14. Toen hief de Geest mij op, en nam mij weg, en Ik ging henen, bitterlijk bedroefd door de hitte mijns geestes 1); maar de hand des HEEREN was sterk op mij.
1) De Profeet bevindt zich, als Gods macht hem op de plaats zijner bestemming brengt, in ene eigenaardige stemming. Door twee uitdrukkingen, "bitter" en "hitte des geestes" wordt deze stemming uitgedrukt, zowel bitterheid en treurigheid als toorn en ontevredenheid zijn in hem, en wel beide opwellingen te zamen; hij is in ontevredenheid treurig. Wat dezen storm van droefheid in hem opwekt, is zeker de hem voor ogen gestelde zonde van Israël, de hem getoonde oordelen over het volk, de moeilijkheid en vruchteloosheid der hem opgedragene roeping, alles met elkaar maakt hem treurig en moedeloos, dat hij zeker niet in staat is zijn werk aan te vangen, en het hem gaat als Mozes, Jesaja en Jona, als zij worden geroepen. Maar dezelfde hand en macht Gods, die hem op de plaats van zijn werk zet, houdt hem ook met vaste kracht in dezen inwendigen strijd.
Wij moeten vol van Gods toorn zijn over de zonde, vooral waar zij reeds straf, oordeel der verharding geworden is; maar ons gevoel tegenover de zonde kan om de liefde tot de mensen slechts smart zijn, als bij Ezechiël, of treurigheid, wanneer men alzo den melancholischen lijdzamen Jeremia (Jeremia 6:11) van den cholerischen energischen Ezechiël wil onderscheiden. De dienaar Gods, die de laatste gevoelens naar karakter en omstandigheden niet in zich vond, moest tot nadenken komen, en leed over zich zelven dragen. Toorn zonder liefde is van den duivel en niet van God, even als ene liefde, die niet kan toornig worden, alleen natuur en menselijke zwakheid is. Dit nu is gemakkelijk over te brengen, (n. l. met hetgeen vroeger gezegd, dat de rol hem zoet was als honing). De Profeet toch was niet geheel ontbloot van alle gevoel. Ofschoon hij zich geheel aan God gewijd had en niets in ijver en opgewektheid had verzuimd, had hij toch nog iets menselijks behouden. Vandaar de bitterheid des geestes waarvan hij spreekt, die hij daarom zijn geest noemt. Waar er een stilzwijgende tegenstelling schijnt te zijn tussen die beweging, waardoor hij was weggevoerd en tussen het gevolg, werd hij wel niet geheel bedorven, maar was hij toch verre af van de genade des Geestes, dewijl de Profeet zo door ijverzucht verteerd werd dat hij bijna de bevelen Gods vergat, die hij op zich genomen had.
Hebreeën : "bitter in de verhitting mijns geestes. " Toen de profetische verrukking geëindigd was, en Ezechiël inzag wat last hem op den schouder werd gelegd, werd hij bedroefd en neerslachtig; het boek, dat aan Johannes te eten gegeven werd, was wel zoet in zijnen mond, maar bitter in den buik.