2 Koningen 2:19-25
Elisa had in die zin een dubbel deel van Elia's geest, dat hij meer wonderen gedaan heeft dan hij. Sommigen hebben berekend dat hun aantal juist het dubbele bedroeg. Twee er van worden in deze verzen vermeld, een wonder van genade aan Jericho, en een wonder van oordeel over Bethel, Psalm 101:1.
I. Hier is een zegen over de wateren van Jericho, die kracht oefende om ze te genezen. Jericho was gebouwd in ongehoorzaamheid aan een gebod, in trotsering van een bedreiging en ten koste van het leven van al de kinderen van de bouwer, maar toen de stad gebouwd was, werd toch niet bevolen om haar weer of te breken, het was ook aan Gods profeten of aan Zijn volk niet verboden om er te wonen, maar zelfs binnen die muren, welke door ongerechtigheid gebouwd waren, vinden wij een kweekplaats van de Godsvrucht. Dwazen, zegt men, bouwen huizen voor wijzen om er in te wonen. Hier heeft de rijkdom van de zondaar een woning voorzien voor de rechtvaardige. Wij vinden Christus te Jericho, Lukas 19:1. Hier kwam Elisa om de zielen van de discipelen te bevestigen, door hun een nauwkeuriger verhaal te doen van Elia's wegneming, dan zij hun konden geven, die het slechts van verre gezien hadden. Hier bleef hij, terwijl de vijftig mannen op hun onderzoekingstocht uit waren.
1. De mannen van Jericho klaagden hem hun nood, vers 19. Gods getrouwe profeten worden gaarne gebruikt, en het is verstandig om gebruik van hen te maken, in het korte ogenblik dat hun licht met ons is. Zij hadden zich niet tot Elia gewend omtrent deze zaak, misschien omdat hij niet zo toegankelijk was als Elisa. Maar wij kunnen hopen dat er door de invloed, die uitging van de profetenschool in hun midden, een reformatie onder hen tot stand was gekomen. De ligging van de stad was aangenaam en bood een schoon uitzicht aan, maar zij hadden noch gezond drinkwater, noch een vruchtbare grond om spijs voor hen te leveren, welk genot konden zij dan vinden in hun schoon uitzicht? Water is een algemene weldaad van God, die wij moeten waarderen naar de grootte van de ramp, die het gebrek er aan, of het ongezonde er van, zou veroorzaken. Sommigen denken dat niet al de grond rondom Jericho onvruchtbaar was en slecht water had, maar alleen sommige delen er van, en wel die, waar de zonen van de profeten woonden, die hier de mannen van de stad worden genoemd.
2. Hij heeft hun spoedig verlichting bezorgd van dit bezwaar. Profeten moeten pogen elke plaats waar zij komen op de een of andere wijze beter te maken door hun komst, pogen het bittere gemoed te verzoeten en de onvruchtbare ziel vruchtbaar te maken door de juiste aanwending van het Woord van God. Elisa zal hun water gezond maken, maar:
a. Zij moeten hem voorzien van zout in een nieuwe schaal, vers 20. Als zout geschikt ware om het water drinkbaar te maken, wat dan nog zou zo'n kleine hoeveelheid kunnen uitwerken, en waarom moest er een nieuwe schaal voor gebruikt worden? Maar zij, die geholpen moeten worden, moeten gebruikt worden, en hun geloof en hun gehoorzaamheid op de proef worden gesteld. Gods werken van de genade worden tot stand gebracht, niet door enigerlei werking van ons, maar in ons waarnemen van Zijn inzettingen.
b. Hij wierp het zout in de waterbron, en aldus genas hij de stromen en de grond, die zij bewaterden. En het middel om der mensen leven te hervormen is: hun hart te vernieuwen, Iaat dit bereid worden met het zout van de genade, want daaruit zijn de uitgangen des levens. Maak de boom goed, en zijn vrucht zal goed zijn. Reinig het hart, en dat zal de handen reinigen.
c. Hij gaf niet voor dit te doen door zijn eigen macht of kracht, maar in de naam Gods: Zo zegt de Heere, Ik heb dit water gezond gemaakt. Hij is slechts het werktuig, het kanaal, waardoor het Gode behaagd heeft deze gezondmakende kracht te doen vloeien. Door hun deze vriendelijkheid te bewijzen met een: Zo zegt de Heere zullen zij later zoveel bereidwilliger zijn om een bestraffing, een vermaning, of liever, een bevel, van hem aan te nemen met deze zelfde inleiding. Indien hij hen in de naam Gods kan helpen, zo laat hem hen dan ook in de naam Gods onderwijzen en besturen. Zo zegt de Heere uit Elisa's mond, moet altijd daarna van grote kracht voor hen zijn.
d. De genezing was duurzaam, en niet slechts voor het tegenwoordige ogenblik. Alzo werd dit water gezond tot op deze dag, vers 22. Wat God doet, zal in eeuwigheid zijn, Prediker 3:14. Als Hij door Zijn Geest een ziel gezond maakt, dan zal er geen dood noch onvruchtbaarheid meer van wezen, de eigenschap is veranderd, wat nutteloos en schadelijk was, wordt aangenaam en dienstbaar.
II. Hier is een vloek over de kinderen van Bethel, die van kracht was om hen te verderven want het was geen vloek zonder oorzaak. Ook te Bethel was een profetenschool, daar gaat Elisa vervolgens heen bij deze zijn eerste bezoeken. De leerlingen van die school hebben hem ongetwijfeld met alle mogelijke eerbied welkom geheten, maar de lieden van de stad waren beledigend voor hem. Eén van Jerobeams kalveren was te Bethel, daar waren zij trots op, daaraan hingen zij met liefde. Die hen bestraften, haatten zij. De wet gaf hun geen macht om die vrome instelling te vernietigen maar wij kunnen veronderstellen dat het hun gewone doen was de profeten uit te jouwen als zij over straat gingen, hen scheldnamen na te roepen, ten einde hen aan verachting bloot te stellen, hun jongelingen en kinderen tegen hen op te zetten, ten einde hen, zo mogelijk, uit hun stad te verdrijven. Indien de belediging, Elisa aangedaan, hun eerste zonde van die aard ware geweest, waarschijnlijk zou zij niet zo zwaar gestraft zijn geworden. Maar de boden van de Heere te bespotten en de profeten te mishandelen was één van de schreeuwende zonden in Israël. Nu hebben wij hier:
1. Een voorbeeld van die zonde. De kleine kinderen van Bethel, de knapen en meisjes die op straat speelden, (daar er waarschijnlijk bericht van zijn komst in de stad was gekomen) gingen uit om hem te ontmoeten, niet met hun hosanna's, zoals zij hadden moeten doen maar met hun beschimpingen. Zij vergaderden zich om hem heen en bespotten hem, alsof hij een dwaas was of iemand, die men voor de gek kan houden. Onder de andere dingen waarmee zij gewoonlijk de profeten uitjouwden, hadden zij deze bijzondere schimp voor hem: Kaalkop ga op! kaalkop ga op! Het is een snood bedrijf om mensen te bespotten om een lichaamsgebrek, het is aan de beproefde nog beproeving toe te voegen, en als zij zijn zoals God hen gemaakt heeft, dan komt de smaad op Hem neer. Maar dit was iets, dat nauwelijks een gebrek genoemd kon worden, en zou hem nooit tot versmaadheid aangerekend zijn, als zij iets anders hadden gehad, waarmee zij hem konden smaden. Het was zijn hoedanigheid als profeet, die zij bedoelden te smaden. De eer waarmee God hem heeft gekroond, had voldoende moeten wezen om zijn kaalheid te bedekken en hem te beschermen tegen hun spotternijen. Zij zeiden hem op te gaan, misschien met spottende toespeling op Elia's hemelvaart. "Uw meester," zeggen zij, "is opgegaan, waarom gaat gij niet na hem op? Waar is de vurige wagen? Wanneer zullen wij ook u kwijt worden?" Deze kinderen spraken, zoals hun geleerd was, zij hadden van hun afgodische ouders geleerd scheldnamen te geven, vuile taal te spreken, inzonderheid tot de profeten. Misschien hebben hun ouders hen uitgezonden en opgehitst, opdat zij, zo mogelijk, de profeet buiten hun stad zouden houden.
2. Een voorproef van het verderf, dat ten slotte komen zou voor hun mishandelen van Gods profeten, en waarvan dit bedoeld was om er hen voor te waarschuwen. Elisa hoorde een lange poos geduldig hun beschimpingen aan, maar eindelijk werd door de onophoudelijke terging het vuur van heilige ijver voor God in zijn hart ontstoken, en hij keerde zich achterom en zag hen, zag hen aan om te beproeven of een ernstige, strenge blik hen beschaamd zou maken en hen tot heengaan zou bewegen, hij zag hen aan, om te zien of er op hun gelaat ook enigerlei ongekunsteldheid of oprechtheid was te bespeuren, maar zij schaamden zich in het minst niet, wisten niet van schaamrood worden, en daarom vloekte hij hen in de naam des Heeren, riep het oordeel in, en kondigde het aan, niet uit persoonlijke wraak wegens de belediging hem aangedaan, maar als de mond van de Goddelijke gerechtigheid, om de smaad te straffen, die aan God was aangedaan. Aan zijn oproeping werd terstond gevolg gegeven, twee berinnen (misschien wel berinnen, die van haar jongen waren beroofd) kwamen uit een naburig woud, en verscheurden twee en veertig kinderen, vers 24. Hierin nu:
a. Moet de profeet gerechtvaardigd worden, want hij deed het door Goddelijke aandrift. Indien de vloek uit een slecht beginsel ware voortgekomen, God zou er geen amen op gezegd hebben. Wij kunnen wel denken dat het beter zou geweest zijn om twee roeden te laten komen om er deze kinderen mee te kastijden, dan twee beren om hen te verscheuren. Maar Elisa wist door de Geest, welk een slechte aard er in die kinderen was, welk een adderengebroed zij waren, en welke boosaardige vijanden zij zouden zijn van Gods profeten, indien zij lang genoeg zouden leven om mannen te worden, die reeds zo vroeg beledigend voor hen waren. Hij bedoelde hiermede de ouders te straffen, en hen bevreesd te maken voor Gods oordelen.
b. Moet God verheerlijkt worden als een rechtvaardig God, die de zonde haat, en haar zelfs in kinderen niet ongestraft zal laten. Laat de ontzettende kreten en het gekerm van deze goddeloze, ongelukkige kinderen ons vlees doen sidderen van vrees voor God. Laat kinderen bevreesd zijn om boze woorden te spreken, want God let op hetgeen zij zeggen. Laat hen niemand bespotten om enigerlei gebrek van lichaam of ziel, maar veeleer medelijden met hen hebben, die er door bezocht zijn, Iaat hen inzonderheid weten dat het op hun gevaar is, als zij Gods volk uitjouwen, of Zijn dienaren, en iemand bespotten voor wèl doen. Laat ouders, die genot en vertroosting willen hebben in hun kinderen, hen goed opvoeden, en tijdig alles doen wat zij kunnen om de dwaasheid uit te drijven, die in hun hart gebonden is, want-zoals bisschop Hall zegt-"tevergeefs zien wij uit naar goeds in die kinderen, wier opvoeding wij verwaarloosd hebben, en tevergeefs treuren wij over het wangedrag, dat onze zorg had kunnen voorkomen."
Elisa komt te Bethel en vreest de wraak niet van de ouders, die van hun kinderen beroofd zijn. God, die hem gebood te doen wat hij deed, zal hem ondersteunen en doorhelpen. Vandaar gaat hij naar de berg Karmel, vers 25, waar naar alle waarschijnlijkheid een Godsdienstig huis was, geschikt voor afzondering en nadenken. Vandaar keerde hij terug naar Samaria, waar deze vader van de profeten, daar het een publieke plaats was, het meeste nut kon stichten. Bisschop Hall merkt hier op dat hij nooit een nuttige ziener kan wezen, die òf altijd, òf nooit alleen is.