2. In het midden van haar straat, door de reeds in
Hoofdstuk 21:21 genoemde straten vloeide die stroom en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom des levens (Gr. "levenshout een menigte van bomen, waarin leven wekkende kracht was, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijn vrucht, die twaalfderlei soorten van vruchten, zodat het hele jaar door de twaalfsoorten niet werden gemist en de bladeren van de boom ("van het hout waren tot genezing van de heidenen (
Hoofdstuk 21:24 Ezechiel 47:12).
Behalve door dorst worden de uitverkorenen in dit leven door de honger gekweld (Hoofdstuk 7:16. Mattheus 5:6). Daarom wordt het leven of het heil en de zaligheid, nadat deze als water is beschreven, verder als boomvrucht voorgesteld. Er is sprake van een "hout van het leven", waarvan de vruchten hem, die ze geniet, het leven toedeelt. Hierbij wordt vergeleken Genesis 2:9; 3:22 Bij het verband, waarin het hout van het leven met het water des levens staat, kan met de woorden "midden in haar straat", met het andere "op de een en de andere zijde van de rivier" geen tweede afzonderlijke standplaats zijn bedoeld. De stroom vloeit midden door de straat (het collectief van "straten en aan beide zijden van de stroom staat het hout.
Wonderbaar hout, dit hout, het hout des levens, dat door het water des levens wordt gedrenkt! Het draagt twaalfderlei vruchten (de lezing van de grondtekst, die de twaalf vruchten over de 12 maanden zo verdeelt, dat voor elke maand één soort zou zijn, is minder goed dan de andere, die het weglaat en brengt zijn twaalfderlei vruchten elke maand. De bladeren van het hout dienen tot genezing van de heidenen. Aards hout draagt slechts één vrucht, dat twaalfderlei; aards hout draagt slechts eenmaal in het jaar, dat iedere maand; van aards hout kan alleen de vrucht, van dat ook het loof worden genoten.
De uitdrukking "tot genezing van de heidenen", moet niet zo worden verstaan, alsof een nog aanwezige ziekte van de heidenen werd verondersteld, evenmin als uit Hoofdstuk 21:4 zou mogen worden afgeleid, dat de tranen, die God de zaligen wil afdrogen, tekenen waren van nog bestaande smarten. Zoals de tranen, die over het lijden op aarde zijn geweend, in het eeuwige leven worden afzekert, dienen de heilzame bladeren van de levensbomen tot genezing van de ziekte, waaraan de heidenen in het leven op aarde hebben geleden, maar in het nieuwe Jeruzalem niet meer zullen lijden. Zijn zij vroeger hongerig geweest, nu zullen zij verzadigd worden (Hoofdstuk 7:16). Waren zij vroeger blind, ellendig en zonder kracht van het leven (Hoofdstuk 3:17), nu zullen zij alle heerlijkheid, heiligheid en zaligheid van het eeuwige leven genieten. Is het zoals in dit vers staat, dan is er zonder twijfel een onderscheiding van twee klassen van burgers van het nieuwe Jeruzalem: voor de ene klasse zijn de vruchten van de levensbomen, voor de andere de bladeren; en omdat nu de laatste uitdrukkelijk zijn voorgesteld als dienende tot genezing van de heidenen, kunnen de eerste alleen voor de 12 geslachten van Israël bestemd zijn, daarom ook de twaalfderlei vruchten, die elke maand door de bomen worden gedragen. Deze onderscheiding merkten wij reeds op in het vorige hoofdstuk bij de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem zelf, omdat daar aan de ene zijde de muren met haar hoogte van 144. 000 ellen, de 12 poorten van parels met het opschrift van de 12 geslachten van de kinderen van Israël en dat alles op de 12 fundamenten van 12 edelstenen en met de namen van de 12 apostelen ons werden voorgesteld, aan de andere zijde de stad zelf wat de maat, de aanleg en de toerusting ons voorkwam. Zeker is het nieuwe Jeruzalem, het uit heidenen en Joden tot één gemeente onder één en Herder verbonden volk van God. De heidenen staan niet buiten maar binnen en mogen heerlijkheid en zaligheid van het eeuwige leven in volle mate meegenieten. Maar een hele uitwissing van het onderscheid tussen beide delen moet toch geen plaats hebben; het nieuwe Jeruzalem is een stad, die eerst daardoor mogelijk wordt, dat te voren het gezicht van de nieuwe tempel in Ezechiel 40, de Zionsgemeente in Hoofdstuk 14 en het duizendjarige rijk in Hoofdstuk 20 van ons boek verwezenlijkt wordt. En dat Israël voor de wereld eens het leven uit de dode moet worden door zijn wederaanneming, zoals het vroeger de verzoening van de wereld is geworden door zijn verwerping (Romeinen 11:15), dat werkt in de eeuwigheid na, al kon ook niemand zeggen, waarin het onderscheid tussen het eten van de twaalf vruchten en het genieten van de bladeren van dat hout van het leven zal bestaan, evenmin als men kan zeggen wat met de verschillende plaats van muur en poorten aan de ene zijde en van de stad met wat tot haar behoort bedoeld wordt.
Ook in het paradijs van onze eerste voorouders stond de "boom des levens", welks vrucht "leven gaf in eeuwigheid". Van die boom des levens te eten, die in het paradijs van God is, daarin bestaat een van de toezeggingen van de Heere aan de gemeente van Efeze en het hele denkbeeld, dat men hier vindt, wordt ook aangetroffen bij Ezechiël. Dat de levensboom "van maand tot maand" zijn vrucht geeft, is een aanduiding van het ongestoorde, onophoudelijk voortdurende van het genot van lust en leven, in tegenstelling met aardse blijdschap, die telkens vervangen wordt door droefenis. En wat de trek aangaat, "dat de bladeren van de boom zijn tot genezing van de heidenen", dat is niet tot genezing van zieken in het nieuw Jeruzalem zelf, want daar is geen gebrek; maar van zieken op aarde; en als voor degenen de bladeren van het levensgeboomte daarboven, die neerdalen uit het nieuwe Jeruzalem, reeds een genezende kracht hebben, wanneer zij uit de hand van Jezus de zieken zondaren gegeven worden. hoe verkwikkend, versterkend, voedend, moeten dan niet de vruchten zelf zijn?
Tweeërlei komt hier in deze schets van de zaligheid van de inwoners vooral op de voorgrond; er zal ook daar een onophoudelijk scheppen, een ontvangen van Gods genadegaven zijn, zoals van de boom des levens in Eden en een onbeweeglijk enerlei, maar een eeuwig worden en wassen. Maar de verwoesting, die de zonde in het aardse leven heeft teweeg gebracht, zal ophouden. Er zal een bloeitijd zijn, waarin geen vruchten en een oogsttijd, waaraan geen bloesems ontbreken. Het verleden zal levendig werkzaam blijven, zonder weg te zinken in de dood van de vergetelheid en van de onmacht. Het tegenwoordige zal op het verleden steunen en door de toekomst levendig bewaard worden en zo nooit vruchteloos en beseffeloos voorbijgaan. De toekomst zal reeds in het tegenwoordige levendig en goddelijk machtig bestaan, al is die eerst komende.
En bij die rijke verkwikking komt, ten andere een volle genezing. "In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de rivier, was de boom (liever: het geboomte) des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand zijn vrucht gevend en de bladeren van de booms waren tot genezing van de volken", d. i. waarschijnlijk tot genezing van die ziekten, waaraan zij gedurende dit leven geleden hadden, maar nu nooit meer lijden zouden. Hoe het zij, wat hier voor ons ligt is tegelijk een nieuwe weerklank op het pas vermeld visioen van Ezechiël en een herinnering van hetgeen reeds Mozes aangaande het eerste Eden vermeld had. De boom des levens het ontgaat u immers niet, hoe de gouden cirkel van de Schrift aan het einde kennelijk tot het punt van zijn uitgang zich overbuigt? "Dat hij zijn hand niet uitstrekt en eet van de boom des levens", zo had God van de eerste overtreder gesproken, toen deze uit het paradijs werd verbannen. De boom van de kennis en de boom des levens beiden waren door Zijn liefde geplant, maar van beiden gelijktijdig te eten, het was uit de aard van de zaak onmogelijk. Immers, de eerste bracht de dood, de tweede daarentegen was voorwaarde en onderpand van onvergankelijk leven. De mens verkoos de eerste en zag zich de laatste ontzegd, en sinds staan hier beneden de bomen van de verzoeking alom, de levensbomen nergens te prijken. Nergens. het oog van de verrukte Johannes zag ze daarboven overgeplant, aan de rechter- en de linkeroever van de Godsrivier, maar met welke vruchten, ja zelfs met welke bladeren versierd! Geeft de schoonste plant op aarde slechts eenmaal in het jaar haar vruchten: wordt een dubbele oogst in twaalf maanden reeds onder de zeldzaamheden, schier onder de wonderen van de schepping geteld; daar is bloesem, blad en vrucht tegelijk, daar zijn zo vele oogsten, als er, gesproken naar de mens, in het hemeljaar maanden zijn. En aan die bomen is niets verloren; zelfs het sap in het gebladerte is heulsap ik versta uw beeldspraak, Ziener van het Nieuwe Verbond, en neem uw zinrijke profetie met alle dankbaarheid aan. Daar, wilt u zeggen, is niet slechts de dorstige ziel volkomen verkwikt, maar, wat meer zegt, de zieke ziel volkomen genezen. Genezing! wat een woord, voor de mens, van wie immers geschreven staat: "Een ieder kent het best de bittere plaag van zijn hart; " voor de zondaar, aan wie, van het hoofd tot de voetzool toe, niets gezonds en heels meer gevonden wordt; voor de Christen bovenal, die hier op aarde in geestelijke zin ten hoogste tot de voorspoedig herstellenden, maar nooit tot de volmaakt gezonden behoort en wie weet, hierbinnen zo menig lidteken van diepe zielswonden draagt, die ja gesloten heten, maar nog bij de minste aanraking schrijnen. Genezing, reeds dat woord klinkt welluidend u toe? Godlof, het wordt een feit van de ervaring, het wordt een daad van Gods liefde voor allen, die hun deel van de levensboom daarboven ontvangen. Langs de straten van die Godsstad sluipt geen pestilentie, die in de donkerheid wandelt; geen verderf, dat op de middag verwoest. Onder de schaduw van de levensboom eet men de dood aan iedere smart, aan ieder hartzeer, aan al wat de ziel soms, God weet, hoe mat en ziek kan doen zijn en de versterving nabij. Was de zieke mensheid een levenslange lijderes, van haar wieg tot aan het graf van de tijd, nu zijn eindelijk, voor zover zij verlost is, voor goed de genezende handen haar opgelegd. De kwaal van zonden, van zorgen, van dood, die in het aardse Eden begon, is in het hemelse voor altijd geweken; haal nu adem, gereinigde borst, met iedere teug van die lentelucht drinkt u leven en onverderfelijkheid in.