8. En de tempel in de hemel (
Vers 5), van welks allerheilige, op het ogenblik, dat de schalen werden overgegeven, de Heere op gelijke wijze bezit nam, als Hij dat eens van het allerheilige in
Exodus 40:34,
1 Koningen 8:10 v. had gedaan, werd vervuld met rook uit de heerlijkheid van God die dat vervulde en uit Zijn kracht (
Jesaja 6:4 Ezechiel 10:4); en niemand kon, evenmin als toen het aardse heiligdom door de ongenaakbare en majestueuze God in bezit werd genomen, in de tempel ingaan, totdat de zeven plagen van de zeven engelen geëindigd waren; want nu zou het woord in
Jesaja 47:3 worden vervuld: "Ik zal wraak nemen en Ik zal op u niet aanvallen als een mens. "
De kleding van wit lijnwaad stelt de engelen voor als priesters, die zich gereed maken tot het verrichten van een offer. Zij hebben te doen met een wereld, die door haar afval van het Lam van God verder geen ander offer heeft voor de zonde en nu onder de 7 toornschalen zelf valt als offer van de bezoekende gerechtigheid van God. Als zij verder gouden gordels om de borst dragen, geeft hun dit het uiterlijk van rust, van iets plechtigs, zoals dat dienaren en volvoerders van het recht van de almachtige God betaamt; ook zal door het omgorden om de borst hun hart zijn voorgesteld als omsloten en bewaard. In de gerichten, die zij teweeg brengen, zwijgt de stem van medelijden en ontferming en slechts één zaak wordt in het oog gehouden, dat Gods Woord gelijk is aan gelouterd goud en Zich aan allen, die Hem verachten, betoont als volkomen waarheid.
Het symbool van de schalen berust of de plaatsen van het Oude Testament, waarin sprake is van het uitstorten van Gods toorn; de schalen worden beschouwd als vaten, waarmee gemakkelijk en rijkelijk kan worden uitgegoten.
De zeven engelen komen uit de tempel van God als Zijn boden, die Zijn bevelen volvoeren; zij hebben reeds de zeven plagen, omdat de ziener (Hoofdstuk 15:1) ze reeds heeft aangewezen. Deze engelen worden voorgesteld als met priesterlijk gewaad bekleed; zij dragen reine, blinkend witte kleren, die door een gouden gordel om de borst, zoals de priesterlijke dos van Aäron, bijeengehouden worden. Zij waren zo juist met priesterlijk werk onledig. Zij brengen het gebed van de martelaren in vervulling, omdat door hun toornschalen de moordenaars van de heiligen worden gedood en er zo meteen een dadelijke voldoening plaats heeft, omdat het bloed van de martelaars om wraak schreit. Het bloed wordt weliswaar ten dele ten tijde van de schalen zelf vergoten, maar dan ook onmiddellijk gewroken, zoals wij in de derde toornschaal zien.
Nu wordt de zuiver geestelijke zending van de zeven engelen door een voorwerp uit de schepping verzinnelijkt, door de gouden schalen vol van de ijver van de levende God. Deze schalen zijn een tegenbeeld van de gouden schalen, waarvan de Oudsten zich bedienden, om God hun dank voor Zijn grote weldaden in het rijk van de schepping en in het rijk van de genade toe te brengen. De onverlaten, die door de schalen van de goddelijke ijver getroffen worden, danken niet alleen God niet meer, maar hebben het Christendom sinds lang uit hun harten verbannen en koesteren ook het plan om het officieel af te schaffen en de Enige ware, in de eeuwigheden der eeuwigheden levende God te verloochenen en de mensheid in Zijn plaats te vergoden, de broze kinderen van de stervelingen, die als een schaduw voorbijgaan. Over deze boosaardige versmading van de goddelijke geboden ontbrandt de ijver van de eeuwige Hemelkoning, die de mensheid tot een bruid voor Christus had bestemd (Hoofdstuk 14:10). Evenals de tabernakel ten tijde van Mozes (Exodus 40:34) en de tempel van Salomo bij zijn inwijding vol werd van de rook van de heerlijkheid van de Heere, zodat noch Mozes, noch de priesters konden ingaan, zo wordt ook onder het zinnebeeld van de rook de heerlijkheid en de kracht van de almachtige God bedekt, zodat Zijn ijver niemand verteert, wanneer Hij, zonder te weten, dat de ijver van God is ontbrand, de tempel binnentrad. Pas na de uitstorting van de goddelijke toorn heeft het verkeer met God weer plaats Zes jaarduizenden hebben zich nu van het kluwen van de eeuwigheid afgewonden en Gods werelduurwerk staat op middernacht; de vaten van de toorn zijn rijp voor het gericht en Gods lankmoedigheid is uitgeput; de leugenmachten op aarde worden al stouter en stouter en hebben de zaak van God en al wat of God betrekking heeft, verdraaid en onkenbaar gemaakt; de Christenheid staat op het punt om de eer van God opnieuw de afgoden te geven en weer in het heidendom en vandaar in het antichristendom terug te vallen. Nu zal de Meerdere in macht tussenbeide komen; de tijd van wachten is voorbij; de bliksem van het zwaard van de Rechter is gewet; de bezem van het verderf is tot wegvagen bereid; uitgegoten worden de schalen van de goddelijke vuurijver en verdorven worden de aardverdervers; en de aarde wordt tot een koninkrijk voor Jezus.
De Cherubs zijn de vertegenwoordigers van de aardbewoners, waarover de oordelen van God zullen komen, zoals de engelen uitdrukkelijk in last ontvangen, de schalen van de toorn van God uit te gieten "op de aarde. " De Cherubs hebben dus een onmiddellijk belang bij deze plagen en daarom zijn zij het, die de gouden schalen aan de engelen ter hand stellen. Uit die schalen wordt de toorn van God uitgegoten. Het is in het Oude Verbond een zeer gewone uitdrukking, dat de toorn van de Heere wordt uitgestort, bijzonder over de Heidenen, waardoor het stromende, het onweerstaanbare en ontzettende wordt afgeschilderd van de oordelen van God, die daarom ook met een plasregen worden vergeleken, terwijl een zacht druppelende regen of verfrissende dauw, beelden zijn van het liefelijke van de zegeningen van de Heere. Het goud van de schalen is een beeld van het rechtvaardige van deze plagen, die te rechtvaardiger zijn omdat God gesproken heeft: "Ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid. Als Ik mijn glinsterend zwaard wet en Mijn hand ten gerichte grijpt, dan zal Ik de wraak op Mijn tegenpartijen doen weerkeren en Mijn hateren vergelden. Ja, het is vreselijk, te vallen in handen van de levende God en ieder die deze woorden leest, ziet toe, dat hij niet wandelt op het pad van de goddelozen, want daar is geen vrede, maar wordt eenmaal de schaal uitgegoten! Waar vuur is, daar is rook. De zeven schalen zijn vol van de vuurgloed van de goddelijke toorn en waar de Heere Zich in de luister van Zijn heerlijkheid openbaart, daar is de tempel vervuld met rook. Toen God Zijn wet afkondigde was de hele berg in rook gehuld, om Israël toe te roepen, dat de Heere een verterend vuur is en dat niemand ontvluchten zal, die Zijn geboden gering heeft geacht. En toen Jesaja de Heere zag, zittend op Zijn troon werd het huis vervuld met rook. Daarom ziet hier Johannes, dat niemand in de tempel kan ingaan; want wanneer God Zich openbaart in de volle luister van Zijn heerlijkheid, dan beeft alle schepsel voor Hem, ja allen, niet alleen zondigen, maar ook engelen en serafijnen!
De hele omtrek van de heilige plaats, bevattende zowel het huis als het voorhof wordt de tabernakel van de getuigenis genoemd (Exodus 38:21). In het bijzonder wordt de ark, staande in het heilige der heiligen en bevattende de tafels van de wet, die de getuigenis genoemd wordt (Exodus 25:16), vaak de ark van de getuigenis genoemd. Daar was de buitengewone tegenwoordigheid van God, waarom de Heere gezegd wordt tussen de Cherubs te wonen. Naar deze plaats ging het volk van de Heere op tot het getuigenis van Israël, om Hem te dienen naar Zijn geopenbaarde wil en Zijn ingestelde godsdienst (Jesaja 2:3). "Uit Zion zal de wet uitgaan en het woord van de Heere uit Jeruzalem. " Daar verhoorde God de gebeden van Zijn volk; van daar gaf Hij goddelijke antwoorden; van daar zond God Zijn volk hulp toe (Psalm 20:3). "Hij zendt u hulp uit het heiligdom en ondersteunt u uit Zion! " Deze tempel werd in de hemel geopend; door de hemel wordt niet verstaan de derde hemel door het heilige der heiligen voor afgebeeld, ook niet de Kerk op aarde, maar het is de plaats waar Johannes dit gezicht vertoond werd. De hemel moet hier niet samengevoegd worden met tabernakel, alsof er stond de tabernakel in de hemel, maar het wordt samengevoegd met "geopend"; de tabernakel werd geopend in de hemel, om gelegenheid te geven, dat deze engelen uitkwamen; want de engelen kwamen uit de tempel, waarmee te kennen gegeven wordt, dat deze engelen van God kwamen, van God hun last ontvangen hadden, dat God hen zond om de antichrist te plagen. Door de tempel wordt vaak, zo ook hier, de Kerk van God op aarde verstaan in wier midden God woont en wandelt (2 Corinthiërs 6:16). De Kerk, die zich lange tijd in de woestijn had moeten verbergen, kwam in de tijd van de hervorming voor de dag en uit Babel uitgegaan zijnde, vertoonde zij zich openbaar tot groot verdriet van de antichrist. De uitgegane Kerk zou zijn val veroorzaken; iedere plaag kwam van God, die in de Kerk woont door middel en bij gelegenheid van de Kerk en het licht van het Evangelie, dat op hen als op een kandelaar stond, ofschoon het niet allen, door wie de plagen over de antichrist uitgegoten worden, lidmaten van de Kerk mochten zijn. Toen de tabernakel (Exodus 40:34) en de tempel (1 Koningen 8:10) ingewijd werden, werden zij vervuld met een wolk, die wel de tegenwoordigheid van God onder Zijn volk te kennen gaf, maar tevens toonde, dat al de schaduwen de zaak zelf niet waren en dat zij daarom op die dingen niet sterk moesten zien en daarin blijven hangen, maar hier wordt de tempel vervuld niet met een wolk, maar met rook, dat wel een teken is van Gods tegenwoordigheid, maar in ontzaglijkheid en doorgaans een teken van ongenoegen en van Zijn toorn. Toen de Heere Zich in Zijn heerlijkheid en ontzaglijkheid aan Jesaja openbaarde, om hem te zenden met de allerhardste boodschap, werd de tempel vervuld met rook (Jesaja 6). Toen de Heere de wet van Sinaï afkondigde, rookte de berg (Exodus 20:18). Toen de Heere de vijanden vernielde, zei David: "Rook ging op van Zijn neus (Psalm 18:9). Toen God Zijn volk niet verloste op hun gebeden, klaagde de Kerk: "Hoe lang zult U roken tegen het gebed van Uw volk (Psalm 80:5)? " Zo geeft hier de rook te kennen wel de tegenwoordigheid van God in Zijn Kerk, maar in misnoegen over het gedrag van Zijn Kerk, die nu uit Babel verlost was en in waarheid en heiligheid had behoren te blinken, maar vervuld was met allerlei dwalingen en in toorn tegen het antichristendom, hen straffende met verharding van hun harten, zodat zij zich niet bekeerden, de waarheid omhelsden en zich bij de Kerk voegden; ja, dat zij de Kerk haatten en bleven vervolgen. Zo wordt door de rook te kennen gegeven de wanorde, de verwarringen, de dwalingen in de leer en het zondig leven van de lidmaten van binnen en het bestrijden en verdrukken van de Kerk door de antichrist van buiten.
Uit deze vreselijke toebereidselen moeten wij leren, hoe groot en zeker de ellende is van de aanhangers van de antichrist, die zij in hun tegenwoordige weelde te duchten hebben, maar alle godvruchtigen met onophoudelijk zuchten en wensen verhaasten.
Kan niemand de tempel ingaan, zo wordt voor afgebeeld, dat de heiligen vóór het einde aller dingen de oordelen van God niet duidelijk mogen zien. Wij zien hier door een spiegel.
Dit zinnebeeld wordt in de Schrift nooit anders gebruikt dan om de goddelijke heerlijkheid en majesteit van Zijn bijzondere tegenwoordigheid in de Kerk voor te stellen. Ten tijde dat God de vijanden van Zijn Kerk met Zijn oordelen zou vervolgen, zou Hij de duidelijke blijken geven, dat Hij in Zijn Kerk tegenwoordig was en dan zou Hij Zijn geestelijk huis vervullen met rook, zoals Hij daarvan een zichtbaar bewijs heeft gegeven in de reformatie, waarvan de geschiedenis echt gedenkwaardig is, schoon wij nog grotere dingen verwachten.