Ezechiël 43:13-27
Dit heeft betrekking op het altaar in dezen mystieken tempel, en dat is ook figuurlijk, want Christus is ons altaar. Na hun terugkeer hadden de Joden een altaar, lang voordat zij een tempel hadden, Ezra 3:3. Maar dat was een altaar in den tempel.
1. De maten des altaars, vers 13. Het was van boven zes ellen in het vierkant aan den voet, het was vier en een half ellen hoog. Het had eene bank, hier afzetsel genoemd, eene el van den grond, waarop de priesters stonden om den dienst te verrichten, en eene andere, weer twee ellen hooger, waarop weer anderen stonden, en elk afzetsel was eene halve ei breed en had randen aan elke zijde, opdat zij daarop vast zouden staan. De offeranden werden op de tevoren besproken tafel gedood, Hoofdstuk 40:39. Wat op het altaar moest verbrand worden, werd toegereikt aan die op de onderste bank stonden, en door hen aan de hooger staanden overgegeven, die het weer op het altaar legden. Zoo moeten wij in den dienst van God elkander handreiking doen.
11. De bepalingen des altaars. Voorschriften worden hier gegeven,
1. Aangaande de inwijding des altaars eerst. Zeven dogen werden doorgebracht met zijne inwijding, iederen dag moesten er slachtoffers opgeofferd worden, en vooral een bok als zondoffer, vers 25, benevens een ver als zondoffer op den eersten dag, vers 19, hetgeen ons leert, dat wij in al onze godsdienstige verrichtingen een oog moeten hebben voor Christus' groote zondoffer. Noch onze persoon noch onze godsdienstplechtigheden kunnen aangenaam zijn, tenzij de zonde is weggenomen, en dat kan alleen door Christus' bloed geschieden, dat zoowel het altaar heiligt (want Christus is eenmaal met Zijn eigen bloed ingegaan, Hebreeën 9:1 en de geve op het altaar. Er werden ook een ver en een ram als brandoffer geofferd, vers 24, waarmede alleen de verheerlijking Gods bedoeld werd, om ons te leeren, in al onzen dienst daarvoor een oog te hebben, wij geven ons zelf als levende offeranden en onzen dienst als geestelijke offerande, opdat wij Hem mogen zijn tot een naam, een lof en heerlijkheid. De wijding van het altaar wordt hier genoemd ontzondigingen, verzoening, vers 20, 26. Christus, ons altaar, heeft, of schoon Hij zelf geen ontzondiging noch verzoening noodig had, Zichzelf geheiligd, Johannes 17:19, en wanneer wij de altaren onzer harten Gode wijden, opdat het vuur eener heilige liefde daarop immer brande, dan moeten wij toezien, dat zij gereinigd en gezuiverd worden van de liefde der wereld en de lusten des vleesches. Het is opmerkelijk, dat er meerdere verschillen zijn tusschen de ceremoniën der inwijding hier en die van Exodus 29, om aan te duiden. dat de ceremoniën bewegelijke dingen zijn, en de overgangen heenwijzen op Christus. Slechts hier, overeenkomstig de algemeene wet, dat alle offeranden met zout moeten gezouten worden, Leviticus 2:13, worden bijzondere voorschriften gegeven, vers 24, dat de priesters zout op de offeranden meesten werpen. Genade is het zout, waarmede al onze godsdienstige verrichtingen moeten besprengd worden, Colossenzen 4:9. Een eeuwig verbond heet een zoutverbond, omdat het onverderfelijk is. De heerlijkheid, voor ons bewaard, is onverderfelijk en onbevlekkelijk, en de genade wrocht in ons den verborgen mensch des harten, die onverderfelijk is.
2. Aangaande het doorgaande gebruik, dat na de wijding ervan meest gemaakt worden, voortaan moesten de priesters de brandofferen en de dankofferen op het altaar bereiden, vers 27, want daarvoor was het geheiligd, omdat het de gave zou heiligen, die erop geofferd werd. Merk voorts op: a. Wie het altaar moesten bedienen: de Levietische priesteren uit het zaad van Zadok, vers 19. Die familie was in de plaats gekomen van die van Abjathar, naar Salomo's bestel, en God bevestigt dat. Zijn naam beteekent rechtvaardig, want het is het rechtvaardige zand, dat priester voor God is, door Christus den Heere onze gerechtigheid. b. Hoe zij zich voor den dienst zouden bereiden, vers 26. Zij zullen de handen vullen met de offeranden, ten teeken dat zij zich met hunne offeranden aan God en Zijnen dienst overgeven. Zie, alvorens wij den Heere in heilige dingen dienen, moeten wij ons zelf wijden door onze handen en harten met deze dingen te vullen. c. Hoe zij daarin voorspoed zullen hebben, vers 27:Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt de Heere Heere. En, als God nu een welgevallen heeft, als onze dienst Hem aangenaam is, is dat voldoende, meer hebben wij niet noodig. Zij, die zich aan God overgeven, zullen een welgevallen van Hem trekken, door Hem aangenomen worden, eerst zij zelf en dan hun dienst, door den Middelaar.