2. En hij bracht mij uit door den weg van de Noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten tot de buitenpoort, den weg, die naar het oosten ziet; want daar volgens
Hoofdstuk 44:2 deze poort had moeten gesloten blijven, zo moest, om tot de buitenzijde te komen, zulk een omweg worden gemaakt; en ziet, de wateren, 1) wier loop ik in
Vers 1 #Eze 1 alleen tot den binnensten voorhofsmuur had kunnen opmerken, sprongen uit de rechterzijde van den opgang.
1) De meeste uitleggers komen daarin overeen, dat deze wateren het Evangelie van Christus betekenen, hetwelk van Jeruzalem uitging en zich in de landen daar rondom verspreidde, benevens de gaven en krachten des Geestes, welke hetzelve verzelden en door welke krachten het zich verre uitbreidde en vreemde en gezegende uitwerkingen voortbracht. Ezechiël ging een en andermaal rondom het huis en had tot hiertoe geen acht gegeven op deze wateren; want God maakt Zijnen zin niet in eens aan Zijn volk bekend, maar bij trappen.
Een wateropvang in de onmiddellijke nabijheid van Gods altaren ontsprongen: is het geen treffend beeld van de verborgen bronwel des heils, in Christus der wereld verschenen. Gij merkt het op, niet daar buiten uit de dorre, onvruchtbare aarde, door zondige mensen bewoond, maar daar binnen uit het heiligdom, waarin de Onzichtbare zetelt, borrelt de levensstroom op, die alles besproeien, verkwikken, in een paradijs veranderen zal. Van God gaat het alzo uit, dat nieuwe leven, dat den zondaar even dringend behoeft, als het beloofde land een frissen waterstroom nodig had, en even weinig als dßßr de grond zich zelven het levend water kan schenken, evenmin vindt de zondaar waarachtig leven der ziel buiten persoonlijke gemeenschap met Hem, uit wien leven en licht voor millioenen werelden stromen. Leven uit God, wij behoeven het allen, Gel. om in waarheid gelukkig te zijn; maar wij hebben het allen door onze zonden verloren. Afgescheiden van Hem, zijn wij van nature gelijk geworden aan die beek, die uit de heldere bron geen toevoer van water ontvangt, en nu weldra opdroogt, en verandert in een vunzig moeras, waaruit straks verpeste dampen in alle richtingen opstijgen. Wel weten wij dat het onmogelijk is buiten gemeenschap met den Heilige waarachtigen vrede te smaken, maar ach, de zonde verwijdert ons telkens verder van Hem en drijft ons voort, als het hert vervolgd door onbarmhartige jagers en verteerd door brandenden dorst, de koele bron onnadenkend voorbij snelt, en met iederen tred verder afdoolt en eindelijk in strikken en struiken verward, den wreden jager ten buit wordt. Wel belooft ons de wereld verzadiging voor dien brandenden dorst naar geluk, maar, arme zwervers door hare woestenijen, wat baat het, of wij in hare zanden al graven, en naar nieuwe bronwellen boren? Slijk vinden wij, maar levensvocht niet, en stoten wij al hier of daar op een gebroken bak met wat troebel water gevuld, nauwelijks zetten wij de schaal aan de lippen, of ene stemme Gods klinkt ons tegen: "een iegelijk, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten. " Ja wederom dorsten, dat is uw lot en uw vonnis, o mens, die van de wereld verwacht, wat alleen de hemel kan geven, en in hare tempelen de heilfontein zoekt, die Ezechiël in den tempel Gods zag ontspringen:
Het is hier duidelijk dat Christus de Tempel is, dat Hij de deur is, van wien de wateren uitvloeien; vandaar dat er gezegd wordt dat de wateren niet van boven den grond, maar van onder den dorpel ontspringen, dewijl het leven der gelovigen met Christus verborgen is in God.