Handelingen 2:1-4
Hier hebben wij het bericht van de nederdaling des Heiligen Geestes op de discipelen van Christus. Merk op:
I. Wanneer en waar dit geschiedde, hetgeen tot grotere zekerheid er van bijzonder opgetekend is.
1. Het was op den dag toen het pinksterfeest vervuld was, waarin ene verwijzing schijnt te zijn naar de manier van uitdrukking in de instelling van dit feest, waar gezegd wordt, Leviticus 23:15, Gij zult u tellen van den anderen dag na den sabbat, het zullen zeven volkomene sabbatten zijn, van den dag der offerande van de eerstelingen der vruchten, dat op den tweeden dag na het Pascha was, den zestienden van de maand Abib, dat de dag was van Christus' opstanding uit het graf. Deze dag was vervuld, dat is: ten volle gekomen, de vorige avond met een gedeelte van den dag was volkomen voorbij. De Heilige Geest daalde neer ten tijde van de viering van een plechtig feest, omdat dan ene grote samenstroom ing was van volk te Jeruzalem uit alle delen des lands, en de proselieten uit andere landen, waardoor het meer openbaar werd, en het gerucht er van des te spoediger en des te verder verspreid zou worden, hetgeen veel bijdroeg tot de verbreiding van het Evangelie onder alle volken. Evenals te voren bij het Pascha, zo hebben ook nu de Joodse feesten gediend om de klok te luiden voor de Evangeliediensten. Dit pinksterfeest werd gevierd ter gedachtenis aan de wetgeving op Sinaï, van welk tijdstip de Joodse kerk dateert, volgens Dr. Lightfoots' berekening was dit n u juist veertien honderd en zeven en veertig jaren geleden. Zeer voegzaam wordt de Heilige Geest op dit feest gegeven, in vuur en talen voor de afkondiging van de Evangelie-wet, niet als tot een enkel volk, maar tot alle schepselen. Dit Pinksterfeest viel op den eersten dag der week, waardoor nog ene eer aan dien dag werd toegevoegd en ene bevestiging dat die dag de Christelijke sabbat moest wezen, de dag, dien de Heere gemaakt heeft, tot ene blijvende gedachtenis in Zijne kerk van deze twee grote zegeningen-de opstanding van Christus en de uitstorting des Geestes, die beiden op dien dag der week plaats hadden. Dit dient niet slechts om ons te rechtvaardigen in het waarnemen van dien dag onder de benaming van Dag des Heeren, maar ook om ons te besturen in onze heiliging er van, om God inzonderheid te loven voor deze twee grote zegeningen. Ik ben van oordeel, dat wij op elke dag des Heeren van het gehele jaar in onze gebeden en onze dankzegging zeer bijzonder van die twee zegeningen melding moeten maken, zoals in sommige kerken eens in het jaar het pascha en eens in het jaar het pinksterfeest op bijzondere wijze herdacht en gevierd worden. Mochten wij het slechts met wezenlijke aandoening des harten doen!
2. Het was toen zij allen eendrachtelijk bijeen waren. Waar dit was, wordt ons niet bijzonder meegedeeld, of het in den tempel was, waar zij op openbare tijden waren, Lukas 24:53, om er den eredienst bij te wonen, of in hun eigene opperzaal, waar zij op andere tijden vergaderden, het wordt ons niet gezegd. Maar het was te Jeruzalem, omdat dit de plaats was, die God verkoren had, om er zijn naam te zetten, en de profetie verklaarde, dat des Heeren woord zal uitgaan uit Jeruzalem, Jesaja 2:3. Het was nu de plaats van bijeenkomst voor alle Godvruchtigen: hier had God beloofd hen te zullen ontmoeten en zegenen, hier ontmoet Hij hen dus met den zegen der zegeningen. Hoewel Jeruzalem Christus de uiterste oneer had aangedaan, heeft Hij Jeruzalem deze eer bewezen, om ons te leren geen vooroordeel op te vatten tegen plaatsen. want God heeft aan alle plaatsen Zijn overblijfsel, Hij had het ook te Jeruzalem. Hier waren de discipelen vergaderd in ene plaats, en zij waren nog niet zo talrijk, dat ene plaats-en deze nog niet zo heel groot of ruim-hen niet zou kunnen bevatten. En in die plaats waren zij eendrachtelijk bijeen. Wij kunnen niet vergeten, dat er dikwijls, terwijl hun Meester nog bij hen was, twisting onder hen was, wie van hen scheen de meeste te zijn, maar nu was er een einde aan die twisting, wij horen er niet meer van. Wat zij van den Heiligen Geest reeds hadden ontvangen, toen Christus op hen blies, had de vergissingen grotendeels gerectificeerd, waarop die twistingen gegrond waren, en hen tot ene heilige liefde geneigd. Zij hadden in den laatsten tijd meer dan gewoonlijk te zamen gebeden, Hoofdstuk 1:14, en hierdoor hadden zij elkaar meer lief. Door Zijne genade had Hij hen toebereid voor het ontvangen van den Heiligen Geest, want die gezegende duive komt niet, waar rumoer en gedruis is, zij zweeft over stille, niet over onstuimige wateren. Wensen wij, dat de Geest van Boven over ons uitgestort zal worden? Zo laten wij eendrachtig zijn, niettegenstaande verschil van gevoelen en belangen, dat ongetwijfeld onder deze discipelen bestaan heeft, laten wij overeen komen, om elkaar lief te hebben, want, waar broeders samenwonen, aldaar gebiedt de Heere den zegen.
II. Hoe, en op wat wijze, de Heilige Geest op hen kwam. In het Oude Testament lezen wij dikwijls van Gods neerkomen in ene wolk, zoals toen Hij bezit nam, eerst van den tabernakel, en daarna van den tempel, waardoor het duistere van die bedeling wordt te kennen gegeven. En Christus is in ene wolk ten hemel gevaren, om aan te duiden, hoezeer wij betreffende de bovenwereld in het duister worden gelaten. Maar de Heilige Geest is niet in ene wolk nedergedaald, want Hij was bestemd, om de wolken te verdrijven, die den geest der mensen verduisteren, en om licht in de wereld te brengen.
1. Hier wordt ene hoorbare oproeping gedaan, om hen op te wekken iets groots te verwachten, vers 2. Er wordt gezegd:
A. Dat het haastelijk, of plotseling, kwam, niet dat het langzaam, of trapsgewijze ontstond, zoals dit met gewone winden het geval is, maar terstond op het sterkst was. Het kwam eerder, dan zij dachten, en deed zelfs hen opschrikken, die daar te zamen waren om te wachten, en waarschijnlijk zich met Godvruchtige oefeningen bezig hielden.
B. Het was een geluid uit den hemel, als een donderslag, Openbaring 6:1. Van God wordt gezegd, dat Hij den wind voortbrengt uit Zijne schatkamers, Psalm 137:7, en dat Hij hem in Zijne vuisten verzamelt, Spreuken 30:4. Van Hem is dit geluid gekomen, als van enen roepende: Bereidt den weg des Heeren.
C. Het was het geluid van een wind, want de weg des Geestes is als die vie den wind, Johannes 3:8, gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heengaat. Als de geest des levens in dorre doodsbeenderen zal komen, dan wordt aan den profeet gezegd te profeteren tot den wind, en te zeggen: -Gij adem, kom aan van de vier winden, Ezechiël 37:9. 1) En hoewel het niet in den wind was, dat de Heere tot Elia kwam, heeft die hem toch toebereid voor Zijne openbaring in het suizen van de zachte stilte, 1 Koningen 19:12. Des Heeren weg is in wervelwind en in storm, Nahum. 1:3, en uit den wervelwind sprak Hij tot Job.
D. Het was een geweldige, gedrevene wind, hij was krachtig en hevig, en kwam niet slechts met een groot gedruis, maar met grote kracht, alsof hij alles voor zich uit zou drijven. Dit moest de krachtige invloeden en werkingen aanduiden van Gods Geest op het hart der mensen, en daardoor op de wereld, dat zij krachtig zullen zijn door God tot neder werping der sterken. E. Het vervulde niet slechts de kamer, of de zaal, maar het gehele huis waar zij zaten. Waarschijnlijk was de gehele stad er door verschrikt, maar om aan te tonen, dat het bovennatuurlijk was, bepaalde het zich weldra tot dat bijzondere huis, gelijk, naar sommigen denken, de wind, die uitgezonden was om Jona op zijne reis tegen te houden, alleen het schip aandeed, waarin hij zich bevond, Jona 1:4, en zoals de ster der wijzen uit het Oosten stond boven het huis, waar het Kindeke was. Dit zou ene aanwijzing wezen voor het volk, dat het bemerkte, waarheen te gaan om naar de betekenis er van te vragen. Deze wind, het huis vervullende, zal het hart der discipelen vervullen van een heilig ontzag, hen in ene eerbiedige, ernstige en kalme gemoedsstemming brengen om den Heiligen Geest te ontvangen. Aldus bereiden de overtuigingen des Geestes den weg voor Zijne vertroostingen, en de ruwe vlagen van dien gezegenden wind bereiden de ziel voor Zijne zachte en liefelijke koelte.
2. Hier is een zichtbaar teken van de gave, die zij stonden te ontvangen. Zij zagen verdeelde tongen als van vuur, vers 3, en het zat -ekathise, niet zij zaten, nl. deze verdeelde tongen, maar Hij, dat is: de Geest, (die er door werd aangeduid) rustte op ieder van hen, gelijk Hij gezegd werd te rusten op de profeten van ouds. Of, zoals Dr. Ham mond het beschrijft. "Er was ene verschijning van iets als van vlammend vuur, neder komende op ieder hunner, dat zich verdeelde, en aldus een vorm, of voorkomen, aannam van tongen, met het gedeelte, dat het dichtst bij hun hoofd was, gedeeld, of gekloofd". De vlam ener kaars gelijkt enigszins op ene tong, en er is een meteoor, die door de natuurkundigen ignis lambens -ene zachte vlam wordt genoemd, geen verterend vuur, en zodanige zachte vlam was hier gezien. Merk op:
A. Er was een uitwendig merkbaar teken tot bevestiging van het geloof der discipelen zelven, en ter overtuiging van anderen. Aldus zagen de profeten van ouds meermalen hun eerste zending bevestigd door tekenen, opdat gans Israël hen als geroepene en bevestigde profeten zou kennen.
B. Het teken, dat gegeven werd was vuur, opdat het woord van Johannes, dat hij betreffende Christus gesproken had, vervuld zou worden: Hij zal u met den Heiligen Geest dopen en met vuur, met den Heiligen Geest als met vuur. Op dit pinksterfeest vierden zij de gedachtenis aan de wetgeving op den berg Sinaï, en evenals die in vuur werd gegeven, en daarom ene vurige wet wordt genoemd, zo is het ook met het Evangelie. Ezechiël's zending werd bevestigd door een visioen van brandende kolen vuurs, Hoofdstuk 1:13, en die van Jesaja door ene gloeiende kool, die zijne lippen aanroerde, Hoofdstuk 6:7. Evenals vuur doet de Geest het hart smelten, scheidt het schuim af, en verbrandt het, wekt Godvruchtige aandoeningen op in de ziel, waarin. als in het vuur op het altaar, de geestelijke offeranden geofferd worden. Dat is het vuur, dat Christus gekomen is om op de aarde te werpen, Lukas 12:49.
C. Dit vuur verscheen in verdeelde tongen. Velerlei zijn de werkingen des Geestes, die van het spreken met verschillende talen was er een van. en uitgekozen om de eerste aanduiding te zijn van de gave des Heiligen Geestes, en daarnaar verwees dit teken. Het waren tongen, want van den Geest hebben wij het woord van God, en door Hem spreekt Christus tot de wereld, en Hij gaf den Geest aan de discipelen, niet slechts om hen te begiftigen met kennis, maar om hen te begiftigen met kracht om aan de wereld bekend te maken wat zij wisten, want aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. Deze tongen waren verdeeld, om aan te duiden, dat God hierdoor de kennis Zijner genade zou verdelen onder alle volken, gelijk Hij gezegd wordt door Zijne voorzienigheid het licht der hemellichamen onder hen te hebben uitgedeeld, Deuteronomium 4:19. De tongen waren verdeeld, en toch bleven zij allen eendrachtig want er kan ene oprechte eenheid van genegenheid wezen, ook waar verscheidenheid is van uitdrukking Dr. Lightfoot maakt de opmerking, dat de verdeling der talen bij den torenbouw van Babel de verwerping was der Heidenen, want toen zij de taal verloren hadden, waarin alleen van God werd gesproken en gepredikt, hebben zij ook ten enenmale de kennis van God en van Godsdienst verloren, en zijn zij tot afgoderij vervallen. Maar nu heeft God na twee duizend jaren door ene andere verdeling van tongen, of talen, de kennis van zich zelven onder de volken hersteld.
D. Dit vuur zat enigen tijd op hen, om aan te duiden, dat de Heilige Geest voortdurend in hen zou wonen. De profetische gaven van ouds waren met schaarsheid en slechts op sommige tijden toebedeeld, maar de discipelen van Christus hadden de gaven des Geestes bij voortduring, hoewel het teken er van, naar wij kunnen veronderstellen, weldra verdwenen was. Of deze vuurvlammen overgingen van den een op den ander, of dat er evenveel vlammen als personen waren, is niet zeker. Maar het moeten sterke en heldere vlammen geweest zijn, om, gelijk het geval was, bij daglicht zichtbaar te wezen, want het was nu klaarlicht dag.
III. Wat is de onmiddellijke uitwerking hiervan geweest?
1. Zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, overvloediger en krachtiger dan te voren Zij werden vervuld met de genade des Geestes, en waren meer dan ooit onder Zijne invloeden-zij waren nu heilig, hemels en geestelijk, meer gespeend van deze wereld, en beter bekend met de andere wereld. Zij waren meer vervuld met de vertroostingen des Geestes, zij verheugden zich meer dan ooit in de liefde van Christussen de hoop op den hemel, en in dit alles waren hun smarten en angsten als verzwolgen. Ten bewijze hiervan waren zij ook vervuld met de gaven des Heiligen Geestes, die hier bijzonder bedoeld waren, zij waren begiftigd met wonderkrachten ter bevordering van het Evangelie. Het schijnt mij blijkbaar te zijn, dat niet alleen de twaalf apostelen, maar al de honderd en twintig discipelen toen tegelijk met den Heiligen Geest zijn vervuld geweest-al de zeventig discipelen, die apostolische mannen zijn geweest, gebruikt in hetzelfde werk, en ook al de overigen, die het Evangelie zouden prediken, want er is uitdrukkelijk gezegd, Efeze 4:8, 11. "Als Christus opgevaren is in de hoogte" (dat hiernaar verwijst, vers 33), "heeft Hij den mensen gaven gegeven", niet slechts aan sommige apostelen (van dezulken waren er twaalf) maar, sommige profeten en sommige evangelisten (van die waren er velen van de zeventigen, reizende predikers) en sommige herders en leraars, aangesteld voor bijzondere gemeenten, zoals wij kunnen denken, dat sommigen later geweest zijn. Dit allen moet hier zien op de allen, die bijeen waren, hoofdstuk 1:14, 15.
2. Zij begonnen te spreken met andere talen, behalve hun moedertaal, hoewel zij nooit ene andere geleerd hadden. Zij spraken niet over gewone dingen, maar over het woord van God, en den roem Zijns naams, zoals de Geest hun gaf uit te spreken, of hun gaf te spreken, apophtheggesthai zinrijke spreuken, waardig om in het geheugen bewaard te worden. Waarschijnlijk was het niet zo, dat een persoon in staat was ene taal te spreken, en een ander persoon ene andere taal (zoals het was met de verschillende families, die te Babel verstrooid werden), maar dat iedereen verschillende talen kon spreken, als de gelegenheid er zich toe voordeed. En wij kunnen veronderstellen, dat zij niet slechts zich zelven, maar ook elkaar verstonden, hetgeen de torenbouwers van Babel niet konden. Genesis 11:7. Zij hebben niet hier en daar een woord in ene andere taal gesproken, of enige afgebroken volzinnen gestameld, maar zij spraken vloeiend, in juiste bewoordingen, en met sierlijke gemakkelijkheid, alsof zij hun moedertaal spraken, want alles, wat door een wonder werd voortgebracht, was van het beste in zijne soort. Zij spraken niet als tengevolge van voorafgaand nadenken, of bepeinzing, maar zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Hij voorzag hun van de stof, zowel als van de taal. Nu was dit:
A. Een zeer groot wonder, het was een wonder in het verstand, want het is met het verstand, dat woorden geformeerd worden. Niet alleen hadden zij deze talen nooit geleerd, maar zij hadden gene enkele vreemde taal geleerd, waardoor het spreken van dezen vergemakkelijkt had kunnen worden, ja meer, voor zoveel blijkt, hadden zij zelfs deze talen nooit horen spreken, en hadden zij er geen het minste denkbeeld van. Zij waren noch geleerden, noch reizigers, en zij zijn nooit in de gelegenheid geweest om, hetzij door boeken of gesprekken vreemde talen te leren. Petrus was wel ijverig genoeg om in zijne eigene taal te spreken, maar de overigen waren gene sprekers, gene woordvoerders, en evenmin waren zij zeer vlug van begrip, maar nu, zal niet slechts "het hart der onbedachtzamen wetenschap verstaan", maar, "de tong der stamelenden zal vaardig zijn om bescheidenlijk te spreken", Jesaja 34:4. Toen Mozes klaagde: Ik ben zwaar van mond en zwaar van tong, zei God: Ik zal met uwen mond zijn, en Aäron zal voor u spreken. Maar Hij heeft voor deze Zijne boden meer dan dat gedaan, Hij, die des mensen mond gemaakt heeft, heeft hun mond opnieuw gemaakt.
B. Het was een zeer voegzaam, nodig en nuttig wonder. De taal, door de discipelen gesproken, was Syrisch, een dialect van het Hebreeuws, zodat het nodig was, dat zij de gave zouden ontvangen, om zowel het oorspronkelijke Hebreeuws te verstaan van het Oude Testament, waarin het was geschreven, als het oorspronkelijke Grieks van het Nieuwe Testament, waarin het geschreven zal worden. Maar dit was niet alles: hun was opgedragen het Evangelie te prediken aan alle creaturen, alle volken te onderwijzen. Maar hier is nu reeds bij den aanvang ene onoverkomelijke moeilijkheid. Hoe zullen zij zich de verschillende talen eigen maken, zodat zij tot alle volken verstaanbaar kunnen spreken? Het zal het werk van een mensenleven zijn om hun talen te leren. Om dus te bewijzen, dat Christus macht kon geven om aan alle volken te prediken, geeft hij de bekwaamheid om in hun eigene taal te prediken. En dit schijnt de vervulling te zijn van de belofte, die Christus aan Zijne discipelen gegeven heeft, Johannes 14:12.
Die in Mij gelooft, de werken, die ik doe, zal hij ook doen, en zal meer doen dan deze. Want alles in aanmerking genomen, kan dit beschouwd worden als een groter werk dan de wondergenezingen, door Christus gewrocht. Christus zelf heeft niet met andere talen gesproken, noch heeft Hij Zijne discipelen in staat gesteld dit te doen, zolang Hij nog met hen was, maar het was de eerste uitwerking van de uitstorting des Geestes over hen. En Aartsbisschop Tillotson acht het waarschijnlijk, dat God, indien thans met ijver en oprechtheid gestreefd werd naar de bekering van ongelovigen tot het Christendom, die pogingen op buitengewone wijze zou goedkeuren en zegenen, zoals Hij ook de eerste prediking van het Evangelie gezegend heeft.