Lukas 24:36-49
Op dezelfden dag Zijner opstanding is Christus vijf malen gezien: door Maria Magdalena alleen in den hof, Johannes 20:14, door de vrouwen, als zij heengingen om Zijnen discipelen te boodschappen, Mattheus 28:9, door Petrus alleen, door de twee discipelen, gaande naar Emmaus, en nu in den laten avond door de elven, waarvan wij het verhaal hebben in deze verzen, als ook in Johannes 20:19. Merk op:
1. De grote verbazing, die Zijne verschijning bij hen teweegbracht. Hij kwam zeer ter rechter tijd tot hen in, toen zij elkaar de bewijzen mededeelden von Zijne opstanding. Als zij van deze dingen spraken, en misschien op het punt waren om het wezenlijke dier bewijzen nog in twijfel te trekken, en te beraadslagen over hetgeen zij nu te doen hadden, stond Jezus zelf in het midden van hen en stelde de zaak dus buiten twijfel. Zij, die het beste gebruik maken, dat zij kunnen, van de bewijzen, die hun ter vertroosting kunnen strekken, kunnen nog verdere verzekerdheid verwachten, en dat de Geest van Christus zal getuigen met hunnen geest (gelijk Christus hier getuigde met de discipelen, en hun getuigenis bevestigde), dat zij kinderen Gods zijn en met Christus zijn opgestaan. Let op:
1. Den troost, dien Christus hun toespreekt.
Vrede zij ulieden. Dit geeft in het algemeen te kennen, dat het een vriendelijk bezoek was, dat Christus hun nu bracht, een bezoek van liefde en vriendschap. Hoewel zij Hem zeer onvriendelijk hadden verlaten in Zijn lijden, neemt Hij nu toch de eerste gelegenheid waar, om hen allen tezamen te bezoeken, want Hij handelt niet met ons naar dat wij het verdienen. Zij schonken geen geloof aan hen, die Hem gezien hadden, daarom komt Hij nu zelf, opdat zij in hun ontroostbare ongelovigheid niet zullen volharden. Hij had beloofd, dat Hij hen na Zijne opstanding in Galilea zou zien, maar Hij was zo verlangend hen te zien, en te vertroosten, dat Hij het tijdstip des weerziens vervroegt en hen reeds te Jeruzalem bezoekt. Christus doet dikwijls nog meer dan Hij gezegd heeft, maar nooit minder. Nu is Zijn eerste woord tot hen: Vrede zij ulieden, niet bij wijze van plichtpleging, maar vertroostend. Het was een gewone vorm van begroeting onder de Joden, en Christus wilde er Zijn gewone gemeenzaamheid met hen mede te kennen geven, hoewel Hij tot Zijn staat van verhoging was gekomen. Er zijn velen, die, als zij bevorderd zijn, hun oude vrienden vergeten, of zij gedragen zich hooghartig jegens hen, maar Christus zien wij even vrij en ongedwongen met hen als tevoren. Zo heeft Christus hun met het eerste woord willen te kennen geven, dat Hij niet kwam om Petrus te bestraffen wegens zijne verloochening van Hem, of om de overigen hun wegvluchten van Hem te verwijten, neen, Hij kwam in vrede, om hun te kennen te geven, dat Hij hun vergiffenis had geschonken en met hen verzoend was.
2. Hun schrik, vers 37. Zij waren verschrikt, en "meenden dat zij een geest zagen", omdat Hij zonder gedruis tot hen was ingekomen, en in hun midden stond eer zij er zich van bewust waren. Het woord, gebruikt in Mattheus 24:26, toen zij zeiden: "Het is een spooksel", is phantasma, het is een spooksel, een verschijning, maar het woord, dat hier gebruikt wordt, is pneuma, het woord, dat eigenlijk een geest betekent, zij dachten dat het een geest was, niet bekleed met een wezenlijk lichaam. Hoewel wij verbonden zijn aan, en gemeenschap hebben met, de wereld der geesten, en wij er ons heen spoeden, is het toch, zolang wij in deze wereld der zinnen en der stof zijn, ene verschrikking voor ons, als een geest in zoverre van zijn aard veranderd is, dat hij zichtbaar voor ons wordt en met ons spreekt, want dat is iets buitengewoons en voorspelt iets buitengewoons. II. De grote voldoening, die Zijne toespraak hun veroorzaakte, waarin wij hebben,
1. De bestraffing, die Hij hun gaf wegens hun onnodige en ongegronde vrees: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen (van vrees en verschrikking) in uwe harten? vers 38. Merk hier op:
a. Dat er, als wij ontroerd zijn, allicht overleggingen in onze harten opklimmen, die ons kwaad doen. Soms wordt de ontroering veroorzaakt door de overleggingen, die in ons hart opklimmen, onze smart en onze vrees ontstaan uit de dingen, die de schepselen zijn onzer verbeelding. Soms zijn de gedachten, die in ons hart opkomen, veroorzaakt door de ontroering, van buiten is er strijd, en dan komt er vrees van binnen. Bij hen, die droefgeestig en ontroerd zijn, komen gedachten op in het hart, die een oneer zijn voor God, en die onrust teweegbrengen in hen zelven. Ik ben afgesneden van voor Uwe ogen. De Heere heeft mij verlaten en vergeten.
b. Dat velen van de onroerende gedachten, waardoor ons hart ontrust wordt, ontstaan uit onze vergissingen omtrent Christus. Zij dachten dat zij een geest zagen, toen zij Christus zagen, en dat veroorzaakte hun die ontsteltenis. Wij vergeten, dat Christus onze oudste Broeder is, en beschouwen Hem op zo groot een afstand van ons te zijn, als de wereld der geesten is van deze wereld, en daarmee verschrikken wij ons. Als Christus ons door Zijn Geest overtuigt en verootmoedigt, als Hij ons door Zijne voorzienigheid beproeft en bekeert, vergissen wij ons in Hem, denkende dat Hij ons kwaad wil, en dat ontrust ons.
c. Dat al de ontroerende gedachten, die te eniger tijd in ons hart opkomen, den Heere Jezus bekend zijn, zodra zij ontstaan, en dat zij Hem mishagen. Hij berispte Zijne discipelen wegens deze overleggingen, om ons te leren er ons zelven om te bestraffen. Wat buigt gij u neer, o mijne ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Waarom komen gedachten in ons op, die noch waar noch goed zijn, die evenmin grond hebben als vrucht, maar onze blijdschap in God verstoren, ons ongeschikt maken voor onzen plicht, aan Satan voordeel geven, en ons van de vertroostingen beroven, die voor ons zijn weggelegd?
2. Het bewijs, dat Hij hun gaf van Zijne opstanding, zowel om hun vrees te doen zwijgen, door hen te overtuigen dat Hij geen geest was, als om hun geloof te versterken in de leer, die zij der wereld moesten gaan verkondigen, door hen ten volle te overtuigen van Zijne opstanding. Hij geeft hun twee bewijzen:
a. Hij toont hun Zijn lichaam, inzonderheid Zijne handen en voeten. Zij zagen dat Hij de gestalte en gelaatstrekken had van hun Meester, maar is het niet Zijn geest? "Neen", zegt Christus, "ziet Mijne handen en voeten, gij ziet dat Ik handen en voeten heb, en dus heb Ik een waar lichaam. Gij ziet dat Ik deze handen en voeten kan bewegen, en dus heb Ik een levend lichaam, en gij ziet de tekenen der nagelen in Mijne handen en voeten, en dus is het Mijn eigen lichaam, hetzelfde dat gij hebt zien kruisigen, en geen geleend lichaam". Hij stelt dit beginsel vast: een geest heeft geen vlees en benen, een geest is niet samengesteld uit grove stof, geformeerd met onderscheidene leden, en bestaande uit verschillende, ongelijksoortige delen, zoals ons lichaam. Hij zegt ons niet wat een geest is (het is tijd genoeg om dat te weten, als wij tot de wereld der geesten heengaan), maar wel wat hij niet is: een geest heeft geen vlees en benen. Hieruit leidt Hij nu af: Ik ben het zelf, met wie gij zo gemeenzaam bekend zijt geweest, met wie gij zo vertrouwelijken omgang hebt gehad. Ik ben het zelf, in wie gij reden hebt u te verblijden, maar geen reden hebt om bevreesd voor te wezen." Zij, die Christus recht kennen, Hem kennen als den hun, zullen geen reden hebben om verschrikt te wezen bij Zijne verschijning. Hij beroept zich op hun ogen, Hij toont hun Zijne handen en voeten, die van de nagelen doorboord waren. Christus heeft er de tekenen van behouden in Zijn verheerlijkt lichaam, opdat zij de bewijzen zouden hebben, dat Hij het zelf was, en Hij wilde dat die tekenen gezien zouden worden. Naderhand toonde Hij ze aan Thomas, want Hij schaamt zich Zijn lijden voor ons niet, weinig reden hebben wij dus om het ons te schamen, of om ons ons lijden voor Hem te schamen. Gelijk Hij Zijne wonden hier toont aan Zijne discipelen, ter versterking en bevestiging van Zijne instructies aan hen, zo toonde Hij ze Zijn Vader ter versterking Zijner voorbede bij Hem. Hij verschijnt in den hemel als een Lam, staande als geslacht, Openbaring 5:6. Zijn bloed spreekt, Hebreeën 12:24. In de kracht Zijner genoegdoening bidt Hij voor ons. Hij zegt tot den Vader, gelijk hier tot de discipelen: Zie Mijne handen en voeten, Zacheria 13:6, 7. Hij beroept zich op hun aanraking: Tast Mij aan, en ziet. Hij wilde toen niet dat Maria Magdalena Hem zou aanraken, Johannes 20:17. Maar den discipelen vertrouwt Hij dit toe, opdat zij, die Zijne opstanding moesten gaan prediken en hierom zullen moeten lijden, er zelf ten volle van overtuigd zouden zijn. Hij zei hun Hem aan te tasten, opdat zij er van overtuigd zouden zijn, dat Hij geen geest was. Indien er nu werkelijk geen geesten waren, of verschijningen van geesten, (waaraan de discipelen gelijk uit dit en andere voorbeelden blijkt, geloofden) dan zou het voor Christus nu de geschikte tijd zijn geweest, om hen uit de dwaling te helpen, door hun te zeggen dat er niets van dien aard bestaat, maar Christus schijnt het als toegestemd te beschouwen, dat er verschijningen van geesten geweest zijn en nog zijn kunnen, waartoe zou het anders nodig geweest zijn, zich al die moeite te geven om er hen van te overtuigen dat Hij er geen was? Er waren in de eerste tijden der Christelijke kerk vele ketters, of, ik denk veeleer, dat het atheïsten waren, die zeiden dat Christus nooit een stoffelijk lichaam gehad heeft, maar een bloot phantasma, dat noch werkelijk geboren was, noch in waarheid geleden heeft. Het waren, naar men ons zegt, de Valentinianen en de Manicheën, en de volgelingen van Simon de tovenaar, die deze buitensporige denkbeelden koesterden, zij werden Dokêtai en Phantusiastai genoemd. Geloofd zij God, deze ketterijen zijn reeds lang begraven, en wij weten en zijn verzekerd, dat Jezus Christus geen geest, geen verschijning was, maar dat Hij wezenlijk en waarlijk een lichaam had, zelfs na Zijne opstanding.
b. Hij eet met hen, om te tonen dat Hij een waar en wezenlijk lichaam had, en dat Hij gaarne vrij en gemeenzaam met Zijne discipelen wilde omgaan, zoals de ene vriend met den anderen vriend. Petrus legt hier groten nadruk op, Handelingen 10:41, ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden was opgestaan. Toen zij Zijne handen en voeten zagen, wisten zij toch nog niet wat te zeggen. Toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, vers 41. Het was hun zwakheid, hun gebrek, dat zij niet geloofden, dat zij nog niet geloofden, eti epistountoon autoon -nog waren zij ongelovigen. Het versterkt in hoge mate de waarheid van Christus' opstanding, dat de discipelen zo traag waren om het te geloven. In plaats van Zijn lichaam te stelen en te zeggen: Hij is opgestaan, als Hij het niet is, gelijk de overpriesters voorgaven dat zij doen zouden, zijn zij bereid om telkens en nogmaals te zeggen: "Hij is niet opgestaan", als Hij het wèl is, Dat zij er eerst niet aan geloofden en er de onomstotelijkste bewijzen voor eisten, toont dat, toen zij er later wèl aan geloofden, en er alles, ook hun leven, voor veil hadden, de zaak voor hen gans klaarblijkelijk was. Hoewel nu deze ongelovigheid een zwakheid van hen was, was zij toch wel te verontschuldigen, want het was niet uit minachting voor de bewijzen, die hun geboden werden, dat zij niet geloofden. Ten eerste. Het was uit blijdschap, dat zij het niet geloofden, evenals Jakob, toen men hem berichtte dat Jozef nog leefde, zij achtten de tijding te kostelijk en heerlijk om waar te kunnen zijn. Als daarom het geloof en de hoop zwak zijn, omdat de liefde en het verlangen sterk zijn, dan zal dat zwakke geloof te hulp gekomen, maar niet verworpen worden. Ten tweede, Zij verwonderden zich, zij dachten dat het niet slechts te goed, maar ook te groot was, om waar te kunnen zijn, vergetende zowel de Schriften als de macht van God. Ter hunner verdere overtuiging en bemoediging vroeg Hij om iets te eten. Te Emmaus heeft Hij aangezeten met de twee discipelen, maar er wordt niet bij gezegd, dat Hij met hen gegeten heeft. Opdat dit nu niet als bezwaar of tegenwerping zou gelden, heeft Hij hier werkelijk met hen en met de overigen gegeten, om te tonen dat Zijn lichaam wezenlijk en waarlijk tot het leven was wedergekeerd, hoewel Hij niet voortdurend met hen at en dronk of sprak, zoals Hij vroeger gedaan had, (en zoals Lazarus gedaan heeft na zijne opstanding, die niet slechts was wedergekeerd tot het leven, maar tot zijn vorigen staat in het leven, om later weer te sterven), omdat dit niet voegde bij den staat, waartoe Hij was opgewekt Zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis en van honigraten, vers 42. De honigraat werd allicht gebruikt als saus bij den gebraden vis, want Kanaän was een land, overvloeiende van melk en honing. Dit was gering voedsel, maar als het het voedsel is der discipelen, zal hun Meester het evenals zij nuttigen, want in het koninkrijk van onzen Vader zullen zij zich voeden zoals Hij zich voedt, zij zullen met Hem eten en drinken in Zijn koninkrijk.
3. Het inzicht, dat Hij hun gaf in het woord van God, dat zij hadden gehoord en gelezen, waardoor geloof in de opstanding van Christus in hen gewerkt werd, en alle moeilijkheden uit den weg werden geruimd.
a. Hij verwijst hen naar het woord, dat zij van Hem hadden gehoord, toen Hij nog met hen was, en evenals de engel, herinnert Hij hen hieraan, vers 44. Dit zijn de woorden die Ik -menigmaal in het bijzonder-tot u sprak, als Ik nog met u was. Wij zouden beter begrijpen wat Christus doet, indien wij ons slechts beter herinnerden wat Hij heeft gezegd, en zo wij de kunst verstonden van dit met elkaar te vergelijken.
b. Hij verwijst hen naar het woord, dat zij hadden gelezen in het Oude Testament, naar hetwelk het woord, dat zij van Hem gehoord hadden, heen wees: Alles moet vervuld worden, wat van Mij geschreven is. Christus had hun dezen algemenen wenk gegeven, om er hun verwachtingen naar te regelen-dat al wat zij betreffende den Messias in het Oude Testament geschreven vonden, in Hem vervuld moest worden, hetgeen omtrent Zijn lijden geschreven was, zowel als hetgeen betreffende Zijn koninkrijk was geschreven. Deze dingen had God samengevoegd in de voorzegging, en men kon niet denken dat zij gescheiden zouden worden in de vervulling. Alles moest vervuld worden, tot zelfs het zwaarste, het ontzettendste, tot zelfs den edik, Hij kon niet sterven voor Hij dien gedronken had, omdat Hij voordat Hij dien gedronken had, niet kon zeggen: Het is volbracht. De onderscheidene delen van het Oude Testament worden hier genoemd, daar elk er van dingen bevat omtrent Christus: De wet van Mozes, dat is, de Pentateuch, of de vijf boeken door Mozes geschreven- de Profeten, bevattende de boeken, die niet slechts zuiver profetisch zijn, maar ook die historische boeken, die door profetische mannen geschreven zijn, -de Psalmen, bevattende de andere geschriften, die zij de Hagiographa noemden. Zie door wat verschillende geschriften God vanouds Zijn wil heeft geopenbaard, maar allen ontstonden uit een en dezelfden Geest, die door deze Schriften kennis gaf van de komst en van het koninkrijk van den Messias, want dezen geven getuigenis al de profeten. c. Door een dadelijke werking op hun gemoed, waarvan zij zich wel bewust moesten wezen, gaf Hij hun de ware bedoeling en betekenis te vatten van de Oud Testamentische profetieën betreffende Christus, en ze allen in Hem vervuld te zien.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden, vers 45. In Zijne rede voor de twee discipelen, nam Hij den sluier weg van het hart, door het verstand te openen. Merk hier op, dat Jezus Christus door Zijn Geest werkt op het verstand der mensen, op het verstand van allen, die Zijne zijn. Hij heeft toegang tot onzen geest, en kan er onmiddellijk invloed op uitoefenen. Het is opmerkelijk, hoe Hij nu na Zijne opstanding een voorbeeld gaf van de twee grote werkingen van Zijn Geest op den geest der mensen. Zijn verlichten van hun verstandelijke vermogens door een Goddelijk licht, als Hij het verstand opende van Zijne discipelen, en Zijne versterking van de werkzame vermogens door een Goddelijken gloed, toen Hij hun hart brandende in hen maakte. Zelfs Godvruchtige mensen hebben het nodig, dat hun verstand geopend wordt, want hoewel het niet duisternis is, zoals het dat is van nature, zijn zij toch ten opzichte van vele dingen in het duister. David bidt: Open mijne ogen. Geef mij verstand. En Paulus, die zoveel weet van Christus, ziet in dat hij nodig heeft meer van Hem te leren. De wijze, waarop Christus geloof werkt in de ziel om er tot den troon te geraken, is door het verstand te openen om het bewijs te zien der dingen, die geloofd. moeten worden. Aldus komt Hij in de ziel door de deur, terwijl Satan als een dief en rover langs een anderen weg inklimt. Het doel van het openen des verstands is, dat wij de Schriften zullen verstaan, niet dat wij wijs zullen zijn boven hetgeen geschreven is, maar dat wij verstandiger zullen zijn in hetgeen geschreven is, en er wijs door gemaakt zullen worden tot zaligheid. De Geest in het Woord en de Geest in het hart zeggen hetzelfde. Christus' leerlingen leren in deze wereld nooit iets boven hun Bijbel, maar zij hebben nodig al meer en meer uit hun Bijbel te leren, machtiger te worden in de Schrift. Om rechte gedachten van Christus te hebben en onze vergissingen nopens Hem te herstellen, is niets anders nodig, dat dat wij de Schriften leren verstaan.
4. De instructies, die Hij hun gaf als apostelen, die gebruikt moesten worden om Zijn koninkrijk op te richten in de wereld. Terwijl hun Meester nog met hen was, verwachtten zij tot ereposten bevorderd te worden, waarin zij nu door Zijn dood teleurgesteld werden. "Neen", zegt Christus, nu zult gij juist op die ereposten gesteld worden, Gij zijt getuigen van deze dingen, vers 48, gij zult ze in geheel de wereld moeten bekendmaken, niet als een gerucht of als een nieuwstijding, maar om ze te verklaren en te bevestigen als getuigenis bij het onderzoek der grote zaak, die zolang hangende was tussen God en Satan, en waarvan het gevolg of de uitkomst zal zijn het neerwerpen en uitwerpen van den overste dezer wereld. Gij zijt zelf ten volle verzekerd van deze dingen, gij zijt er de oor- en de ooggetuigen van, gaat dan heen en verzekert er de wereld van, en dezelfde Geest, die u verlicht heeft, zal met u wezen om ook anderen te verlichten." Nu wordt ons hier gezegd:
a. Wat zij moeten prediken. Zij moeten het Evangelie prediken, zij moeten het Nieuwe Testament prediken als de volkomen vervulling van het Oude, als de voortzetting en voleindiging der Goddelijke openbaring. Zij moeten hun Bijbel medenemen (inzonderheid als zij prediken voor de Joden, ja zelfs heeft Petrus, in zijn eerste preek voor de heidenen, dezen geraden de profeten te onderzoeken, Handelingen 10:43, en het volk tonen wat er vanouds betreffende den Messias geschreven was, benevens de heerlijkheid en genade van Zijn koninkrijk, en dan moeten zij hun zeggen dat, naar hun zeker en ontwijfelbaar weten, het alles in den Heere Jezus vervuld was. De grote Evangeliewaarheid betreffende den dood en de opstanding van Jezus Christus, moet aan de kinderen der mensen worden verkondigd, vers 46. Alzo is er geschreven in het verzegelde boek der raadsbesluiten Gods van eeuwigheid, de rol des boeks van het verbond der verlossing, en alzo is er geschreven in het open boek des Ouden Testaments, onder de dingen, die geopenbaard zijn, en dat daarom alzo de Christus lijden moest, want de Goddelijke raadsbesluiten moeten ten uitvoer worden gebracht, en er moet zorg voor worden gedragen, dat geen der woorden Gods ter aarde zal vallen. "Gaat heen, en zegt der wereld": Ten eerste. "Dat Christus geleden heeft, gelijk van Hem geschreven is. Gaat heen, predikt Christus gekruisigd, schaamt u Zijn kruis niet, schaamt u het lijden van Jezus niet. Zegt hun wat Hij heeft geleden, en waarom Hij heeft geleden, en hoe alle Schriften des Ouden Testaments in Zijn lijden vervuld zijn. Zegt hun dat Hij moest lijden, dat dit noodzakelijk was tot wegneming van de zonde der wereld en de verlossing van het mensdom van den dood en het verderf, ja meer, het betaamde Hem door lijden geheiligd te worden," Hebreeën 2:10 :Ten tweede. "Dat Hij ten derden dage van de doden is opgestaan, waardoor niet slechts al de ergernis van het kruis werd weggenomen, maar Hij ook krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, en dat ook hierin de Schriften vervuld zijn, -zie 1 Corinthiërs 15:3, 4-, gaat heen, zegt der wereld hoe menigmaal gij Hem gezien hebt, nadat Hij van de doden is opgestaan, en hoe vertrouwelijk gij met Hem gesproken hebt. Uwe ogen zien het, gelijk Jozef zei tot zijne broeders, toen hij zich aan hen bekendmaakte, en dit voor hen was als een leven uit de doden) dat mijn mond tot u spreekt, Genesis 45:12. Gaat heen en zegt hun dat Hij, die dood was, leeft, leeft tot in eeuwigheid, en dat Hij de sleutels heeft der hel en des doods. De grote evangelieplicht van berouw en be- kering moet den kinderen der mensen op het hart gedrukt worden. Bekering van zonde moet gepredikt worden in den naam van Christus en op Zijn gezag, vers 47. Aan alle mensen alom moet verkondigd en bevolen worden, dat zij zich bekeren, Handelingen 17:30. "Gaat heen, en zegt aan al het volk, dat de God, die hen heeft gemaakt, de Heere, die hen heeft verlost en vrijgekocht, verwacht en eist, dat zij zich terstond nadat hun dit bekendgemaakt is, zullen afwenden van de aanbidding der goden en zich wenden zullen tot den God, die hen heeft gemaakt, en dat niet alleen, maar dat zij zich ook zullen afwenden van den dienst der wereld en van het vlees, om zich tot den dienst van God in Christus te begeven, dat zij alle zondige gewoonten moeten doden, en alle zondige praktijken moeten verlaten, dat hun hart en hun leven moeten veranderd worden, dat zij gans en al moeten worden vernieuwd." Het grote Evangelievoorrecht van de vergeving der zonden moet aan allen worden voorgesteld, aan allen worden verzekerd, die zich bekeren en het Evangelie geloven. "Gaat heen, en zegt aan een schuldige wereld, die voor Gods rechterstoel schuldig verklaard en veroordeeld is, dat er een acte van straffeloosheid is uitgevaardigd voor allen, die zich bekeren en geloven, waardoor zij niet slechts begenadigd, maar ook verhoogd zullen worden. Zeg hun dat er hoop is voor hen.
b. Aan wie zij moeten prediken. Aan wie moeten zij deze voorstellen gaan doen. en hoever strekt zich hun opdracht uit? Er wordt hun hier gezegd: Dat zij dit moeten prediken aan alle volken. Zij moeten zich verspreiden, gelijk de zonen van Noach na den zondvloed, sommigen naar den enen kant, en anderen naar een anderen kant, en dit licht brengen overal waar zij heengaan. De profeten hadden bekering en vergeving van zonden gepredikt aan de Joden, maar de apostelen moeten dit prediken aan de gehele wereld. Niemand is vrijgesteld van de verplichting, die het Evangelie den mensen oplegt, om zich te bekeren, en niemand is buitengesloten van de onwaardeerbare voorrechten, die begrepen zijn in de vergeving van zonden, dan alleen diegenen, die door hun ongeloof en hun onboetvaardigheid hun eigen deur er voor toegrendelen. Dat zij moeten beginnen van Jeruzalem. Daar moeten zij hun eerste evangeliepreek houden, daar moet de Evangeliekerk het eerst geformeerd worden, daar moet de dageraad van den Evangeliedag opgaan, en vandaar moet het licht uitgaan tot aan de einden der aarde. En waarom moeten zij daar beginnen. Ten eerste. Omdat het alzo was geschreven, en daarom betaamde het hun die methode te volgen. Uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem, Jesaja 2:3, zie ook Joël 2:32, 3:16, Obadja 21, Zacheria 14:8. Ten tweede. Omdat daar de feiten geschied zijn, waarop het Evangelie gegrond is, daarom zijn zij daar het eerst getuigd, waar, indien er een ware oorzaak voor had bestaan, zij het best bestreden en weerlegd hadden kunnen worden. Zo krachtig, zo helder was dat eerste stralen der heerlijkheid van den verrezen Verlosser, dat Hij de stoutmoedige vijanden durft tarten, die Hem een schandelijken dood deden sterven. Beginnende van Jeruzalem, opdat de overpriesters hun krachten kunnen beproeven, om het Evangelie te vernietigen, en in woede kunnen ontsteken, als zij zich teleurgesteld zien. Ten derde. Omdat Hij ons nog een voorbeeld wilde geven van onzen vijanden vergiffenis te schenken. Jeruzalem had Hem de grievendste belediging aangedaan-de oversten zowel als de scharen-waarvoor die stad wel had kunnen verwachten om bij name uitgezonderd te zijn van de acte der straffeloosheid, maar neen, zo ver is het daar vandaan, dat de eerste aanbieding der Evangeliegenade aan Jeruzalem wordt gedaan, en er in weinig tijds duizenden tot deelgenoten dier genade gemaakt worden.
c. Welke hulp zij bij hun prediking zullen ontvangen. Zij worden hier tot een zeer groot werk geroepen, op een zeer grote en uitgebreide schaal, inzonderheid als hierbij in aanmerking wordt genomen de tegenstand, dien zij zullen ontmoeten, en het lijden, dat er voor hen mede gepaard zal gaan. Indien zij dus vragen: "Wie is tot deze dingen bekwaam?" dan is hier het antwoord gereed: "Ziet, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u, gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte, vers 49. Hij verzekert hun hier dat binnen zeer korten tijd de Geest over hen uitgestort zal worden in grotere mate dan ooit tevoren, en dat zij hierdoor toegerust zullen worden met al de gaven en de genade, die nodig waren tot volbrenging van deze grote opdracht, daarom moeten zij te Jeruzalem blijven, en niet ingaan tot hun arbeid voordat dit zal geschied zijn. Zij, die den Heiligen Geest ontvangen, worden hierdoor aangedaan met kracht uit de hoogte, een bovennatuurlijke kracht, een kracht, hoger dan hun eigen kracht, zij is van boven, en daarom trekt zij de ziel naar boven. Christus' apostelen zouden nooit Zijn Evangelie hebben kunnen planten en Zijn koninkrijk oprichten in de wereld, zoals zij het gedaan hebben, indien zij niet aangedaan waren geworden met deze kracht, en hun heerlijke, bewonderenswaardige daden bewijzen, dat een uitnemende kracht in en door hen heeft gewerkt. Deze kracht uit de hoogte was de belofte des Vaders, de grote belofte des Nieuwen Testaments, gelijk de belofte der komst van Christus die was van het Oude Testament. En indien het de belofte des Vaders is, kunnen wij er zeker van zijn, dat die belofte onverbreekbaar, en het beloofde onschatbaar is. Christus wilde Zijne discipelen niet verlaten voordat de tijd nabij was, dat deze belofte vervuld werd. Het was slechts tien dagen na de hemelvaart van Christus, dat de Geest neerkwam. Christus' gezanten moeten wachten, totdat zij hun volmacht hebben ontvangen, en niet op hun zending uitgaan, eer zij van volledige instructies en geloofsbrieven voorzien zijn. Hoewel men zou denken dat er nooit zoveel haast nodig was als nu, om het Evangelie te prediken, moeten de predikers toch wachten, totdat zij aangedaan zullen zijn met kracht uit de hoogte, en te Jeruzalem blijven, hoewel die plaats gevaarlijk voor hen is, omdat daar de belofte des Vaders hen moest vinden, Joël 2:28.