Ezechiël 11:1-13
Wij hebben hier
I. De grote gerustheid van Juda's vorsten, ondanks de oordelen Gods, die hen troffen. De profeet werd in een gezicht gevoerd naar de poort des tempels, waar de vorsten beraadslaagden over de belangrijkste zaken in de stad. "De Geest hief mij op en bracht mij tot de Oostpoort van het huis des Heeren, welke oostwaarts ziet, en zie, aan de deur van de poort waren vijf en twintig mannen." Zie, hoe onderdanig de profeet is aan de bevelen des Geestes, en hoe opmerkzaam om alle openbaring nauwlettend op te nemen. Het schijnt, dat deze vijf en twintig mannen niet dezelfde zijn, die hij aan de deur des tempels zag, en die zich nederbogen naar het oosten voor de zon, hoofdst. 8:16. Genen schijnen priesters of levieten te zijn geweest, want zij waren tussen het voorhuis en het altaar, maar deze waren vorsten, "zittende aan de poort van het huis des Heeren, om gericht te houden", Jeremia 26:10. Zij worden hier niet beschuldigd van bederf in hun godsverering, maar van bederf in hun regering. Twee van hen worden met name genoemd, omdat zij de werkzame leiders waren, en misschien omdat de profeet hen kende, hoewel hij enige jaren afwezig was geweest, Pelatja en Jaäzánja, niet die, waarvan sprake is in hoofdst. 8:11, want die was de zoon van Safan, en deze de zoon van Azur. Sommigen beweren, dat Jeruzalem in vier en twintig wachten was verdeeld, en dat deze de oversten of oudsten aller wachters waren, met de president, die boven allen stond. Let nu hierop,
1. De algemene aanklacht van deze mannen voor de profeet, vers 2 : " Dezen zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, onder voorwendsel van maatregelen te beramen voor de publieke veiligheid, stijven zij het volk in hun zonden en ondermijnen de vrees voor Gods oordelen, waarmee de profeten het dreigden. Zij raden kwade raad in deze stad, de leider ophitsende om de profeten te weerstaan en hun het zwijgen op te leggen, tegen de koning van Babel op te staan, en te besluiten de stad ten uiterste toe te verdedigen." Zie, het staat slecht met een volk, wanneer de dingen, die tot hun vrede dienen, verborgen zijn van de ogen dergenen, die met raad moeten dienen. En, wanneer het kwaad gedaan is, dan weet God, wie het te wijten, en in de dag van openbaarheid en vergelding, zal Hij er de schuldigen voor straffen en zeggen: "Dit zijn de mannen, die het kwaad bedachten, ofschoon zij grote mannen zijn en voor wijze mannen doorgaan en niet tegengesproken of nagegaan willen worden."
2. De bijzondere beschuldiging tegen hen ingebracht, ten bewijze hunner misdaad. Zij worden beticht van woorden, gesproken in hun rechtbanken, waarvan Hij, die in de vergadering van de machtigen staat, kennis genomen heeft, vers 3. Zij hadden gezegd: Het is niet nabij, de verwoesting van onze stad, waarmee de profeten al zo dikwijls gedreigd hebben, is niet nabij, niet zo nabij als zij beweren. Zij hebben een groten afkeer van alle hervorming en gevoelen toch, dat die ten laatste komen moet. Maar zij hebben zo'n goeden dunk van Gods geduld (al hebben ze het langen tijd misbruikt), dat zij graag aannemen: die hervorming kan nog wel wat uitblijven. Zie, wanneer Satan de mens niet kan wijs maken, dat het toekomend oordeel twijfelachtig en onzeker is, dan tracht hij hem toch te beduiden, dat het nog lang niet aanstaande is, zo verliest het zijne klem op de consciëntie. Wanneer het zeker komt, dan toch nog niet zo spoedig, zeker, het is niet nabij, terwijl in werkelijkheid "de Rechter aan de deur staat." Welnu, indien de verwoesting nog zo ver weg ligt, "laat ons dan huizen bouwen, wij hebben al de tijd, want deze stad is de pot en wij zijn het vlees." Dit schijnt een spreekwijze te zijn, die zeggen wil: "Wij zijn in deze stad even veilig als vlees in een pot, de muren van de stad zijn voor ons als koperen muren en zullen van de belegeraars even weinig te lijden hebben als de pot van het vuur er onder. Zij, die ons uit de stad willen tronen om gevangen genomen te worden, zullen zien, dat zulks even gevaarlijk is als met de handen kokend vlees uit een pot te nemen." Dit schijnt de betekenis te zijn, afgeleid van het antwoord dat God geeft, vers 9, "Ik zal ulieden uit het midden van haar doen uitgaan, waar gij u veilig waant, en dan zal het blijken, dat dit geen pot is en gij het vlees niet zijt", vers 11. Misschien heeft het betrekking op het vlees van het spijsoffer, het was een grote zonde van de priesters het uit de kokenden pot te nemen (wat wij lezen in 1 Samuël 2:13, 14), en dan wil het zeggen, dat zij zich te veiliger achtten, omdat Jeruzalem de heilige stad was en zij het heilige volk daarin waren, dat geen vreemdeling kon overmogen. Sommigen menen, dat het scherts was met het oog op Jeremia, die in een van zijn eerste gezichten Jeruzalem voorgesteld zag door "een ziedenden pot," Jeremia 1:13. "Nu", zeggen zij dan, om dat woord bespottelijk te maken, indien Jeruzalem een ziedende pot is, dan zijn wij het vlees daarin, en wie durft het ons dan lastig maken?" Zo bleven zij de boodschappen des Heeren bespotten, zelfs terwijl zij ervoor bestraft werden, "maar nu dan, drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden," Jesaja 28:22. Die harten zijn inderdaad hard, die door de waarschuwende woorden Gods in hun valse zekerheid nog gestijfd worden.
II. De wijze, waarop wij uit die gerustheid gewekt worden. Men zou denken, dat Gods bezoekingen genoeg waren om hen te verschrikken, maar om zulken daartoe te brengen, moet ook Zijn Woord in waarschuwing tot hen komen, vers 4. Daarom profeteer tegen hen, tracht hen te ontgoochelen, profeteer, o mensenkind, over deze dode, dorre beenderen. Zie, de grootste dienst, die predikers aan zo zekere zondaren kunnen bewijzen, is: tegen hen te prediken en hun hun ellende en gevaar voor ogen te stellen, hoe onwillig zij ook zijn om ze te zien. Wij handelen dan het meest in hun voordeel, wanneer wij hun tegenstanders schijnen. Maar daar de profeet niet wist wat te zeggen tot zulke in het kwaad verharde zondaars, die Gods oordelen hoonden, viel de Geest des Heeren op hem, om hem met moed en kracht te vervullen, en zei tot hem: Spreekt Zie, wanneer zondaren zich vleien, dat ze hun eigen ondergang zullen ontgaan, dan is het tijd om te spreken en hun voor te houden, dat zij, zo voortgaande, zullen omkomen. Predikers zijn soms zo beschroomd en vreesachtig, en zo onbeslist, dat zij nodig hebben, tot spreken aangespoord te worden en dat onbeschroomd. Hij, die de profeet beveelt te spreken, geeft hem ook op wat hij spreken moet, hij moet allereerst spreken tot het huis Israëls, vers 5, en daarom heeft de God Israëls ermede te doen. Hij is vriendelijk en waarschuwt. Zij hebben die waarschuwing aan te nemen en hem te gehoorzamen. En wat moet hij hun in de naam Gods gaan verkondigen?
1. Laat hen weten, dat de God des hemels acht slaat op hun ijdel vertrouwen, waarop zij steunen, vers 5, Ik weet elkeen van de dingen, die in uw geest opklimmen, welke verborgen redenen gij hebt voor uw besluiten, en wat gij bedoelt met zo'n schoon gelaat te tonen in zo'n kwade zaak. Zie, God weet volkomenlijk, niet alleen wat uit onze mond uitgaat, maar evenzeer wat in ons hart omgaat, niet alleen wat wij zeggen, maar zelfs wat wij denken, zelfs die gedachten, die het onverwachtst in onze geest opkomen en die wij even onbedacht uitspreken, zodat wij zelf er nauwelijks bewust van zijn, God kent ze en wist ze reeds te voren. Hij kent ons beter de wij ons zelf kennen: Hij kent van verre onze gedachten. Dit te bedenken moest ons er toe leiden, onze harten met alle naarstigheid te bewaren, opdat er geen ijdele gedachten in opkomen en zich er nestelen.
2. Laat hen, die het volk raden, stout tegen Gods oordelen in te gaan, weten, dat zij voor God gerekend worden de moordenaars van de gevallenen en dergenen, die nog zullen vallen, namelijk in Jeruzalem, door het zwaard van de Chaldeën. De reeds verslagenen zijn de enkelen dat "in de stad zouden blijven", als het vlees in de pot. Gij hebt Uw verslagenen in de stad vermenigvuldigd, niet alleen degenen, die gij door het zwaard van de gerechtigheid onrechtmatig hebt gedood, onder bescherming van de wet maar ook degenen, die gij door uw eigenwilligheid en hoogmoed aan het oorlogszwaard hebt prijsgegeven, ofschoon hun door de profeten was voorzegd, dat het hun zeer kwalijk gaan zou. Zo hebt gij met uw hardnekkig gemoed, de straten van Jeruzalem met uw verslagenen vervuld, vers 6. Zie, zij, die of onrechtvaardig of onvoorzichtig een oorlog beginnen of voortzetten, brengen een grote bloedschuld over zich, en degenen, die in veldslagen of belegeringen sneuvelen, wanneer een eervolle vrede aan het bloedvergieten een eind had kunnen maken, zullen hun verslagenen genoemd worden. Deze verslagenen nu zijn het enige vlees dat in de pot gelaten wordt, vers 7. Niemand zal overblijven om bezit van de stad te nemen, dan die er in begraven worden. Er zullen in Jeruzalem geen inwoners zijn dan de bewoners van de graven, geen vrijen dan die de dood van alle aardse ellende bevrijd heeft.
3. Laat hen weten, dat zij, hoe onneembaar zij hun stad ook geacht hebben, eruit verdreven zullen worden, of op de vlucht gejaagd of in gevangenschap gezonden: Ik zal ulieden uit haar midden doen uitgaan, of gij wilt of niet, vers 7, 9. Zij hadden God getergd, de stad te verzaken, en meenden door eigen overleg en kracht ze nu wel te kunnen behouden, maar God zal hun bekend maken, dat er geen vrede is voor degenen, die hun God hebben verlaten. Indien zij door hun zonden God uit Zijn Huis hebben verdreven, dan zal Hij door Zijn oordelen hen weldra uit het hun verdrijven, en men zal bevinden, dat zij, die zich het veiligst wanen, het grootste gevaar lopen. "Deze stad zal ulieden niet zijn tot een pot, noch zij het vlees, " gij zult er niet in blijven noch in uw eigen huis sterven, zoals gij u zelf belooft, gij waant u veilig in haar midden, maar gij zult daar niet lang meer zijn.
4. Laat hen weten, dat, wanneer God hen uit het midden van Jeruzalem heeft weggevoerd, Hij hen met Zijn oordelen zal vervolgen, waarheen zij ook vluchten, oordelen, waartegen zij zich in de stad veilig achten. Zij vreesden het zwaard, zo zij tot de Chaldeën uitgingen, en wilden daarom in hun pot blijven, maar, zegt God, Ik zal het zwaard over u brengen. vers 8, en gij zult door het zwaard vallen, vers 10, Zie, de vreze des goddelozen, die zal hem overkomen. En er is geen beschutting tegen Gods oordelen, wanneer die komen, zelfs niet binnen koperen muren. Zij durfden de barmhartigheid van vreemden niet vertrouwen. Maar God zegt: "Ik zal u overgeven in de hand des vreemden, wier wraak gij zult ondervinden, nu gij hun barmhartigheid niet vertrouwd hebt". Zie Jeremia 38:17, 18. Zij trachtten de oordelen Gods te ontsnappen, maar God zegt, dat Hij recht onder hen zal doen. Terwijl zij besloten, dat, zo zij geoordeeld moesten worden, het in Jeruzalem zou zijn, zegt God hun, vers 10-11, dat Hij hen in de landpale Israëls zal richten, hetgeen vervuld werd, toen Nebukadnezar alle edelen van Juda te Ribla in het land van Hamath, aan de uiterste grens van Kanaän, doodde. Zie, degenen, die zich in hun woonplaats diep vastgeworteld hebben, kunnen niet zeker zijn, dat zij daar ook sterven zullen.
5. Laat hen weten, dat dit alles hun overkomt om hun zonden, en de openbaring is van Gods rechtvaardig oordeel over hen. Zij zullen weten, dat Ik de Heere ben, vers 10, 12. Zij zullen door het zwaard des Heeren ervaren, die niet door Zijn Woord wilden onderricht worden, hoe Hij de zonde haat, en hoe vreselijk het is voor onboetvaardige zondaars, in Zijn handen te vallen. Ik zal oordelen uitrichten, en dan zult gijlieden weten, dat Ik de Heere ben, want de Heere wordt bekend door de oordelen, welke Hij brengt over degenen, die niet gewandeld hebben in Zijn inzettingen. Hierbij zal bekend worden, dat Hij Zijn wet gegeven heeft, als Hij de overtreders dier wet straft. Ik zal u richten, omdat gij in Mijne inzettingen niet hebt gewandeld, zegt God, vers 12. Zie, de volbrenging van de inzettingen van `s Heeren mond in gestadige en stipte gehoorzaamheid is de enige weg om de volvoering van de oordelen Zijns monds te voorkomen, zodat geen ellende en verwoesting ons treft. Het een of het ander, Gods inzettingen moeten gehouden worden, de wet volbracht, of straf is onvermijdelijk. Indien wij Gode niet de ere geven door Zijn geboden te onderhouden, dan zal Hij Zijn eigen eer handhaven, door volvoering van de bedreigde oordelen. Zo zullen wij weten, dat Hij de Heere, de souvereine God is, die niet met zich laat spotten. En merk op, "als zij Gods rechten niet deden, dan handelden zij naar de rechten van de heidenen, die rondom hen waren, en namen in hun godsdienst al de onreine, belachelijke en barbaarse gebruiken op, die de heidenen hadden". Wanneer de mens de vaste regel van Gods inzettingen verlaat, dan dwaalt hij eindeloos. Terecht wordt gezegd, dat zij Gods rechten zouden doen, opdat zij niet deden van die gruwelijke inzettingen van de heidenen, Leviticus 18:30.
III. Dit wakker schuddende woord wordt terstond gevolgd door een wakker schuddende daad, vers 13. Hier kunnen wij opmerken
1. Met wat macht Ezechiël profeteerde, of liever, met wat machtsbetoon zijn woord gepaard ging: Het geschiedde nu, als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf . Hij wordt, vers 6, genoemd als een voornaam man onder de vijf-en-twintig vorsten, die al het kwaad in Jeruzalem deden. Naar het schijnt geschiedt zulks alleen in het gezicht, gelijk de slachting van de ouden, Hoofdstuk 9:6, bij welke gelegenheid Ezechiël bad, gelijk hij hier weer doet, omdat het was de verzekering, dat, wanneer deze profetie zou verkondigd worden, die dood inderdaad zou plaatsgrijpen. Het sterven van Pelatja toonde de ernst van de profetische bedreigingen. Zie, het behaagt Gode soms enkele zondaars te verkiezen om hen tot toonbeelden van Zijn gerechtigheid te stellen en anderen te waarschuwen voor wat komen zal. Sommigen, die zich veilig wanen, worden plotseling weggerukt en sterven in een ogenblik, gelijk bijvoorbeeld Ananias en Saffira, die aan Petrus' voeten dood neervielen.
2. Met wat medelijden Ezechiël bad. Al was Pelatja's dood een bevestiging van Ezechiëls profetie, en inderdaad een handhaving van zijn ambt, toch ging hem dat oordeel zeer ter harte als ware hij Pelatja's vriend of bloedverwant geweest. "Hij viel neer op zijn aangezicht en riep met luider stemme: Ach, Heere, Heere! zult Gij ganselijk een voleinding maken met het overblijfsel van Israël?" Velen zijn weggerukt door de oordelen, die ons getroffen hebben, zullen de overigen, die aan het gevaar ontkomen zijn, dus onmiddellijk door de hand des Hemels sterven? Dan zult Gij inderdaad een voleinding maken. Het was misschien een zwakheid in Ezechiël, de dood van deze goddeloze vorst dus te bewenen, zoals het in Samuël een zwakheid was, om Saul leed te dragen, die God verworpen had. Maar toch toonde hij op deze wijze, hoe weinig hij verlangde naar de dag van wee, die hij voorspelde. David treurde om de ziekte dergenen, die hem haatten en vervolgden. En zo behoren wij bedroefd te zijn om de plotselinge dood van anderen, al zijn ze ook goddelozen.