit de puinhopen van Jeruzalem de voorspoed van Tyrus rijzen. Een geheim welgevallen te hebben aan de dood of het verval van anderen, wanneer het waarschijnlijk is, dat wij er bij winnen zullen, en aan hun val, wanneer wij er van groeien, is een zonde, waar wij allen voor bloot liggen, maar men denkt gewoonlijk niet, dat het zo slecht is en zo godtergend, als werkelijk het geval is. Als zij, die ons licht betimmerden, en ons in de weg stonden, weggenomen worden, als zij achteruit gaan of in ongenade vallen, zijn wij geneigd te zeggen: "Nu zij verwoest zijn, zullen wij vervuld worden." Maar dit ontspruit uit een zelfzuchtig hebzuchtig beginsel en een verlangen om alleen inwoners te worden in het midden des lands, alsof wij niemand het leven gunden. Dat ontspruit uit een gebrek aan die liefde voor onze naaste als voor ons zelf, die de wet van God zo uitdrukkelijk eist, en uit die onmatige liefde tot de wereld als ons geluk, die de liefde van God zo uitdrukkelijk verbiedt. En het is rechtvaardig van God te blazen in de plannen en bedoelingen van hen, die zich groot willen maken op de puinhopen van anderen, en wij zien, dat zij dikwijls teleurgesteld worden.
II. Het ongenoegen van God daarover tegen hen. Gods leiding had Tyrus welgedaan. Tyrus was een vrolijke en rijke stad, en had dat kunnen blijven, als het medelijden had gehad met Jeruzalem in haar rampen en haar een adres van condoleantie had gezonden, zoals het had behoren te doen, maar nu het, in plaats daarvan, een welgevallen toonde aan de val van zijn nabuur, en misschien wel een adres van felicitatie zond aan de overwinnaars, nu zegt God: Zie, Ik wil aan u, o Tyrus! vers 3. En als God tegen haar is, verwachtte zij niet langer voorspoedig te zijn.
1. God zal geduchte vijanden over haar brengen: "Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, een leger samengesteld uit vele volken, of een volk, dat zo sterk is als vele volken". Die God tegen zich hebben, kunnen verwachten, dat alle schepselen tegen hen zullen zijn, want welke vrede kunnen zij hebben, die geen vrede met God hebben? Zij zullen binnen komen stromen als de zee met haar golven, de ene golf na de andere, met onweerstaanbare kracht. De man, die dat leger over hen brengen zal, wordt genoemd-"Nebukadnezar, de koning van Babel, de koning van de koningen", aan wie vele koningen schatting betaalden, en van wie velen afhankelijk waren, behalve die zijn gevangenen waren, Daniël 2:37, 38, Hij is dat gouden hoofd Hij zal komen met een groot leger, paarden en wagens, enz, alle strijdkrachten te land. Wij vinden niet, dat hij een vloot had, of iets dergelijks om haar ter zee aan te vallen, wat de aanval zoveel moeilijker maakte, zoals wij vinden in Hoofdstuk 29:18, waar het een groter dienst genoemd wordt, die hij zijn leger heeft doen dienen tegen Tyrus. Hij zal het formeel belegeren, vers 8, hij zal sterkten maken en een wal opwerpen, en, vers 9, muurbrekers tegen haar muren stellen. Zijn troepen zullen zo talrijk zijn, dat de stofwolk, die zij veroorzaken, de stad bedekken zal, vers 10. De muren zullen beven van het gedruis dat zij maken zullen, en bij iedere aanval zullen zij juichen, als soldaten, die een doorgebroken stad intrekken, de paarden zullen rennen met zoveel vuur en onstuimigheid, dat zij de straten vertreden zullen, hoe degelijk zij ook geplaveid zijn.
2. Zij zullen een schrikkelijk strafgericht houden.
a. De vijanden zullen zich meester maken van al haar versterkingen, zij zullen de torens en de muren af breken, vers 4. Want welke muur is zo sterk gebouwd, dat zij tegen de oordelen Gods beschermen kan? De kolommen harer sterkte zullen ter aarde nederstorten, vers 11. De stad heeft het beleg lang uitgehouden, maar is tenslotte genomen.
b. Veel bloed zal vergoten worden: Haar dochters op het veld, de steden in het binnenland, die aan Tyrus als de moederstad onderworpen waren, zullen met het zwaard gedood worden, vers 6. De invallers beginnen met hen, die hun het eerst in de weg komen. En vers 11, hij zal uw volk met het zwaard doden, niet alleen de soldaten, die onder de wapens gevonden worden, maar ook de burgers zullen over de kling gejaagd worden, daar de koning van Babel uiterst verbolgen was over de langdurigen tegenstand.
c. Al de rijkdom van de stad zal de buit worden van de overwinnaar, vers 12 :Zij zullen uw koopmanswaren plunderen. Het was het vooruitzicht op de plundering, dat de stad met zoveel kracht deed aanvallen. Zie de ijdelheid des rijkdoms, dat hij van zijn bezitters bewaard wordt tot hun eigen kwaad, hij lokt de dieven aan en beloont hun moeite, niet alleen houdt hij op te bevoordelen, die er moeite voor gedaan hebben, en die er alle recht op hadden, maar hij stelt zich in dienst van hun vijanden, die daardoor in staat gesteld worden, hun zoveel te meer kwaad te doen.
d. De stad zelf zal in de as gelegd worden. Al de kostelijke huizen zullen omgeworpen worden, vers 12, die schoon gelegen, rijk versierd en gemeubeld waren, zullen tot puinhopen worden. Laat men het zich niet al te aangenaam maken in die aangename huizen, want men weet niet, hoe spoedig men die verwoest zal zien. Tyrus zal volkomen verwoest worden, de vijand zal niet alleen de huizen neerhalen, hij zal ook het hout en de stenen wegslepen, opdat zij er de stad niet meer mee kunnen opbouwen, en zullen die in het midden van de wateren werpen, zodat zij niet meer verzameld kunnen worden en men er geen gebruik meer van maken kan. Ja, vers 4, Ik zal haar stof van haar wegvagen, niet alleen zal het losse stof weggeblazen worden, maar de grond waarop zij gebouwd is, zal door de verbitterde vijand omgewoeld en uitgegraven en in het midden van de wateren geworpen worden vers 12. De fundamenten staan in het stof, dat stof zal geheel weggenomen worden, en dan moet de stad natuurlijk vallen. "Toen Jeruzalem verwoest werd, werd Zion als een akker geploegd," Micha 3:12. Maar de verwoesting van Tyrus zal nog verder gaan, de grond zelf zal weggemaakt worden, en de gladde steenrots zal bloot liggen, vers 4, 14, rots, zonder de aarde, die ze bedekt heeft, er zal alleen gelegenheid zijn om netten uit te spreiden, vers 5, 14, zij zal de vissers dienen, om hun netten op te drogen en te boeten.
e. Er zal een eind gemaakt worden aan haar vreugde en blijdschap, vers 13 :Ik zal het gedeun uwer liederen doen ophouden. Tyrus was een vrolijke stad geweest, Jesaja 23:7, met haar liederen had zij haar klanten verlokt om handel met haar te drijven. Maar nu is het uit met haar voordelige handel en aangename vriendschap, Tyrus is geen plaats meer voor handel noch voor vermaak. Tenslotte, zij zal niet meer gebouwd worden, vers 14, niet meer, zoals zij geweest is, met zoveel pracht en praal, niet meer op dezelfde plaats, als `t ware in de zee, een lange tijd zelfs in het geheel niet, de tegenwoordige inwoners zullen verstrooid of verspreid worden, zodat dit Tyrus niet meer zijn zal. Want God heeft het gesproken, ver 5, 14, en als het vervuld is, wat Hij gesproken heeft, dan zullen zij daaraan weten dat Hij de Here is en geen mens, dat Hij liegen zou, en geen mensenkind, dat Hem iets berouwen zou.