20. En God zei: Dat de wateren, welke nu op de bijzondere plaatsen verzameld waren, overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen, en het gevogelte vliege boven de aarde in het uitspansel van de hemel!
De Lutherse vertaling gaat uit van het onder de kerkvaders wijd verbreide idee, dat tegelijk met de vissen ook de vogels uit het water ontsproten zijn; dit is echter in tegenspraak met Genesis 2:19, waar geschreven staat dat zij uit de aarde geformeerd zijn. Over de bouwstof van de vogels is daarom niets met zekerheid vast te stellen.. 21. En God schiep de grote walvissen 1) en alle levende, wriemelende ziel, welke de wateren overvloedig voortbrachten, naar haren aard, en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. 2) En God zag dat het goed was.
1) Het oorspronkelijk woord duidt elk zeemonster aan.
2) Vóór de vijfde dag was geen hoger leven dan het plantenleven op aarde, nu zijn water en lucht met zich bewegende schepsels vervuld. Welk een ontelbare menigte! Elke waterdruppel heeft leven, de lucht, die wij inademen, bezit leven, en ieder schepsel is op zeer wonderlijke wijze gemaakt, van de walvis tot het insect. Welk een verscheidenheid! Welk een zegen voor mensen! O diepte van de rijkdom van wijsheid en macht en liefde!.
Vissen en vogels zijn op één dag geschapen; er is overeenkomst tussen deze beide, gelijk lucht en wolken verwant zijn; het schubbenpantser en het verenkleed, de vinnen en de vleugels hebben overeenkomst, die ook in het inwendige bestaat (bij de verdeling van het bloed)