5. Voorts mat hij nog duizend ellen, en het was ene beek, waar ik niet kon doorgaan toen ik voor de vierde maal wilde doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, ene beek, waar men niet kon doorgaan. 1)
1) Het zijn aanwassende wateren. Gelijk ene rivier gestadig loopt, zo wordt zij te voller naarmate zij verder gaat. De Evangelie Kerk was zeer klein in haar beginselen, gelijk ene kleine opwellende poel, maar bij troepen kwam zij tot aan de enkels en tot de knieën, velen werden dagelijks tot dezelve toegedaan en het mosterdzaad groeide op tot een groten boom. De gaven des Geestes nemen toe door geoefend te worden en de genade, daar zij waarlijk is, neemt toe als het licht des morgens, hetwelk voortgaat en meer en meer schijnt tot den vollen dag.
Al wederom, wat dunkt u, die vloed, spiegelt hij ook in dit opzicht het beeld u niet af van het heil in Christus verschenen? Ja ziet daar wel waarlijk den gang van het Godsrijk in de wereld en in het hart van den zondaar! Dat Godsrijk, het ving en vangt steeds nederig aan, gelijk ene beek, nabij de bron nog nauwelijks merkbaar, zich van lieverlede verbreedt, hoe meer zij zich van haren oorsprong verwijdert. Het Godsrijk bij de kribbe van Bethlehem, doet het u niet denken aan den aanvang van Ezechiëls vloed, waar het water voor het ogenblik zich nog alleen tot aan de enkels verheft? Maar straks breidt zich dat Godsrijk in Galilea, in Judea en Samaria uit: ziet, daar rijst het water des levens reeds van de enkels tot de knieën van wie het beproeft te doorwaden. En weldra daarover snijdt het de grenzen der heidense wereld; daar neemt het ene stad, een land, een koninkrijk, een werelddeel in: merkt gij wel, hoe de stroom reeds zó diep wordt, dat hij u tot aan en over de lendenen wast? Nog heden ten dage is hij op menige streek der zendingskaart zo ondiep, als de vliet, die nauwelijks boven de voetzolen raakt, doch komt slechts terug, als hij duizend ellen verder gespoed is, en gij wordt door ene velen volheid des waters verrast die u onwillekeurig opheft en draagt. Dat is juist het onderscheid tussen het heil, dat de wereld biedt, en dat ons de Christus bereidt. Menige aardse vreugd doet ons denken aan den bruisenden stroom, die begint met een prachtigen waterval en aanvankelijk rusteloos voorwaarts spoedt, maar weldra al meer en meer onreinheid in zijne wateren opneemt, straks gedurig trager daarheen kruipt en eindelijk bijna spoorloos verdwijnt in het zand, dat hij een tijd lang besproeide. Het heil in Christus daarentegen ontwikkelt zich uit kleine beginselen, maar om gedurig hoger te stijgen, niet ongelijk aan den vloed bij Ezechiël, die telkens op zekere hoogte ene dieper bedding verkrijgt. Wel komt Gods koninkrijk niet op eens maar trapsgewijze in de wereld rondom ons, duizend ellen liggen er ook voor Ezechiël tussen de plek waar het water de knieën, en die waar het de lendenen raakt, maar toch het gaat onophoudelijk voort, eerst in de diepte, als de stroom, die in het verborgen steeds verder de aarde doorwoelt, straks in de hoogte als de ontembare vloed, dien men op zeker punt volstrekt alles mede ziet slepen. En gaat het wel beschouwd, niet evenzo in het hart van den zondaar, waarin geestelijk leven geboren wordt. De beginselen zijn gewoonlijk klein en onmerkbaar. Enkele lichtstralen beginnen voor het oog des geestes te rijzen, enkele vertroostingen Gods worden vrezend en bevend genoten, enkele kiemen van gerechtigheid, vrede en blijdschap ontluiken op den akker des harten. Maar keurt daarom die kleine dingen uwen blik niet onwaardig, even weinig als de Ziener den stroom, die aanvankelijk nog de diepte van geen halve voet heeft bereikt! Het water begint te wassen; het geestelijk leven neemt toe; wie eerst in Christus slechts kind of jongeling was, wordt straks man en vader in Hem. Schijnbare stilstand kan er zijn, en allerminst ontbreekt het aan overgangstijdperken; zelfs een Ezechiël kan de duizend ellen tussen het een en het ander punt van den weg niet tot twee of drie honderd doen inkrimpen. Maar toch, waar leven uit God is, daar is ook beweging en voortgang, en wie aanvankelijk uit zijn geestelijken doodslaap is opgewekt, hij vindt voor den stroom van zijn geestelijk leven steeds dieper bedding gegraven. Waar morgenrood gloorde, breekt zonneglans door, waar de kracht tot willen verleend werd, wordt nu ook de kracht tot volbrengen geboren, waar men eerst tegen kleine plichten kon opzien, voelt men zich straks zelfs tot grote offers in staat. Zo is het pad des rechtvaardigen gelijk een schijnend licht, voortgaande tot op den helderen middag, en ene volheid van geestelijk heil en leven is in Christus verleend, waarvan hij gedurig moet uitroepen, dat de helft hem niet aangezegd was.