5. En de Geest nam mij op (
Ezechiel 3:12,
14;
8:3;
11:1,
24 en bracht mij in het binnenste voorhof, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld.
Wij hebben hier iets dergelijks als de intocht des Heeren in den tabernakel in Exodus 40:34 v. en in den Salomonischen tempel in 1 Koningen 8:10 v. en het tegenovergestelde van Hoofdstuk 11, als de Heere bij `t naderen der Chaldeeuwse katastrofe den tempel verlaat, en wel door dezelfde deur, waardoor Hij hier weer Zijnen intocht houdt. Door de Oostpoort moest de Heere intrekken, omdat deze de hoofdpoort was. Van het Oosten moest Hij ook komen als de opgaande Zon der gerechtigheid, onder Wier vleugelen voor Zijn volk genezing zou zijn (Maleachi 4:2), en als de Opgang uit de hoogte (Lukas 1:78).
De verschijning des Heeren aan Ezechiël moet voor een dubbel, ja een tegenovergesteld doel dienen. Daarin moet God het oordeel van `t uittrekken uit den ouden tempel volvoeren, en ook de genade van het intrekken in den nieuwen tempel openbaren, en het zal toch dezelfde gedaante zijn, tot een teken, dat Hij dezelfde God is, die het een en het ander doet. Daaruit volgt nu, dat de attributen, welke de openbaring Gods bij Ezechiël draagt, tot drie klassen zijn te brengen: zij draagt 1) zulk attributen, welke voor beide bedoelingen, het gericht van den uittocht uit den ouden tempel en de genade van den intocht in den nieuwen tempel, even noodzakelijk zijn. Tot de attributen van deze klasse behoort, dat God Zich openbaart, als die boven de cberubim troont. Zo stond Hij in den tabernakel en in den ouden tempel, en dat Hij daar zo stond, wees aan, dat daar de plaats Zijner genadige tegenwoordigheid was. Zo moest Hij dan ook uit den ouden tempel uittrekken, ten teken, dat daar voortaan niet meer de plaats der tegenwoordigheid van Gods genade zou zijn, en zo moest Hij ook weer in den nieuwen tempel intrekken, tot een teken, dat daar voortaan de plaats van de tegenwoordigheid der goddelijke genade zou zijn. Onze openbaring van God heeft 2) zulke attributen, die alleen voor het doel van het uittrekken dienen, maar die zij ook bij den intocht in den nieuwen tempel behoudt, omdat moet worden aangetoond, dat de intrekkende en de uitgetogene dezelfde Jehova is. Tot de attributen dezer klasse behoort bijv. het vurige der verschijning, de kolen, van welke er over de rampzalige stad worden gestrooid. Eindelijk 3) heeft onze verschijning van God zulke attributen, die alleen tot het doel van den intocht dienen. doch die zij ook bij den uittocht uit den nieuwen tempel heeft, omdat reeds daar moet worden aangetoond, dat die God, die Jeruzalem en Zijn heiligdom moet verlaten, toch een nieuw Jeruzalem en een nieuw heiligdom zal scheppen. En deze attributen zullen, zo als van zelf spreekt, van bijzonder gewicht voor het verstaan der betekenis van den tempel van Ezechiël zijn. Welke die attributen van deze soort zijn, en wat zij willen zeggen, zien wij het best, wanneer wij vergelijken, hoe God bij de inwijding van den tabernakel en van den tempel van Salomo Zijne heerlijkheid toonde en hoe Hij ze hier toont. Daar verscheen Hij in ene wolk, maar hier in vuurglans en in een schijnsel van licht. En niet alleen is hier de verschijning zelf helder licht, maar zij verbreidt ook licht. Hier komt de nadere opmerking te pas, welke het 2de vers geeft, dat het bij deze verschijning helder licht werd op aarde door Zijne heerlijkheid. Toen God in die plaatsen introk, waar Hij gedurende het Oude verbond wilde wonen, was Zijne heerlijkheid door ene wolk omgeven. Maar als Hij in dezen nieuwen tempel zal intrekken, zal het licht worden op aarde door de heerlijkheid des Heeren. Ook niet alleen als vuurzuil of als lichtstroom openbaart zich hier de heerlijkheid van Jehova, maar als persoonlijkheid. Ja God geeft Zich hier als mens te horen en te zien, want de Profeet hoorde in Hoofdstuk 1:24, 26 Zijne stem, als ene stem des Almachtigen en zag op den troon Zijne gedaante, die was als een mens. Op deze persoonlijkheid der openbaring Gods wijst ook op onze plaats de opmerking in Vers 2, dat Zijne stem was als de stem van vele wateren, welke de plaats (Hoofdstuk 1:24) weer opneemt. Verder stemmen de verschijningen Gods bij de inwijding van den Mozaïschen en den Salomonischen tempel aan de ene zijde, en die van Ezechiël aan de andere zijde daarin overeen, dat God op aarde verschijnt, op aarde woning maakt. Ook hier daalt de hemel op de aarde neer. God verschijnt onder Zijne Cherubim op aarde. De Cherubim en de raderen staan op de aarde, en boven hen is het hemelgewelf en daarop de troon; op den troon is God aan te zien als een mens. Maar op geheel andere wijze neemt God hier woning op aarde dan toen. Toen verscheen Hij zelf in de wolk, en liet als teken Zijner tegenwoordigheid niets achter, dan in het allerheilige de arke des verbonds en het verzoendeksel en de cherubs, afbeeldingen van hout. Hier hebben wij niets van ene toerusting van het allerheilige gelezen; van gene verbondskist, geen verzoendeksel, gene cherubsafbeeldingen is sprake geweest. Daarentegen trekt God hier zelf persoonlijk, omgeven door Zijne wezenlijke, levende Cherubim in het allerheilige van dezen tempel. Als God dit heiligdom op aarde zal oprichten, zal Hij zelf, de levende God, persoonlijk met de scharen Zijner persoonlijke engelen en dienaren op aarde niet slechts in `t voorbijgaan verschijnen. En in den tempel van Salomo even als in de arke des verbonds waren de tekenen van Gods tegenwoordigheid staande Cherubim; de cherubsafbeeldingen stonden, want daar was de plaats van Gods genadige tegenwoordigheid aan die plaats gebonden; hier hebben daarentegen de Cherubim alles, aangezichten, vleugels, tot vier toe, en hebben het symbool van eveneens vierledige raderen bij zich, zij zien naar alle vier wereldstreken, zij gaan, vliegen, rollen over de aarde. Wanneer de heerlijkheid Gods op aarde in dit heiligdom woning zal maken, zal zij de plaats harer tegenwoordigheid en de betoning daarvan, de uitstroming van het licht over de gehele aarde, naar alle zijden op economische wijze zoeken en bezitten. Ook daarop wijst ons in Vers 2 de opmerking, dat het op de aarde verlicht werd door de verschijning van God. Den weg om zich in economisch opzicht zo te doen gelden, zal de heerlijkheid Gods met duidelijk vooruitzien op juist doorziene en goed afgemetene wegen zoeken, want lichamen en vleugels der Cherubim, zijden en velgen der raderen zijn met ogen bedekt. En dit economische bereik, dat Gods tegenwoordigheid in dit heiligdom zal hebben, zal een rijk zijn; want in de vier aangezichten der Cherubim, in het verstand van het menselijk aangezicht, in de kracht van den stier, in den koning der woestijn en in den koning der lucht vormt zich de vereniging van die ethische en fysische eigenschappen, die tot oprichting, regering en volmaking van een rijk behoren. Deze toekomstige tegenwoordigheid Gods zal ene tegenwoordigheid der genade zijn, dit rijk zal een rijk der genade wezen; want wanneer in de heiligdommen des Ouden Verbonds het teken van Gods tegenwoordigheid, de arke des Verbonds met de tafelen der wet was, zal daarentegen de verschijning van God, wanneer zij in dit heiligdom intrekt, den regenboog in die betekenis dragen, die daaraan in Genesis 9:12, (vgl. Openbaring :3) gegeven is.
De intocht van de heerlijkheid des Heeren geschiedde eerst na het meten van den tempel en het in ogenschouw nemen van zijne versiering, zo heeft Christus Zijnen discipelen, die hier door den Profeet zijn voorgesteld, het ganse hemelse gebouw door woord en werk getoond (Johannes 17:5), en alles, wat tot opbouwing van dezen geestelijken tempel behoort, is aan het kruis volbracht. De intocht der heerlijkheid van het Oosten af tot verlichting van den tempel geschiedde, toen de Apostelen op het Pinksterfeest met kracht uit de hoogte werden aangedaan .
Men mag echter bij deze eerste en voorlopige vervulling van het gezicht niet blijven staan, maar moet op de gehele verwezenlijking zien, welke eerst dan begint, wanneer Israël tot zulk enen tempel wordt als in `t voorgaande beschreven is. Dat gebouw is een zinnebeeld der geestelijke volkomenheid, der gerechtigheid, wijsheid en heiligheid, welke bij de gemeente der toekomst past: "de juiste maat en plaats, welke ieder deel van het gebouw inneemt, geeft het beeld der gerechtigheid; de harmonische zamenvoeging der delen voor het doel van den godsdienst schenkt het beeld der wijsheid; de juiste onderscheiding van het heilige en onheilige is het beeld der heiligheid, want het goddelijke is juist daardoor heilig, dat het zich van het ongoddelijke onderscheiden houdt, en door de mensen wordt het daardoor geheiligd, dat zij het van het onheilige onderscheiden. " Een volk, dat in gerechtigheid, wijsheid en heiligheid God dient, is de Christenheid, die uit de heidenen is zaamgebracht, nog niet in zulk ene mate geweest, dat de kerk in den tot hiertoe gebruikelijken zin van het woord voor het eigenlijke tot stand brengen van dat gebouw zou kunnen worden genomen. Niet alleen moest Johannes bij den tempel Gods, waarmee hij in Openbaring 1:1, te doen had, alleen het tempelgebouw en het altaar, en die in `t binnenste voorhof aanbidden, meten en tellen, het buitenste voorhof daarentegen ongemeten laten, omdat het den heidenen gegeven is, maar het komt ten laatste zelfs zover, dat de heidenen in het buitenste voorhof het tempelgebouw en het altaar met degenen, die in het binnenste voorhof aanbidden, buiten werpen, en zich van het heiligdom Gods meester maken, om ten laatste de voorzegging van het doden der twee getuigen te vervullen (Openbaring 1:7). Nu blijft het ons nog over, op die gemeente in Openbaring 4:1, te zien, en die hoofdzakelijk bij onze afdeling in ogenschouw te nemen.