Ezechiël 29:17-21
De datum van deze profetie is opmerkelijk: het was in het zeven en twintigste jaar van Ezechiëls ballingschap, zestien jaren na de profetie in het voorafgaand gedeelte van dit hoofdstuk, en bijna even lang na die, welke in de volgende hoofdstukken komen. Ze staat hier als een uitlegging van alles wat tegen Egypte gezegd was. Na de verwoesting van Jeruzalem wijdde Nebukadnezar twee of drie veldslagen aan de overwinning van de Ammonieten en Moabieten en de onderwerping van hun land. Daarop bracht hij dertien jaren door met de belegering van Tyrus. Gedurende al die tijd waren de Egyptenaren in de oorlog met de Syriërs en in onderlingen strijd gewikkeld, hetgeen hen zeer verzwakte en verarmde. Juist ten einde van het beleg van Tyrus openbaart God deze profetie aan Tyrus, om hem te tonen, dat de eindelijke verwoesting van Egypte die hij vijftien of zestien jaren tevoren voorzegd had, en reeds ten dele vervuld was, nu door Nebukadnezar voltooid zou worden. De profetie die hier begint, schijnt in het 20ste vers van het volgende hoofdstuk voortgezet te worden. En Dr. Lightfoot merkt op, dat dit de laatste profetie is, die wij van deze profeet bezitten en dus aan het einde van zijn boek moest staan, maar hier een plaats gevonden heeft om al wat op Egypte betrekking heeft, bijeen te brengen. De bijzondere val van Farao Hophra, in het voorgaande gedeelte van het hoofdstuk voorspeld, was ook reeds aangekondigd in Jeremia 44:30. De algemene verwoesting van Egypte door Nebukadnezar was reeds voorzegd in Jeremia 43:10.
Merk op,
I. Welk een voorspoed God aan Nebukadnezar en zijn heirscharen tegen Egypte schonk. God gaf hem Egypteland, opdat Hij de buit daarvan buiten en de roof daarvan roven zou, vers 19, 20. Het was een goedkope en gemakkelijke prooi. Het onderwierp het met weinig moeite, het vergoten bloed en de gemaakte onkosten waren onbeduidend. Maar het was een rijke buit, en wat hij wegvoerde, vertegenwoordigde een aanzienlijke waarde. Hun onderlinge verdeeldheid had ongetwijfeld, de gemeenschappelijke vijand een groot voordeel over hen gegeven, die, na lang elkaar te hebben beroofd, nu gezamenlijk de prooi van de overweldiger werden. (En! quo discordia cives perduxit miseros. Wat ellende brengt burgertwist toch!) Jeremia had voorspeld, "dat Nebukadnezar zich Egypteland zou aantrekken, gelijk als een herder zijn kleed aantrekt," Jeremia 43:12, hetgeen te verstaan geeft welk een rijke en gemakkelijke buit Egypte zijn zou.
II. Om welke overwegingen God aan Nebukadnezars wapenen tegen Egypte deze voorspoed zou geven. Het was een arbeidsloon voor zijn dienst tegen Tyrus, vers 18, 20.
1. De inneming van Tyrus was een moeilijk stuk werk geweest en had Nebukadnezar overvloed van bloed en schatten gekost. Ze had dertien jaar geduurd, al die tijd had het Chaldeeuwse leger het hard te verantwoorden gehad, eer het zich van de stad had meester gemaakt. Een brede zeeëngte tussen Tyrus en het vaste land werd met aarde opgevuld, menige andere moeilijkheid, die onoverkomelijk scheen, moest uit de weg geruimd worden. Maar een machtig vorst als de koning van Babel meende, nu hij eenmaal de onderneming op touw had gezet, aan zich zelf verplicht te zijn, het beleg voort te zetten, het mocht kosten wat het wilde. Hoeveel duizenden levens zijn opgeofferd om een eergevoel als dit! Bij de voortzetting van dit beleg waren alle hoofden kaal geworden en alle zijden uitgeplukt, door lasten te dragen en in het water te werken, met een sterke stroming om te overwinnen en een sterke stad om te belegeren. Egypte, een innerlijk verdeeld koninkrijk, werd gemakkelijk veroverd, Tyrus, een enkele stad, maar eendrachtig, werd met veel moeite ten onder gebracht. Zij, die in deze wereld veel te doen hebben, vinden de dingen soms veel gemakkelijker dan ze verwacht hadden. Maar, 2. In deze dienst zegt God, dat hij voor Hem gearbeid heeft, vers 20. Hij heeft hem aan het werk gezet, om de trotse stad en haar koning te vernederen, al meenden zij dat niet noch dacht hun hart dat, namelijk dergenen, die daartoe gebruikt werden. Zie, zelfs grote mannen en slechte lieden zijn zijn werktuigen, hoewel zij hun eigen eer- en heerszuchtige plannen volvoeren, zo wondervol beheerst God alles naar Zijn eigen raad. Toch,
3. Had hij noch zijn leger voor deze dienst arbeidsloon. Hij had grote onkosten te maken om Tyrus te nemen, en toen hij het had genomen, viel het hem, hoewel hij zich voor zijn troepen een rijke buit beloofd had, tegen: de Tyriërs hadden per scheepsgelegenheid hun tilbare have medegevoerd en lieten hem niets dan de naakte muren. Zo worden de kinderen van deze wereld gewoonlijk in hun hoogste verwachtingen teleurgesteld. Daarom
4. Zal hij de buit van Egypte tot beloning hebben van zijn dienst tegen Tyrus. Zie, God blijft nimmer in gebreke, hen te belonen, die Hem enigen dienst bewijzen, Hij beloont hen op de een of andere wijze, niemand offert iets op zijn altaar om niet. De dienst, die wereldse mensen Hem doen, met wereldse bedoelingen, wordt slechts met werelds loon betaald, waarmee echter Zijn getrouwe knechten, die Zijn wil eerbiedigen en Zijn eer bedoelen, niet afgescheept worden. Dit verklaart de voorspoed van wereldse mensen in dit leven. God betaalt hun daarmee de een of andere dienst waarvan Hij heeft gebruik gemaakt. Zeker hebben zij hun loon. Laat niemand hen evenwel bevrijden. De verovering van Egypte wordt Nebukadnezars volle loon genoemd, want dat voltooide zijn heerschappij over de toenmaals bekende wereld, tot op zekere hoogte althans, want dat was het laatste rijk dat hij onderwierp. Toen hij daarvan meester was geworden, was hij dat gouden hoofd.
III. De genade, die God spoedig daarna aan het huis Israëls bewijzen zou. Wanneer het getij zijn hoogste punt heeft bereikt, begint het water spoedig te vallen. Nebukadnezar stond op het toppunt van zijn heerlijkheid, toen hij Egypte had veroverd, maar binnen een jaar daarna werd hij krankzinnig, Daniël 4, bleef het zeven jaar lang, en leefde, na de verkrijging van zijn verstand, nog een paar jaren voordat hij stierf. Toen hij Zijn hoogste punt had bereikt, stond Israël het laagst, toen waren zij het diepst in de ellende van hun gevangenschap gedompeld, hun gebeente dor en droog, maar in die dagen zal Ik de hoorn van het huis Israëls doen uitspruiten, vers 21. De dag van hun verlossing begon te dagen, spoedig zou hun dienstbaarheid een weinig verlicht worden, in de eer, die,
1. Hun vorsten zou te beurt vallen. "Zij zijn de hoorn van het huis Israël, de zetel van zijn glorie en macht'. Dit begon, toen Daniël en zijn vrienden met hoge posten in Babel bekleed werden." Daniël zat in de poort van de stad, Sadrach, Mesach en Abed-Nego werden over de bediening van het landsap van Babel gesteld," Daniël 2:49. Dezen waren allen uit het koninklijke zaad, uit de prinsen, Daniël 1:3. Die verheffing vond plaats binnen het jaar na de verovering van Egypte. Spoedig daarna ontvingen drie van hen nog groter eer, toen God ze in de oven van brandend vuur bewaarde, en zij er levend en ongeschonden weer uit tevoorschijn traden. Dit kon terecht een uitspruiten van de troon van het huis Israëls genoemd worden. Enige jaren werd die belofte nog verder vervuld, toen Jehojakim uit de gevangenis bevrijd en verhoogd werd, Jesaja 52:31, 32. Beide zaken waren bewijzen van Gods gunst over Israël en gelukkige voortekenen.
2. Aan de profeten: Ik zal u opening des monds geven in het midden van hen. Ofschoon geen van Ezechiëls profetieën, na deze tijd, staan opgetekend, hebben wij toch grond om aan te nemen, dat hij voortgegaan is te profeteren, met meer onverschrokkenheid en vrijmoedigheid, toen Daniël en zijn vrienden in hoogheid gezeten waren, en hem zeker tegen de Babyloniërs niet alleen, maar ook tegen de goddelozen van hun eigen volk zouden beschermd hebben. Zie, het geeft goede hoop, wanneer God de vrijheid van Zijn dienaren vermeerdert, en zij in hun arbeid aangemoedigd en gesterkt worden.