5. a) En daar zal geen nacht zijn en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heere God verlicht hen (
Hoofdstuk 21:26), en zij zullen als koningen heersen over alles, waarover God heerst, in alle eeuwigheid, in de eeuwigheden der eeuwigheden.
a) Jesaja 60:19 Zacharia 14:7
Met het "daar zal geen nacht zijn" wordt wel herhaald wat vroeger gezegd is, maar terwijl in Hoofdstuk 21:25 daardoor werd bevestigd, dat de poorten niet werden gesloten, moet hier worden gezegd, dat het heilige leven en de zalige godsdienst van de bewoners van de stad geen afbreking meer toelaat. Het leven in de wereld is een eeuwige dag, waarop geen nacht meer volgt; daar de reden, waarom er geen nacht meer is, is dat God over haar licht (Hoofdstuk 21:11, 22 v.).
"Zij zullen heersen van eeuwigheid tot eeuwigheid" de vraag: "als de bewoners van de stad enkel koningen zijn, waar zijn dan de onderdanen? " is ontstaan door misverstand van het woord. Heersen, regeren, wil niet zeggen, dat zij over iemand regeren, over anderen hun heerschappij uitoefenen; er wordt een toestand, geen werkzaamheid door beschreven. Zij zijn nu na overwinning van alle vijanden de overwinnaars en hebben aan de heerschappij over de zonde en het rijk van de duisternis het heerlijkste aandeel. Wat de satan en de wereld hun bestreed, dat hebben zij nu en genieten zij in koninklijke rust, in het bezit van de volste macht; in die volste mate is dan het woord van de profetie in Jesaja 32:17 v. vervuld.
Wie zou niet graag in deze heilige en heerlijke stad ingaan? Wie zou daar niet graag in zijn? Bengel zegt: "Nu kan men nog een gezegend lot verkrijgen, als men de heilloze wereld de rug wil toekeren en haar vorst de dienst wil opzeggen. Het is om een goed en snel besluit te doen onder de beweging van de genade. Maar die zijn aangezicht reeds heeft vastgemaakt om naar dit Jeruzalem te gaan, die blijft daarbij en laat zich over de weg van het leven niet op een dwaalspoor leiden.
Ik ben blij, dat ik de stad heb gezien en zonder moe te worden wil ik daarheen gaan en haar heldere, gouden straten mijn hele leven niet uit het oog verliezen.
De rivier (Vers 1), die uit een altijd vloeiende fontein voortspruit, is een zinnebeeld van de genade en gaven van de Heilige Geest; want die Geest is in de huishouding van de genade de springader van ware vreugde en vertroosting (Romeinen 14:17), waar de volheid is van het geestelijk leven. Die Zijn genade begeren worden gezegd te dorsten, zoals zij, die een rijke mate van die vreugde genieten gezegd worden te drinken uit de fontein van het heil (Jesaja 12:3). Het woord van de vertroosting, zowel als alle gaven van de Heilige Geest is zuiver, klaar en onvermengd in de eeuwige grondwaarheden. Het wordt gezegd voort te vloeien uit de fontein, die voortkomt van onder de troon; want het woord van de zaligheid, met genade en troost en overvloedige aanwas van gaven gepaard, vloeit uit Christus voort, die gezeten is aan de rechterhand van God de Vader. De boom des levens (Vers 2) betekent Jezus Christus, die door Zijn dood en gehoorzaamheid de oorzaak van het leven en van de zaligheid voor de arme zondaar is geworden. Die boom stond in het midden van de straat, omdat de genade van Christus en van de Heilige Geest voornamelijk is in de vergadering van de gelovigen, terwijl de kracht van `s Heilands gehoorzaamheid altijd vers is als de vruchten, terwijl de voorbeelden van Zijn deugden en werken, de bladeren (Psalm 1:3) alle volkeren van de aarde tot geestelijke artsenij en eeuwige zaligheid strekken. Onder het Oude Testament was een grote afval van de Joden van God, die aan het oordeel van de vervloeking zijn overgegeven, die de wet bedreigde; deze heilige stad geniet Gods gestadige tegenwoordigheid. Zij zijn in alles Hem gehoorzaam en door Zijn heerlijkheid bestraald, zoals dat de spreekwijze "het aangezicht van de koning zien" betekent (2 Samuël 14:24-32 Mattheus 18:20 vgl. Johannes 4:14, 15); als vrijgemaakten van de Heere dragen zij Zijn naam op hun voorhoofden (Hoofdstuk 14:1). Vóór de tijden van Jezus Christus was het nacht. Hij bracht als de Zon van de gerechtigheid het licht aan (Jesaja 60:1 Zacharia 14:7 Maleachi 4:1). Het licht was met nieuwe duisternis bezwalkt en zo was het aangezicht aller volken weer bewonden (Jesaja 25:7). Maar het licht van kennis en geleerdheid in geestelijke zaken, gepaard met godsvrucht en heerlijkheid van de Heere zou de hele wereld bestralen en de rede en zuivere Christelijke godsdienst met alle glans en heerlijkheid door de volken erkend en met blakende ijver gevierd worden; en de deelgenoten van die grote voorrechten zouden in alle eeuwigheid heersen. Het koninkrijk van Christus is eeuwig (2 Petrus 1:11).
De hele beschrijving van de hemelstad wel overwogen, dient men te geloven, dat zij in haar volheid alleen overeenkomt met de zegepralende en verheerlijkte Kerk in de hemel en dat de kracht van het zinnebeeld verdwijnt, als het op de Kerk op aarde wordt toegepast. Het geluk van de hemel zal onbeneveld zijn. Is die nevel uit u, mijn broeder! of is hij uit de dingen zelf, die u vóór u ziet: die wonderbare nevel, die, op de schoonste zomerdag, het liefelijkst toneel van Gods aardse schepping langzamerhand voor u betrekken kan, als uw oog er lang op rulst en uw hart altijd meer, meer nog zou willen genieten van de liefelijkheid van de plaats en het geluk van het ogenblik, maar voelt dat er grenzen zijn, stoornissen, inmengsels, die het u beletten? Zie, al wat uw ogen aanschouwen is schoon, is bloeiend, is lachend, ademt vrede en stil genoegen, bij deze heldere zonneschijn; en uw hart wordt weemoedig! Waarom? Is het omdat u vreest dat deze blauwe hemel plotseling betrekken, zwart van wolken worden zal; de hagel deze veldvruchten vernielen, de bliksem dit geboomte schenden? Is het omdat u weet dat in het gindse herenhuis zo vrolijk schitterende in het zonlicht, dat onder het gindse rietendak zo aardig wegduikende in het lommer, geleden wordt, veel geleden, op het ziekbed, onder het weduwkleed, bij het wiegje van een kwijnend kind? Of is het omdat de lachende natuur met uw eigen verborgen hartzeer de spot schijnt te drijven? Is het omdat, te midden van dit schoon en vreedzaam toneel een stem in uw hart wakker wordt, die fluistert en zegt: dit alles is heerlijk, is liefelijk, is eenstemmig; maar hier binnen is wanklank, bezoedeling, onrust en u o mens! die van deze schone schepping van God het schoonste sieraad wezen moest, u bent het, u alleen, die haar ontsiert. Ach mijn broeder! wat zou het toch zijn, dat wij, die het ongeluk niet kunnen verdragen, het geluk niet durven genieten? Wat is het toch, dat die koning van Samos bewoog, omdat alles, alles hem meeliep, een kostbare ring weg te werpen in de zee; en wat deed hem sidderen als hem ook die werd teruggebracht? Van waar dat ook wij het zo menigmaal moeten horen: ik vreesde; want ik was al te gelukkig. Wat is het toch, dat ons aan onze helderste hemel doet zoeken naar een wolk en ons hart zo onrustig kan doen kloppen, als wij haar niet vinden. Is het niet dat ons gemoed voor het volkomen geluk nog even ongeschikt is, als het volkomen geluk dienstig zijn zou voor ons gemoed? Is het niet, dat niet slechts het Paradijs rondom ons geschonden, maar binnen in ons verwoest is? Is het niet, dat op deze aardse tonelen, dat of dit aardse leven, dat op deze ziel voor zoveel zij nog aan de eerste kleeft, de vloek, de ban, het vonnis drukt, die de zonde over alles gehaald heeft, wat wij met handen of ogen aanraken? Is het niet dat, waar Gods barmhartigheid in duizend, duizend zegeningen roemt tegen het oordeel, ons hart nochtans, het schuldig hart in ons binnenste, het oordeel doorzet en het vonnis strijken blijft? Ja, al is voor de ziel, die haar Verlosser gevonden heeft, het oordeel opgeheven, het is nochtans niet opgeheven van allen en alles; en ook voor haar nog niet in al zijn gevolgen, zolang het louteringsgeding van het aardse leven nog niet geheel ten einde gebracht is? Voel dit, o mens! voel dit, gelovig Christen! voel dit in uw schoonste ogenblikken, opdat u voelen mag wat het zegt: daar is ook een onbeneveld geluk; opdat u mag opklimmen tot het denkbeeld, opdat u mag komen tot de betekenis van deze trek in de zinrijke schets van het hemels Jeruzalem: geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; dat wil zeggen: Weggenomen is de ban; opgeheven is het vonnis; onmogelijk de vrees; het genieten staat vrij; volkomen is het genot. Geen vervloeking meer tegen iemand. Geen zonde meer, die inwendige vloek. Het geluk van de hemel is het geluk van de zaligheid. De naam van de Heiligen (het schitterend sieraad van de tulband van de Hogepriesters in het aards Jeruzalem) mag op het voorhoofd van de burgers van de hemelsen blinken. Allen zijn zij priesters, niet slechts naar het ambt, maar door het inwendig wezen. Niet slechts geheiligd, heilig zijn zij. Wie zal het geluk van de heiligheid schetsen? Hier werd een engel vereist, een uit die schare, die van hetgeen zondaren doet sidderen, zijn blijdste lofzang maakt, altijd aanheffend: Heilig, heilig, heilig is de Heere! Ook zelf deze lofzang zonder enig inmengsel van huivering te kunnen aanheffen; in het licht, dat van Gods troon straalt, zich te vertonen, zich te bewegen zonder vrees, ofschoon wetend dat men door allen gekend wordt, zoals men zelf kent; in zichzelf te kunnen afdalen zonder afschuw of schrik; het hele bestaan een onafgebroken heilig handelen, heilig spreken, heilig denken, heilig gevoelen; en niets, o niets meer van dat aanhangende kwade, waar men het goede wil. O zozeer ons nu het gevoel van de zonde drukt, bedroeft, pijnigt, beschaamt; naar de mate, waarin wij onszelf kennen, onszelf verfoeien en het bejammeren dat de smet van de zonde tot alles doordringt, onze beste werken bezoedelt, onze beste ogenblikken bederft: naar die mate kunnen wij voelen, wat het geluk van de heiligheid wezen moet. En ook naarmate wij onze God en onze Heiland liefhebben en met smart ondervinden, hoe weinig die mens voor Hem wezen kan, die zelfs niet een heilig gebed, niet één enkele onbezoedelde uitboezeming van lof en dank tot Hem kan opzenden, of uit liefde tot Hem, in volkomen reinheid een enkele liefdedienst aan een broeder bewijzen. Liefde en heiligheid zijn een en onscheidbaar. Het geluk van de hemelen is het geluk van de liefde. Dit geluk is ons op aarde niet ten enenmale onbekend. Het is groot er naarmate onze liefde zuiverder is, belangelozer en een edeler voorwerp heeft. De schoonste, de reinste liefde, na die voor God zelf, is de liefde voor de goeden, de reinen, de heiligen, die Gods kinderen genoemd worden. Met deze te verkeren, deze te eren, door deze bemind te worden zoals men hen bemint, zich door hun voorbeeld aangevuurd te voelen en iets te kunnen toebrengen tot bevordering van hun genoegen of zaligheid, is de hemel op aarde. Ja! maar op aarde, niet ongestoord, niet onvermengd, niet onbeneveld. En ach, hoe pijnlijk zijn hier de storingen, hoe bitter hier de inmengsels, hoe donker steken hier de donkere wolken af bij het klare hemelsblauw. Voorwaar iets anders dan deze hemel op aarde zal de hemelse hemel zijn. Waar allen de naam van God aan hun voorhoofden dragen, daar zijn allen beminnelijk en geheel beminnelijk, allen Gods kinderen. Waar het geluk van de heiligheid gesmaakt wordt, daar kent de liefde geen verkoeling, geen naijver, geen misverstand. Daar heeft zij geen voorzichtigheid meer nodig, noch enige beproeving. Vol en vrij stort zij zich uit en het goed vertrouwen, dat haar hier soms berouwde, kan daar haar vreugde slechts vermeerderen. O mijn God! met wat een onuitsprekelijke ondervinding van zaligheid zal dan het hart, van de reinste liefde vol, leren verstaan wat het zegt dat U liefde bent en wat een onuitputtelijk heil U wilde, waar U slechts dit ene gebood: Heb lief! De liefde voor God is de zaligste liefde. Maar het hoogste geluk van deze, zoals van alle liefde zou zijn haar voorwerp te zien. Niemand heeft ooit God gezien, "die een ontoegankelijk licht bewoont, die de Onzienlijke is. " Maar het woord is vlees geworden en heeft onder mensen gewoond; stervelingen hebben Zijn heerlijkheid gezien een heerlijkheid als van de Eengeboren Zoon van de Vader. Die Mij gezien heeft, die heeft (zei Hij) de Vader gezien. O hoe benijden wij die Filippus, tot wie dit woord gesproken werd en wiens oog en zalig waren omdat zij zagen; die Thomas, die in aanbidding mocht neerknielen voor zijn Heer en zijn God, gelovend omdat hij had aanschouwd; de Elf, die de Verheerlijkte nastaarden van de Olijfberg; die Engelen, die Hem met aanbidding opwachtten in de hemel van de heerlijkheid, waar Hij van nu af het zichtbare middelpunt van de eeuwige verering aller engelen, aller geesten zijn zou. Benijd hen niet, u gekochten door Zijn bloed, u gelovigen in het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Ook u zult Hem aanschouwen, uw God aanschouwen in het aangezicht van Jezus Christus! Uw Heiland zien zoals Hij is. De troon van God is de troon van het Lam. De troon van God en het Lam staat in het midden van het hemels Jeruzalem; Zijn dienstknechten zullen Hem dienen en zullen Zijn aangezicht zien en Zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. Kan de onvolmaakte liefde, schoon Hem niet ziende, zich in Hem verheugen met een heerlijke en onuitsprekelijke vreugde, hoe zal het geluk van de heilige liefde bij deze onverhinderde aanschouwing zijn! Zijn dienstknechten zullen Hem dienen; Hem vereren als heilige Priesters; de hun aangewezen taak ten uitvoer brengen als getrouwe dienstknechten. Hoe zal deze Godsverering geschieden? Waarin deze taak bestaan? Het is Gods geheim. Het is de grootste verrassing, het is (denk ik) een hele reeks van verrassingen, die de eeuwigheid in haar schoot verborgen houdt. Maar dit weten wij, het zal een volmaakt dienen van de Allerhoogste zijn, een volkomen verheerlijken van Zijn liefde, een uitvoeren van Zijn wil zonder enige belemmeringen met onafgebroken vreugde. Op aarde geschiedt de verheerlijking van God in de Geest niet dan in een gedurige en bange strijd tegen het vlees; wij kunnen hier niet leren onze wil geheel te offeren, dan in een weg van beproeving en kruis; hier worden de goddelijke gaven en krachten en werkingen, ook waar zij zijn uitgestort, gedoofd en gedempt door het lichaam van de dood, zodat zij zich slechts gedeeltelijk, slechts ter nauwernood ontwikkelen en uitstrekken tot Zijn eer. Toch is het ook hier zo zalig in de hoogste aardse zaligheid. Maar daar waar de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal voortkomt uit de troon van God en van het Lam, waar de boom des levens aan haar oevers en op de straten van maand tot maand zijn vruchten geeft en zijn bladeren zijn tot genezing van de volkeren, daar gaat de gans volmaakte geest, bij het licht van Gods aangezicht, van kracht tot kracht en het in kracht, in onverderfelijkheid, in heerlijkheid opgewekt lichaam is zijn gehorig en gedienstig zintuig, om niets te willen, niets te kunnen, niets te doen dan hetgeen God groot maakt en alles te willen, alles te kunnen, alles te doen, wat God verlangt; naar het voorbeeld van de engelen, naar de drang van de liefde, onder de toejuiching van het heelal, naar de verscheidenheid van de gaven en in de schoonste overeenstemming met al wat die troon omringt, uit deze rivier gedrenkt, door deze vruchten gesterkt en door dit licht verlicht wordt. En dit alles zal oneindig voortduren. Al dit heil, o dat het beseft werd op een aarde, waar het beste, het reinste, het zaligste zo kort van duur is en niets bestendig dan de onbestendigheid zelf, al dit heil zal duren, eeuwig duren. Eeuwig dat stoorloos geluk, eeuwig dat geluk van de heiligheid, eeuwig die zalige liefdegemeenschap, eeuwig die aanschouwing van God, eeuwig dat volmaakt dienen en werken tot Zijn heerlijkheid en eer. Want eeuwig stroomt de rivier van water des levens en zonder ophouden vernieuwt zich de vrucht van de levensboom en geen avond komt er aan die dag, wiens zonneschijn de Heere God is. Hier zijn de onuitputtelijke bronnen van het heil, hier de oneindige mogelijkheden van altijd nieuwe ontwikkelingen, nieuwe krachten, nieuwe werkkringen, nieuwe genietingen. Dit, mijn lezer! is het heil van de Heere, dit de zaligheid voor Gods heiligen weggelegd van voor de grondlegging van de wereld, hun beloofd door het woord van God en waarvan de voorsmaak hier op aarde reeds door hun harten geproefd wordt; dit de geluksstaat, waarvan al onze dierbaren, ach die dierbaarsten, die in Jezus ontslapen zijn! Reeds de aanvang genieten voor de troon van God! Dit die hemel, waarheen ook uw hoop uitvliegt en met de gedachte waaraan ook u behoefte heeft u te troosten, als het u bang wordt op aarde, duister in de duistere ogenblikken van het leven. Maar zeg, zult u hem binnengaan?
III. Vers 6-20. Met de woorden, "zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid", zijn de gezichten gesloten. Wat nu nog volgt, dient deels tot bekrachtiging van de in het boek geopenbaarde waarheid, deels tot getuigenis, dat de tijd van de vervulling nabij is (Vers 6-15). Daaraan sluit zich dan een slotwoord van de Heere aan en een antwoord van de bruid (Vers 16 en 17), aan deze een laatste woord van Johannes (Vers 18. en 19) en nog eens een woord van de Heere, dat tenslotte de som van het geheel samenvat met het gebed van de wachtende gemeente. (Vers 20).