Ezechiël 46:19-24
Wij hebben hier het vervolg van de openbaring, betreffende de gebouwen van den tempel, die wij tevoren niet opmerkten, en dat waren de plaatsen om het vleesch der offers te koken vers 20. Hij, die zoo overvloedig tafel hield bij zijn altaar, had groote keukens noodig, en een wijs bouwer zorgt voor gelegenheden van die soort. Ziehier
1. Waar de kookplaatsen lagen. Er waren er bij den ingang tot het binnenste voorhof, vers 19, en andere onder de galerijen, in de vier hoeken van het buitenste voorhof, vers 21-23. Dit zijn de plaatsen, waar waarschijnlijk de meeste ruimte voor dit doel over was, en die ruimte werd voor dit doel bestemd, om niet te verliezen. Het zou jammer zijn als heilige grond niet gebruikt werd.
2. Hoe deze gebruikt worden. In die ruimte moesten zij het schuldoffer en het zondoffer koken, namelijk die deelen er van, die aan de priesters waren toegewezen en die heiliger waren dan het vleesch van het spijsoffer, waarvan de offeraars ook hun deel hadden. Daar moesten zij ook het spijsoffer bakken, namelijk hun deel er van, dat zij van het altaar voor hun eigen tafel ontvingen, vers 20. Er werd voor gezorgd, dat zij het niet zouden uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen. Ze mogen niet voorgeven het volk te heiligen met dit heilige vleesch, en hen aldus bedriegen, en het volk moet niet denken, dat zij geheiligd worden door deze heilige dingen aan te raken, en dat ze daardoor beter of aannemelijker worden voor God. Het schijnt wel, dat er waren, die dat dachten, Hagg. 2:12, en daarom mochten de priesters niets van het heilige vleesch aannemen, om dat bedrog niet aan te moediger. Predikanten moeten er zich voor wachten, de bijgeloovige ijdelheden van onwetende menschen te bevorderen.