33. O, wat een diepte, als de onpeilbare diepte van de zee, zo moet ik met biddende bewondering uitroepen, als mijn geest nadenkend terugziet op hetgeen in
Hoofdstuk 9-11 vooral in
Hoofdstuk 11 is uiteengezet. O diepte van de rijkdom beide van de wijsheid, die op zo onderscheidene wegen zich een toegang weet te zoeken tot het weerbarstig menselijk hart, om het tot erkentenis van vrede en zaligheid te leiden en de kennis van God, die de ellende van de zondaar met ontferming aanziet en het doel van zijn redding en zaligmaking steeds vast in het oog houdt! a) Hoe ondoorzoekelijk, ook voor het grootste menselijk verstand zijn Zijn oordelen, zijn Gods beschikkingen, die nu eens uit Zijn liefde en ontferming, dan weer uit Zijn heiligheid en gerechtigheid voortkomen en hoe onnaspeurlijk ook voor het scherpzinnigste verstand Zijn wegen, waarlangs Hij bij de volvoering van Zijn raad tot het doel van Zijn beloften leidt!
a) Psalm 36:7.
Terwijl de meeste van de oudere uitleggers de genitiven: "wijsheid en kennis" laten afhangen van "rijkdom", beschouwen vele nieuwere de begrippen "rijkdom, wijsheid en kennis" als gecoördineerd en afhankelijk van "diepte". Spreukenakkunstig zijn beide mogelijk. Omdat toch vers 33, 34 de wijsheid en kennis, Vers 35, 36 de rijkdom van God schilderen, moet men aannemen dat de apostel eveneens de laatste opvatting heeft gehad. Onder de rijkdom van God moet dan de Goddelijke volheid in het algemeen worden verstaan in tegenstelling tot de menselijke nietigheid: de volheid van Zijn genade over allen, die Hem aanroepen; de volheid van Zijn lankmoedigheid, om op aller roepen te wachten; de volheid van Zijn heerlijkheid, om de vaten van Zijn barmhartigheid te eren en van Zijn macht, om de vaten van de toorn aan de voeten van Zijn beledigde majesteit te leggen (Hoofdstuk 9:22 v.). De wijsheid is in God meer dan een eigenschap alleen; zij is het wezen, waaruit het raadsbesluit van de schepping, verlossing en heiliging van de wereld is voortgekomen, die alle lotgevallen van de mensen bestuurt en alle in elkaar lopende wegen op de wonderbaarste manier tot het einddoel van Zijn eigen verheerlijking leidt. De kennis van God is van Zijn wijsheid wel te onderscheiden. Zij is de diepte van het weten van God, die met ontfermende liefde zich verdiept in het voorwerp van haar kennen en dat tot zich omhoog heft. Beide, de wijsheid en de kennis van God, zijn in Christus lichamelijk voor onze ogen verschenen, zoals ook Zijn rijkdom in Hem is uitgestort; Hij laat ze ons echter kennen door Zijn woord; want "alles is daartoe gericht", dat Hij God wil zijn en wij het ervoor houden dat wat Hij doet, goed is.
De apostel heeft gesproken van de oordelen van God, die gegrond zijn in het geheim van Zijn genade en opgroeien in de onverschoonbare verharding van de mensen van de verdiensten, die de genade van zich stoten en hun eigen gerechtigheid proberen op te richten. Het oordeel van de dood over de hele wereld van zondaren is ook voor heidenen te doorgronden Hoofdstuk 1:32); maar het oordeel, waartoe de Heere Jezus in deze wereld is gekomen (Johannes 3:19; 9:39) en welks uitspraak luidt: "die niet gelooft zal verdoemd worden" (Markus 16:16), is voor de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid. Nog heden stoten zich daaraan de werkheilige en die de zaligheid in het vlees zoeken, die zich verheffen op hun volksbestaan en trots zijn op hun kerk; maar de onmondigen, die God graag God willen laten zijn, wordt het geopenbaard.
Alle wegen van God zijn oordelen, want er is geen weg van verlossing, waarop niet tevens de zonde geoordeeld wordt (1 Petrus 4:17). Weer zijn al Zijn oordelen, zolang het nog niet het laatste oordeel is, verborgen wegen van Zijn genade. Dat God rechtvaardig blijft in de genade en genadig in de gerechtigheid, dat te doen zien is juist de diepte van de wijsheid van de goddelijke liefde.
De zichtbare natuur bevat een diepte, een afgrond van goddelijke wijsheid en kennis, maar niet minder Gods leidingen met de wereld van de mensen, van de zondaren. Niemand van de hoogste engelen zou de vraag hebben kunnen beantwoorden; Hoe zal de heilige God met deze wereld vol onheilige opstandelingen handelen? Zijn zij niet altijd in vijandschap me Hem, weerstreven zij niet altijd Zijn geboden, verijdelen zij niet altijd de goede voornemens, die God met hen heeft? En wie zou het gedacht hebben, dat God deze ter dood verwezene nochtans ten slotte zou leiden tot de eeuwige fonteinen van de levende wateren, door hen in Christus al de fonteinen van Zijn genade te openen? Zo weet God het kwade te overwinnen door het goede, de zonde teniet te doen en er Zijn gerechtigheid voor in de plaats te stellen. Ook Zijn oordelen zijn een afgrond. De eerste is de afgrond van Gods oneindige liefde, de tweede die van Gods oneindige heiligheid. Nee, niet zonder oordelen werd dit einde gevolgd en bereikt. Gerechtigheid en gericht zijn en blijven de vastigheid van Gods troon, maar van die troon laat Hij de witte vredevlag waaien, door de hand van Zijn Zoon daarop geplant. Zijn oordelen over de zonde aan de mensen hier en hiernamaals, zijn ontzettend. Zijn oordelen over de zonde in de offerande van Zijn Zoon zijn allerontzettendst, zij gaan alle gedachten te boven, wij zien ze sprakeloos aan en hebben maar één woord, om de aandoeningen onzer ziel te ontboezemen: Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen! Ook de wegen, waarlangs God Zijn eeuwige vrederaad tot stand gebracht, Zijn doel bereikt heeft, zijn onvergaanbaar. Welke middelen heeft God daartoe in het werk gesteld! Hoe heeft Hij de mensen bewerkt door Zijn Geest en Woord, ze gewaarschuwd, gestraft, ze weer begenadigd en gezegend! Hoe ordende Hij, door duizenden tussenkomsten, de wanorde, door de zonde van de mensen veroorzaakt, deed Hij voor Noach de wereld vergaan en voorkwam Hij door Abraham het algeheel bederf van de wereld. Hoe vaak zond Hij Zijn engelen uit de hemel tot de mensen en Zijn gezanten, Zijn profeten, met goddelijke openbaringen en bevelen. Geheel de Schrift is de geschiedenis van Gods wegen met de kinderen van de mensen en hoeveel ongekende, verborgen en onbeschreven wegen en middelen heeft God bovendien gebruikt! Ook nu hebben wij slechts één woord voor ons verbijsterd verstand: Hoe onnaspeurlijk zijn Zijn wegen!
"Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. " Dit moest de enige wens van de Christen zijn. Alle andere wensen moeten aan deze éne ondergeschikt zijn. De Christen mag voorspoed op zijn arbeid wensen, maar alleen in zoverre als hij daardoor in staat wordt gesteld om te bevorderen dat "Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. " Hij mag naar meer gaven en genade verlangen, maar alleen opdat "Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid". U handelt niet zoals u behoort te doen, wanneer u enige andere drijfveer heeft dan een eenvoudig oog voor de heerlijkheid van de Heere. Als Christen bent u "van God en door God", leef dan ook tot Hem. Laat niets uw hart ooit zo machtig doen kloppen als de liefde voor Hem. Laat deze eerzucht uw ziel ontvlammen, laat dit de grond zijn van alles wat u onderneemt en dit het doel, dat u kracht geeft, wanneer uw ijver verkoelt, laat God uw enig doel zijn.