12. Aan de beek nu, aan hare oevers, zal, gelijk gij reeds uit de waarneming in
Vers 7 kunt besluiten, van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan, in zijne maanden (iedere maand) zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijne wateren, waardoor zij vruchtbaar worden gemaakt, vlieten uit het heiligdom, dus onmiddellijk uit de woonplaats van Hem, die de oorsprong van alle levenskracht en vruchtbaarheid is; en zijne vrucht zal zijn tot spijze, tot onderhouding van het nieuw geschapen leven dergenen, die in Zion wonen, en zijn blad tot heling, tot gezond maken der zieken en verdorvenen in de overige mensenwereld. (
Openbaring 2:1,
2).
Wie verstaat het niet, die bedenkt, hoe in den eersten Psalm de vrome bij een boom vergeleken wordt aan waterbeken geplant, die vrucht geeft op zijnen tijd en waarvan het gebladerte niet afvalt? Waar de ziekte der zonde genezen, een leven uit God is gewekt, hoe zou daar nu ook de vruchtbaarheid gemist kunnen worden van wat bloeit en rijpt voor den hemel; Het Evangelie der genade beleefd en verheerlijkt door trouwe belijders, ziedaar de levende stroom met vruchtbaar geboomte omgeven. Wat die vruchten zijn, die door den stroom van Gods genade worden gekweekt en verkwikt, wien onzer kan het geheel onbekend zijn? De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, zachtmoedigheid, matigheid, Waar die vrucht ten enenmale ontbreekt, daar blijkt het van zelf, dat men met den Heere slechts in inwendige of kortstondige gemeenschap getreden is. Waar integendeel het leven van den waarachtigen wijnstok in de ranken is overgegaan, daar beginnen zich ook weldra vruchten te zetten; want gelijk het leerboek onzer vaderen het zo onverbeterlijk uitdrukt: "het is onmogelijk, dat, wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. " .
Ezechiël breidt hier uit wat Joël in Hoofdstuk 3:18 heeft gezegd: "er zal ene fontein uit het huis des Heeren uitgaan en zal het dal van Sittim bewateren. " Wanneer Zacharia in Hoofdstuk 14:8 zegt: "Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de Oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn, " wijst hij op Ezechiël terug. Het is duidelijk ene allegorie, welke in deze tempelbron is voorgesteld, een beeld van geestelijke waarheden, welke daardoor tot aanschouwing worden gebracht; maar welke is de juiste betekenis? Er kan geen twijfel omtrent zijn, dat het water ook hier, gelijk meermalen in de Heilige Schrift, een zinnebeeld is der Goddelijke zegeningen van de geestelijke zowel als van de lichamelijke, welke uit de woestijn van menselijke ellende en van aardsen nood uitredden en die veranderen in voorwerpen van liefelijken en heerlijken voorspoed (Jesaja 41:17, 44:3). Dat nu van Zion zulk een water des levens zal uitgaan en zich over den gehelen omtrek zal verbreiden, dat is reeds eens vervuld door het Evangelie van Jezus Christus, welks prediking door de Apostelen is gevoerd in de wereld, welke dood was door de zonden en misdaden, en die nieuw leven en vruchtbaarheid heeft te weeg gebracht, hoe zwak en gering het eerste begin daarvan voorkwam. En nu kan de tekst gebruikt worden zowel voor zendingsleerredenen, als ook kan de heerlijkheid van het Goddelijk woord daarnaar worden voorgesteld. Wilden wij bij deze verklaring van den waterstroom blijven staan bij de prediking des Evangelies, zo zou het tempelgebouw met zijne beide delen den Heere Christus in Zijne gemeenschap met den Vader, het altaar in het voorhof der priesteren, Zijn kruislijden op Golgotha en de buitenste ringmuur met de verdere afscheiding van de Christelijke kerk kunnen worden verklaard-"gebouwd op het fondament der Profeten, waarvan Jezus Christus, de uiterste hoeksteen is. " Intussen zou deze opvatting beter bij Zacharia 14:8 in den zamenhang voegen; hier hebben wij daarentegen met Israël na zijne bekering en terugvoering in het heilige land te handelen, en volgens de gehele boven aangegevene verklaring van het gezicht des tempels, kunnen wij den waterstroom, die van dezen tempel uitgaat, slechts verklaren van den zegen, welke van de gemeente op Zion zal uitgaan, eensdeels over het heilige land zelf, om het te brengen tot een toestand van aardse verheerlijking, (Hoofdstuk 34:26, 36:30; Zacharia 8:12), aan de andere zijde op de hier te lande door een Godsgericht vernietigde kerk, zo als in Openbaring 1:7, voorzegd wordt. Hier komt het woord van Paulus in Romeinen 11:15 in aanmerking, van het leven uit den doden, dat door Israëls wederaanneming der wereld ten deel zal worden. Maar de modderige plaatsen en moerassen daarnaast worden niet weer gezond, de daaraan verbondene ziektestof wordt zo min daarin ontnomen, dat zij integendeel geheel en al daarin worden veranderd. Wat tot hiertoe nog er gezond aan mocht zijn en gelijk aan ander water, zal voortaan ten gevolge van een Goddelijke strafgericht tot zout zijn overgegeven. Daarmee is ene andere gelijkenis gezegd, wat de Heere in Zijne gelijkenis van de tien maagden over de vijf gezegd heeft, die het woord van Jezus moeten horen: "Ik ken hen niet. " Aan het nieuwe Jeruzalem, waarvan in Openbaring 1 sprake is, hebben wij hier bij Ezechiël nog niet te denken; daarop wijst veel meer Joël 2:32.
VI. Vers 13-Hoofdst 48:29. voor het land, dat Israël bij zijn terugkeren daarheen op nieuw onder zich moest verdelen, worden in de eerste plaats in verband met hetgeen reeds bij Mozes voorkomt, de grenzen aan alle vier zijden nader bepaald, waarbij dan het land aan gene zijde van den Jordaan overeenkomstig de oorspronkelijke beschikking buiten aanmerking blijft (vers 13-23). Hierop volgen dan de bepalingen omtrent de verdeling, bij welke niet weer, zo als onder Jozua, het lot beslist, maar alle stammen verkrijgen een even groot aandeel, ieder van deze het zijne in reeds vastgestelde op elkaar volging, daar zeven stammen in het noorden en vijf in het zuidelijke gedeelte plaats krijgen, wordt het midden door de landstreek, welke voor den Heere moet worden afgezonderd, ingenomen (Hoofdstuk 48:1-29).