Ezechiël 44:4-9
Dit is vrijwel hetzelfde als hetgeen wij hadden in het begin van Hoofdstuk 43. Evenals de profeet nogmaals zien moet, wijl hij reeds gezien had, zoo moet hem ook nogmaals gezegd worden, wat hij reeds gehoord had. Hier ziet hij, als tevoren, het Huis vervuld van de heerlijkheid des Heeren, wat hem van vrees ter aarde doet vallen, de houding der nederigste vereering en de uitdrukking van een heilig ontzag: Ik viel op mijn aangezicht, vers 4. Hoe meer wij van de heerlijkheid Gods zien, des te lager zullen wij in eigen oogen staan. Hier
1. Beveelt God den profeet om zeer bijzondere aandacht te schenken aan al wat hij gezien heeft, en aan al wat tot hem gezegd is, vers 5:Zet er uw hart op, richt uw geest op de openbaring, die u gedaan is.
1. Zie met uwe oogen, wat u getoond is, in `t bijzonder den ingang van het Huis, en alle uitgangen daarvan, daar moet hij in `t bijzonder op letten. Als wij kennis nemen van goddelijke dingen, moeten wij niet zoozeer ons toeleggen op de abstracte kennis van die dingen zelf als op het vinden van den duidelijk aangewezen weg tot bekeering en gemeenschap met die dingen, opdat wij mogen ingaan en uitgaan en weide vinden.
2. Hoor met uwe ooren alles, wat Ik met u spreken zal van alle inzettingen en van alle wetten van het] Huis, waarin hij het volk onderwijzen moest. Die bestemd zijn tot leeraars hebben noodig zeer vlijtige nauwlettende leerlingen te zijn, om niets te vergeten van de dingen, die hun worden toevertrouwd en er geen fout in te maken.
11. Zendt God hem met eene boodschap tot het volk, tot die weerspanniger, namelijk tot het huis Israëls, vers 6. Het is droevig te moeten denken, dat het huis Israëls deze benaming verdiende van Hem, die hen volkomen kende, dat een volk, in verbond met God, weerspannig tegen Hem kon zijn. Wie zijn dan Zijne onderdanen, als het huis Israëls weerspannig is? Maar het is een voorbeeld van Gods rijke genade, dat, hoewel zij weerspannig geweest waren, Hij hen toch niet verwerpt, daar zij het huis Israëls zijn, maar een afgezant tot hen zendt, om hen uit te noodigen tot gehoorzaamheid terug te keeren, wat Hij niet gedaan zou hebben, als het Hem behaagd had hen te dooden. Het geheele menschelijk geslacht valt onder de benaming, die hier aan het huis Israëls gegeven wordt, maar onze Heere Jezus ontving, toen Hij opvoer in de hoogte, gaven voor de menschen, ja, ook voor de wederhoorigen, om bij den Heere God te wonen Psalm 68:19.
1. Hij moet hun hunne overtredingen aanzeggen, moet hun hunne weerspannigheid toonen, moet het huis Jakobs hunne zonden toonen. Die gezonden worden om Gods volk te troosten moeten hen eerst overtuigen, en hen zoo voorbereiden voor den troost. Het is u te veel, vanwege alle uwe gruwelen, vers 6. Het is hoog tijd voor degenen, die lang in de zonde volhard hebben, om tot het besef te komen, dat het nu lang genoeg, en reeds te lang is, en om te beginnen met er aan te denken bijtijds op te houden, om hun boozen weg te verlaten. Het is hun genoeg, dat zij den voorgaanden tijd des levens van hun gruwelen zat zijn geworden, en er nu van walgen, 1 Petrus 4:3. Waarvan zij hier beschuldigd worden, is, a. Dat zij tot de voorrechten des heiligdoms hadden toegelaten, die er geen recht op hadden, terwijl God had gezegd: De vreemde, die daar bijkomt, zal gedood worden, hadden zij het onwettig binnengaan van vreemden in het heiligdom niet alleen door de vingers gezien, maar hadden ze daar zelf ingebracht, vers 7:Gijlieden hebt vreemden ingebracht, onbesnedenen van vleesch, die daarom volgens de wet het heiligdom niet binnen mochten gaan, hetgeen een verbreken van het verbond der besnijdenis was, een omverwerpen van den muur hunner afzondering, en een zich vermengen met de wereld. En toch, als deze vreemden vroom en goed waren geweest, dan zou de misdaad niet zoo groot zijn geweest, al waren zij dan ook niet besneden, maar zij waren ook onbesneden van hart, niet vernederd, niet verbeterd, en vreemd aan God en allen godsdienst. Als zij kwamen om te offeren, brachten zij dezen mede, om een maaltijd te houden van het offer, omdat zij op hun gezelschap gesteld waren, en dat was een van hun gruwelen, waarmee zij Gods heiligdom ontheiligden, het was het heilige den honden geven, Mattheus 7:6. Het toelaten van degenen, die openlijk goddeloos en onheilig zijn tot bijzondere plechtigheden, is eene ontheiliging van Gods heiligdom, en godtergend in hooge mate. b. Dat zij in den dienst des heiligdoms hadden gebruikt, die er niet bevoegd toe waren. Hoewel alleen priesters en Levieten dienst mochten doen in `t heiligdom, toch mogen wij veronderstellen, dat niet alle priesters en Levieten dezen dienst waarnamen, maar die uit hen gekozen waren, namelijk die er het best voor geschikt waren, de wijsten, de ernstigsten, de nauwgezetsten, en van wie men veronderstellen kon, dat zij de heilige dingen het nauwlettendst zouden verzorgen, maar bij het doen van deze keus letten zij niet op verdienste en geschiktheid voor het werk: Gij hebt uzelven eenigen tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom, uit gunst of om voordeel, namelijk dezulken, van wie gij geld hadt gehad, of nog hooptet te ontvangen, of dezulken, die zich naar uwe luimen zouden voegen en de wetten van het heiligdom verwaarloozen om u te behagen, aldus hebt gijlieden de wacht van Mijne heilige dingen niet waargenomen. Indien zij, die de wachters over de heilige dingen hebben te kiezen, met een of ander zelfzuchtig wereldsch oogmerk dezulken kiezen, die ongeschikt en ontrouw zijn, zullen zij te recht beschuldigd worden van verraad tegen de heilige dingen door die in slechte handen te geven.
2. Hij moet hun hun plicht voorhouden, vers 9:Geen vreemde zal in Mijn heiligdom ingaan, voordat hij zich aan de wetten daarvan onderworpen heeft. Maar, opdat niemand denken zal, dat hierdoor de boetvaardige geloovige heidenen uitgesloten worden van de kerk, wordt de vreemde hier beschreven, als een die onbesneden van hart is, die niet in oprechtheid met het verbond instemt, noch de onreinheid des vleesches van zich wegdoet, terwijl de geloovige heidenen b. sneden zijn met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, Colossenzen 2:11. Deze besnijdenis des harten, niet naar de letter maar in den geest, was hetgeen, waarde ongeloovige Joden vreemd aan waren en waar ze onverschillig voor waren, terwijl zij ware ijveraars waren als het er om ging de onbesneden heidenen uit het heiligdom te weren, getuige hun woede tegen Paulus, toen zij hem nog maar verdachten, van Grieken in den tempel te hebben gebracht. Hand 21:28.