24. Daarna nam mij de Geest op, gelijk Hij in
Hoofdstuk 8:3,
11:1 mij op de plaatsen had gebracht, waar ik de gezichten zou aanschouwen, en Hij bracht mij in gezicht door den Geest Gods in Chaldea terug tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht, dat ik gezien had, voer van mij op, toen ik weer in mijn huis (
Hoofdstuk 2:1Als de Heere dat doet onder de weggevoerden naar Babel, en door Zijnen Geest het harte van velen dermate verandert, alsof steen in vlees herschapen werd, dan zou druk, ellende en vernedering tot zegen worden, en het zou blijkbaar zijn, dat de Heere onder hen was; van Jeruzalem mocht dan de heerlijkheid des Heeren met den Cherubswagen, welke de vertegenwoordiging der Kerk is, wijken, in Babel zou zij gesticht worden en aldaar uitgebreid; de Heere is aan gene plaats verbonden, Hij woont in het midden van Zijne kerk; van Jeruzalem Zich op een Olijfberg plaatsende, gaf Hij van daar Zijne gemeente als ware het de volvoering van Zijne oordelen te aanschouwen en deed haar zelf als boven ramp en leed verheven zijn. Dat is meermalen de weg des Heeren, Zijn volk en Zijne gunstgenoten kunnen rekenen op Hem, op Zijne goedheid en trouw staat maken; maar zij, die de zonde aankleven, verafschuwt hij ten allen tijde. alzo wordt de stad Gods volvoerd, alzo worden de uitverkorenen door Zijn Woord en Geest ingezameld, en in de gemeente des Heeren gepredikt, dat het noodzakelijk en verkrijgbaar is, door den Heiligen Geest wedergeboren te worden; maar alzo blijkt het dan ook ontwijfelbaar, dat geen zondaar verloren gaat dan door eigen schuld, en dat God zo heilig en rechtvaardig als goedertieren en genadig is. En moesten dan zulke wenken door een iegelijk onzer en vooral door den onbekeerden zondaar niet behartigd worden? Door deze is het, dat de Heere ons den weg des heils laat voorstellen en aanprijzen, door deze arbeidt Hij aan onze zielen en dringt er ten krachtigste op aan, dat wij bedenken en betrachten zouden, wat tot onzen eeuwigen vrede dient. O, dat wij dan wijs waren, wij zouden dit vernemen en op ons einde merken. O Heere! leer Gij ons Uwen weg en verenig onze harten tot de vrees van Uwen naam.