Jesaja 41:10-20
De strekking van deze verzen is om de vrees van Gods dienstknechten in hun benauwdheid tot zwijgen te brengen en hun geloof aan te moedigen, het is misschien in de eerste plaats bedoeld tot steun en bemoediging van het volk Israël in hun gevangenschap, maar allen, die God getrouwelijk dienen, kunnen door lijdzaamheid en vertroosting van de Schrift hoop hebben. En het is gericht tot Israël als tot een enkel persoon, opdat het zoveel gereder en gemakkelijker door ieder waar Israëliet op zichzelf toegepast zou kunnen worden. Het is een woord van waarschuwing, raad en vertroosting, dat zo dikwijls herhaald wordt: Vrees niet, en wederom, vers 13, vrees niet, en vers 14, "vrees niet gij wormpje Jakobs, vrees niet voor de dreigementen van de vijanden twijfel niet aan de beloften van uw God, vrees niet dat gij zult omkomen in uw beproeving, of dat de belofte van uw bevrijding falen zal." Het is tegen de wil en de bedoeling van God, dat zijn volk een vreesachtig volk zal zijn.
Ter onderdrukking van vrees verzekert Hij hun:
I. Dat zij kunnen staat maken op Zijn tegenwoordigheid onder hen als hun God, en een God, die algenoegzaam voor hen is ook in de zwaarste, bangste tijden.
Merk op met welk een tederheid God spreekt, en hoe gaarne Hij de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid wil doen weten van Zijn raad, en hoe begerig Hij is om hen gerust te stellen. "Vrees niet, want Ik ben met u niet alleen binnen het bereik van uw stem maar bij u, wees niet verbaasd, dat is, niet ontsteld wegens de macht van hen, die tegen u zijn, want Ik ben uw God en verbonden om voor u te zijn. Zijt gij zwak, Ik zal u versterken. Zijt gij ontbloot van vrienden, Ik zal u helpen in tijden van nood. Zijt gij op het punt van te vallen? Ik zal u ondersteunen met de rechterhand van Mijn gerechtigheid, die rechterhand, welke vol is van gerechtigheid in het uitdelen van beloningen en straffen," Psalm 48:10. En wederom vers 13. Er is beloofd:
1. Dat God hun handen zal sterken-hen zal helpen. "Ik grijp uw rechterhand aan, Ik zal hand in hand met u gaan," zo lezen het sommigen. Hij zal ons bij de hand nemen als onze gids, om ons te leiden op onze weg, zal ons ophelpen als wij gevallen zijn, of ons vallen voorkomen. Als wij zwak zijn, zal Hij ons staande houden, als wij wankelen, zal Hij ons vaststellen, als Wij sidderen, zal Hij ons bemoedigen, en aldus vat Hij onze rechterhand, Psalm 73:23.
2. Dat Hij hun vrees tot bedaren zal brengen, zeggende tot hen: Vrees niet. Hij heeft het telkens en nogmaals gezegd in Zijn woord en heeft ons daarin voorzien van afdoend tegengif tegen vrees, maar Hij zal nog verder gaan, Hij zal het door Zijn Geest zeggen tot hun hart, en het hun doen horen, en aldus zal Hij hen helpen.
II. Dat hun vijanden thans wel zeer geducht, onbeschaamd en hard zijn, maar dat de dag komt, wanneer God met hen zal afrekenen en dan zullen zij over hen triomferen. Er zijn van de zodanigen, die in woede ontstoken zijn tegen Gods volk, die tegen hen streden, met hen twisten, vers 11, die met hen kijven, vers 12, die hen haten, die hun verderf zoeken, voortdurend twist met hen zoeken, maar laat Gods volk niet tegen hen ontstoken zijn, niet met hen twisten, hun geen kwaad met kwaad vergelden, maar Gods tijd afwachten en geloven:
1. Dat zij ten laatste overtuigd zullen zijn van de dwaasheid-indien al niet van de zonde-om met Gods volk te twisten, en bevindende dat het nutteloos is, zullen zij beschaamd en te schande worden, hetgeen hen tot berouw en bekering zou kunnen brengen, maar hen veeleer vol van woede zal maken.
2. Dat zij ten enenmale vernietigd zullen worden, vers 11, zij zullen worden als niets voor de gerechtigheid en macht van God. Als God komt om met Zijn trotse vijanden te handelen, dan acht Hij hen als niets of zij zullen tot niets gebracht worden, zij zullen wezen alsof zij nooit hadden bestaan. Dit wordt herhaald, vers 12. Zij zullen worden als niets, als een nietig ding, of als hetgeen is heengegaan en gefaald heeft. Zij, die geducht waren, zullen verachtelijk worden, die zich inbeeldden alles te kennen, zullen niet in staat zijn iets tot stand te brengen, die een groot aanzien in de wereld hadden en veel gedruis maakten, zullen blote nullen worden, en in stilte worden begraven, zij zullen vergaan, niet slechts niets zijn, maar ellendig zijn. Gij zult hen zoeken, zult vragen wat er van hen is geworden, daar zij niet, zoals gewoonlijk verschijnen, maar "gij zult hen niet vinden," zoals David, Psalm 37:36. Ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden."
III. Dat zij zelf een verschrikking zullen worden voor degenen, die nu voor hen een verschrikking zijn, en dat de overwinning aan hun zijde zal wezen, vers 14-16. Zie hier:
1. Hoe Jakob en Israël verminderd zijn, zeer naar de diepte zijn gebracht. Het is het wormpje Jakobs, zo klein, zo zwak en zo weerloos, veracht en vertreden door iedereen, genoodzaakt om veiligheidshalve diep in de aarde weg te kruipen, en wij moeten er ons niet over verwonderen dat Jakob een worm is geworden als zelfs Jakobs Koning zich "een worm noemt en geen man," Psalm 22:7. In hun nederige gedachten van zichzelf zijn Gods kinderen soms wormen, maar geen adders zoals hun vijanden, zij zijn niet van het zaad van de slang. God ziet Jakobs nederige staat aan en zegt: "Vrees niet, wormpje Jakobs, vrees niet, dat gij verpletterd zult worden, en gij mannen Israëls - gij weinige mannen, zo lezen het sommigen-gij dode mannen, zo lezen het anderen, geeft uzelf niet op als verloren." De genade Gods zal de vrees doen bedaren, zelfs dan als er de meeste reden schijnt te zijn voor vrees, twijfelmoedig, doch niet mismoedig.
2. Hoe Jakob en Israël opgeheven worden uit die nederige staat, en even geducht worden gemaakt als zij ooit verachtelijk zijn geweest. Doch door wie zal Jakob zich verheffen want hij is klein? Hier wordt ons gezegd, Ik zal u helpen spreekt de Heere, en het is de eer van God om de zwakken te helpen. Hij zal hen helpen, want Hij is hun Verlosser, die gewoon is hen te verlossen, die het op zich genomen heeft om dit te doen. Christus is de Verlosser, in Hem is onze hulp gevonden. Hij zal hen helpen, want Hij is de heilige Israëls, aangebeden onder hen in de schoonheid van de heiligheid, en door belofte aan hen verbonden. De Heere zal hen helpen door hen in staat te stellen om zichzelf te helpen en door Jakob tot een dorsslede te stellen.
Merk op: hij is slechts een werktuig een werktuig in Gods hand waarvan het Hem behaagt gebruik te maken, en hij is een werktuig dat God gemaakt heeft, en is niet meer dan God hem gemaakt heeft. Maar als God hem tot een dorsslede, een werktuig om te dorsen, maakt, dan zal Hij gebruik van hem maken, en daarom zal Hij hem geschikt maken voor het gebruik, nieuw en scherp en voorzien van tanden of scherpe pinnen, en dan zult gij door Goddelijke leiding en kracht de bergen dorsen, de hoogsten en sterksten en weerbarstigsten van uw vijanden, gij zult hen niet slechts slaan, maar hen vermalen, zij zullen niet zijn als uitgedorst koren, dat van waarde is en zorgvuldig bewaard wordt (zodanig is Gods volk, als zij onder de dorsvlegel zijn. Hoofdstuk 21:10, "o mijn gedorst en geslagen volk" dat niet verloren zal gaan), maar deze zijn gemaakt ais kaf, dat nergens toe deugt, de landman is blij het kwijt te raken. Hij zet de vergelijking voort, vers 16. Hen gedorst hebbende, zult gij hen wannen en de wind zal hen wegnemen. Dit is misschien ten dele vervuld geworden in de overwinningen, die de Joden behaald hebben over hun vijanden in de tijd van de Maccabeeën, maar het schijnt in het algemeen bedoeld om het eindoordeel aan te kondigen over al de onverzoenlijke vijanden van Gods kerk, en vervuld te zullen worden in de overwinningen van het kruis van Christus, het Evangelie van Christus en al de getrouwe volgelingen van Christus over de machten van de duisternis, die vroeg of laat allen verstrooid zullen worden, en "En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart hem zal ik macht geven over de heidenen" Openbaring 2:26.
IV. Dat zij daarna overvloedige vertroosting zullen hebben in God, en God zal door hen overvloedige eer ontvangen: Gij zult U verheugen in de Heere, vers 16. Als wij bevrijd zijn van hetgeen onze blijdschap in de weg stond, en gezegend worden met hetgeen er de stof toe is, dan behoren wij te gedenken dat God de blijdschap onder verheuging is, en dat al onze blijdschap in Hem eindigt. Als wij ons verheugen over onze vijanden, dan moeten wij ons verheugen in de Heere, want aan Hem alleen zijn wij onze vrijheid en onze overwinning verschuldigd. Gij zult ook roemen in de Heilige Israëls, in uw deel in Hem, en in uw betrekking tot Hem, en in hetgeen Hij voor u gedaan heeft." En zo wij aldus God tot onze roem en onze heerlijkheid stellen, dan worden wij Hem tot een lof en prijs.
V. Dat zij tijdig en genoegzaam van alles voorzien zullen worden, wat geschikt voor hen is in hun tijd van nood, en als het nodig is zal God wederom voor hen doen wat Hij voor Israël gedaan heeft op hun tocht van Egypte naar Kanaän, vers 17-19. Als de gevangenen hetzij in Babel of bij hun terugkeer vandaar in nood zijn wegens gebrek aan water, zal God zorg voor hen dragen, en op de een of andere wijze zal Hij hun reis, zelfs door de woestijn, aangenaam voor hen maken. Maar deze belofte is van meer dan zodanige persoonlijke betekenis of uitlegging. Hun terugkeer uit Babel was een type van onze verlossing door Christus. En zo is voor hetgeen in deze beloften vervat is:
1. Voorzien in het Evangelie van Christus. Deze heerlijke openbaring van Zijn liefde heeft een volkomen verzekering gegeven aan al degenen, die het blijde geklank horen, dat God onwaardeerbare heerlijke dingen voor hen voorzien heeft, die genoegzaam zijn om te voorzien in alles wat zij behoeven, op te wegen tegen al hun leed, en een verhoring te wezen van al hun gebeden.
2. Door de genade en de Geest van Christus worden zij toegepast op alle gelovigen, opdat zij een sterke vertroosting zouden hebben op hun weg, en een volkomen gelukzaligheid aan hun einde. Onze weg naar de hemel loopt door de woestijn van deze wereld. Nu:
A. Wordt hier verondersteld, dat het volk van God op zijn tocht door deze wereld dikwijls in benauwdheid is: de ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar daar is geen, de armen van geest hongeren en dorsten naar gerechtigheid. De ziel des mensen, zich ledig en nooddruftig bevindende, zoekt ergens naar voldoening, naar verzadiging, meer zij wanhoopt er aan om haar in deze wereld te vinden, waarin niets is, dat haar gerust en gelukkig kan maken. Schepselen zijn gebroken waterbakken, zij kunnen geen water houden, zodat hun tong versmacht van dorst, zij zijn het moede om die voldoening te zoeken in de wereld, welke er niet in te vinden is. Hun smart en hun zwoegen maken hen dorstig.
B. Er wordt hier beloofd dat op de een of andere wijze al hun grieven hersteld zullen worden. a. God zelf zal hun nabij wezen in al hetgeen, waarvoor zij Hem aanroepen. Laat al het biddend volk van God hier kennis van nemen, en er vertroosting aan ontlenen. Hij heeft gezegd: "Ik, de Heere, zal hen verhoren, Ik, de God Israëls, zal hen niet verlaten. Ik zal met hen wezen, zoals Ik altijd met hen geweest ben in hun benauwdheden. Terwijl wij in de woestijn van deze wereld zijn, is deze belofte voor ons wat de wolk- en vuurkolom was voor Israël, namelijk een verzekering van Gods genaderijke tegenwoordigheid.
b. Zij zullen een gestadige toevoer hebben van fris water, zoals Israël die gehad heeft in de woestijn, zelfs daar waar men hem het minst verwacht zou hebben, vers 18. Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, rivieren, stromen van genade, ja van geneugten, rivieren, stromen van levend water, hetgeen Hij zei van de Geest, Johannes 7:38, 39, van de Geest die uitgestort zou worden over de heidenen, die als hoge plaatsen geweest waren, dor en onvruchtbaar, en in hun eigenwaan verheven boven de behoefte hunner gave. En "er zullen fonteinen in het midden van de valleien zijn, de valleien van Baca," Psalm 84:7 die zondig en vermoeiend zijn, of onder de Joden die als vruchtbare valleien waren, in vergelijking met de heidense bergen. De prediking van het Evangelie in de wereld heeft die woestijn tot een waterpoel gemaakt, vruchten opleverende voor de eigenaar ervan, en hulp voor de reiziger, die er door heen trekt.
c. Zij zullen een aangename schaduw hebben om hen te beschutten tegen de verschroeiende hitte van de zon, zoals Israël, toen zij zich legerden te Elim, waar zij niet alleen waterfonteinen hadden, maar ook palmbomen, Exodus 15:27. "Ik zal in de woestijn de cederboom zetten," vers 19. Ik zal de woestijn in een boomgaard veranderen, of in een hof, zoals die welke met deze aangename bomen beplant zijn, zodat zij met evenveel gemak en verlustiging door de woestijn zullen gaan als iemand, die in zijn eigen bos wandelt. Voor hen zullen dan de bomen zijn, wat de wolkkolom was voor Israël in de woestijn een beschutting tegen de hitte". Christus en Zijn genade zijn dit voor de gelovigen, "als de schaduw van een zware rotssteen ". Hoofdstuk 32:2.
Als God Zijn kerk opricht in de heidense woestijn, dan zal er een even grote verandering door teweeggebracht worden in het karakter van de mensen als wanneer doornen en distelen in cederbomen, dennenbomen in mirtebomen veranderd waren, en hierdoor wordt een gezegende verandering beschreven, Hoofdstuk 55:13
d. Zij zullen hierin de hand van God, Zijn macht en Zijn gunst zien en erkennen, vers 20. God zal deze verwonderlijke en verrassende dingen doen ten einde hen op te wekken om in dit alles Zijn hand te zien, opdat zij deze wonderbare verandering bewerkende, en wetende dat dit boven het gewone beloop van de dingen is boven de macht van de mensen, zullen bedenken dat het dus komt van een hogere macht, en dit alles wel overwegende, er de hand des Heeren in zullen zien en erkennen, deze Zijn machtige hand, die uitgestrekt is voor Zijn volk en tot hen is uitgestrekt, en dat het de Heilige Israëls is, die dit geschapen heeft, het uit niets tevoorschijn heeft gebracht, ter vertroosting en lieflijkheid van Zijn volk. God doet grote dingen voor Zijn volk, opdat er acht op Hem zal gegeven worden.