Johannes 12:37-41
Wij hebben hier de eer, onzen Heere Jezus aangedaan door de Oud-Testamentische profeten, die het ongeloof voorzegd en betreurd hebben van de velen, die niet in Hem geloofden. Het was inderdaad ene ontering van en ene smart voor Christus, dat Zijne leer zo weinig ingang en zoveel tegenstand heeft gevonden, maar dit neemt er het vreemde en den smaad van weg, doet de ergernis er van ophouden, en maakt dat het voor Christus gene teleurstelling is, daar de Schriften er in vervuld werden. Er worden hier twee dingen gezegd, betreffende dit onhandelbare volk, en beiden werden voorzegd door den Evangelischen profeet Jesaja, namelijk dat zij niet geloofden, en dat zij niet konden geloven.
I. Zij geloofden niet, vers 37:Hoewel Hij zo vele tekenen voor hen gedaan had, die, naar men zou denken, hen tot overtuiging gebracht moesten hebben, geloofden zij Hem nochtans niet, maar stonden Hem tegen. Merk op:
1. Den overvloed van middelen ter overtuiging, die Christus hun gegeven had. Christus had wonderen gedaan, zo vele tekenen, het Griekse woord, dat hier gebezigd is, betekent beide zo vele en zo grote tekenen. Dit slaat op al de wonderen, die Hij tevoren gewrocht had, ja, ook nu kwamen de blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas hen, Mattheus 21:14. Zijne wonderen waren het grote bewijs Zijner zending, en Hij rekende op het getuigenis er van. Hij legt hier nadruk op twee dingen betreffende die wonderen-
a. Het aantal er van, het waren vele wonderen, -velen en van verschillenden aard, talrijk en dikwijls herhaald, en elk nieuw wonder bevestigde de werkelijkheid van al de vorige. De menigvuldigheid Zijner wonderen was niet slechts een bewijs van Zijn onuitputtelijke macht, maar gaf ook zoveel te meer gelegenheid om ze nauwkeurig te onderzoeken, en indien er bedrog in geweest was, dan was het zedelijk onmogelijk, dat het niet door den een of ander ontdekt zou zijn, en daar het allen wonderen van barmhartigheid geweest zijn, kon men wel zeggen: hoe meer wonderen, hoe meer goed Hij gedaan heeft.
b. De bekendheid er van. Hij werkte deze wonderen voor hen, in hun tegenwoordigheid, niet op een afstand, niet in een hoek, maar in tegenwoordigheid van vele getuigen.
2. Het vruchteloze van deze middelen.
Nochtans geloofden zij niet in Hem. Zij konden de premissen, de eerste stelling, niet ontkennen, en toch wilden zij er de gevolgtrekking, die er uit voortvloeit, niet toegeven. De overvloedigste en krachtigste middelen ter overtuiging zullen op zich zelven in het verdorven, bevooroordeeld hart der mensen geen geloof werken. Dezen zagen, en nochtans geloofden zij niet.
3. De vervulling der Schrift hierin, vers 38.
Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd. Niet alsof deze ongelovige Joden bedoelden de Schrift te vervullen (zij hebben zich veeleer verbeeld, dat deze Schrift, welke van de beste zonen der kerk spreekt, in hen zelven vervuld was), maar de gebeurtenis, het gebeurde feit, beantwoordde volkomen aan de voorzegging, zodat dit woord van Jesaja vervuld werd. Hoe onwaarschijnlijker ene gebeurtenis is, hoe meer het Goddelijk voorzien uitkomt in de voorzegging. Men zou zich niet hebben kunnen voorstellen, dal het koninkrijk van den Messias, ondersteund door zulke gewichtige bewijzen, zoveel tegenstand zou ontmoeten onder de Joden, en daarom wordt hun ongeloof iets vreemds, iets dat verbazingwekkend is, genoemd. Christus zelf heeft er zich over verwonderd, maar het was wat Jesaja had voorzegd, Jesaja 53:1, en nu is het vervuld. Merk op, dat het Evangelie hier wordt genoemd onze prediking. Wie heeft geloofd wat wij van God hebben gehoord, en wat gij van ons hebt gehoord. Onze prediking is het bericht, dat wij brengen als het bericht van een feit, een gebeurde zaak, of het bericht van een plechtig besluit in den senaat. Er is voorzegd dat, vergelijkenderwijs weinigen van hen, tot wie deze prediking gericht, of dat bericht gebracht wordt, bewogen zullen worden om er geloof aan te slaan. Velen horen het, maar weinigen geven er acht op, en nemen het aan. Wie heeft het geloofd? Hier en daar een enkele, maar te weinigen, om van te spreken, niet de wijzen, niet de edelen, voor hen is het slechts een bericht, dat nog bevestigd moet worden.
c. Hiervan wordt gesproken als van iets, dat zeer betreurenswaardig is, dat zo weinigen de prediking van het Evangelie geloven. Het woord Heere is hier bijgevoegd naar den Grieksen tekst van de LXX, maar het komt niet voor in den Hebreeuwsen tekst, en wijst op een droevig bericht, dat als het ware den Heere wordt gegeven, ene klacht tot God van de boden, de predikers, omtrent het koele onthaal, dat hun prediking heeft gevonden, zoals toen "de dienstknecht wederkwam en zijn heer deze dingen boodschapte", Lukas 14:21.
d. De reden, waarom de mensen de prediking des Evangelies niet geloven, is dat de arm des Heeren hun niet is geopenbaard, dat is: omdat zij zich niet bekendmaken met, en zich niet onderwerpen aan, de genade van God, zij kennen niet bij ervaring de kracht en de gemeenschap van Christus' dood en opstanding, waarin de arm des Heeren is geopenbaard. Zij zagen Christus' wonderen, maar zagen er den arm des Heeren niet in geopenbaard.
II. Zij konden niet geloven, en zij konden het daarom niet, omdat, gelijk Jesaja zei, Hij hun ogen heeft verblind. Dat is een moeilijk gezegde, wie kan het verklaren? Wij zijn er zeker van, dat God oneindig rechtvaardig en barmhartig is, en daarom kunnen wij niet denken, dat er in de zodanige enigerlei onmacht ten goede is, voortvloeiende uit de raadsbesluiten Gods, waardoor zij onder een noodlottige noodzakelijkheid liggen van slecht te moeten zijn. God verdoemt of veroordeelt niemand uit blote soevereiniteit, toch wordt hier gezegd: zij konden niet geloven. Augustinus, tot de verklaring dezer woorden komende, drukt zich uit met een heilige vreze, om in een onderzoek van deze verborgenheid te treden: Justa sunt judicia ejus, sed occulta - Zijne oordelen zijn rechtvaardig, maar ene verborgenheid voor ons.
1. Zij konden niet geloven, dat is: zij wilden niet, zij waren hardnekkig in hun ongeloof: zo zijn Chrysostomus en Augustinus geneigd het op te vatten, en de eerste haalt onderscheidene voorbeelden der Schrift aan, om te tonen, dat zulk ene onmacht eigenlijk de onverwinbare weigering van den wil betekent, zoals Genesis 37:4, zij konden hem niet vredelijk toespreken, en Hoofdstuk 7:7. Dit is een zedelijke onmacht, zoals iemand die "geleerd is" of gewend is, kwaad te doen, Jeremia 13:23. Maar:
2. Zij konden niet, dewijl Jesaja gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind. Hier neemt de moeilijkheid nog toe. Het is zeker, dat God de werker niet is van zonde, en toch: a. Is er soms een rechtvaardige hand van God te erkennen in de blindheid en hardnekkigheid van hen, die volharden in onboetvaardigheid en ongeloof, waardoor zij rechtvaardiglijk gestraft worden voor hun vroeger weerstaan van het Goddelijk licht en voor hun rebellie tegen de Goddelijke wet. Als God misbruikte genade wegneemt en de mensen overgeeft aan lusten, waarin zij zich hebben toegegeven, -als Hij den bozen geest toelaat zijn werk te werken in hen, die den goeden Geest hebben weerstaan, -en als Hij in Zijne voorzienigheid stenen des aanstoots legt op den weg der zondaren, die hen bevestigen in hun vooroordelen, dan verblindt Hij hun ogen en verhardt hun harten, en dat zijn geestelijke oordelen, zoals het overgeven van afgodische heidenen aan oneerlijke bewegingen, en van Christenen aan ene kracht der dwaling. Let op de methode van bekering, die hierin ligt opgesloten. Zondaren worden er toegebracht om te zien met hun ogen, de werkelijkheid te onderkennen der Goddelijke dingen, en er enige kennis van te hebben. Om te verstaan met het hart, om die dingen toe te passen op zich zelven, niet slechts om ze toe te stemmen en goed te keuren, maar om van harte er mede in te stemmen en ze aan te nemen. Om bekeerd te worden, krachtdadig bekeerd te worden van de zonde tot Christus, van de wereld en het vlees tot God, als hun geluk en hun deel. Dan zal God hen genezen, hen rechtvaardigen en heiligen, hun zonden vergeven, die als bloedende wonden zijn, hun bederf doden, dat als een sluipende verborgen ziekte is. Indien God Zijne genade ontzegt, dan geschiedt er niets van dat alles, de vervreemding van het hart van God, deszelfs afkeer van Hem en het Goddelijk leven, worden tot een ingewortelden en onverwinlijken tegenzin, en zo wordt dan de zaak volstrekt hopeloos.
b. Deze verblinding en verharding worden in het Woord Gods bedreigd tegen hen, die moedwillig volharden in de boosheid, en zij zijn inzonderheid voorzegd betreffende de Joodse kerk en natie. Gode zijn al Zijne werken bekend, en ook al onze werken. Christus wist tevoren wie Hem zou verraden, en sprak er van, Hoofdstuk 6:70. Dat is ene bevestiging der waarheid van de profetieën der Schrift, en zo kan zelfs het ongeloof der Joden een hulp voor ons zijn om ons geloof te versterken. Het is ook bedoeld als ene waarschuwing voor bijzondere personen, om wel toe te zien, dat over hen niet kome hetgeen gezegd is in de profeten, Handelingen 13:40.
c. Wat God voorzegd heeft zal voorzeker geschieden, en zo zou, als noodwendig gevolg, naar die redenering, gezegd kunnen worden, dat zij niet konden geloven, omdat God door de profeten voorzegd had, dat zij niet zouden geloven, want zodanig is de kennis Gods, dat Hij zich niet kan vergissen in hetgeen Hij voorziet, en zodanig is Zijne waarheid, dat Hij niet kan bedriegen of misleiden in hetgeen Hij voorzegt, zodat de Schrift niet verbroken kan worden. Men merke echter op, dat de profetie geen bijzondere namen noemt, zodat niet gezegd zou kunnen worden: "Zo of zo iemand kon niet geloven, omdat Jesaja dit of dat voorzegd heeft", maar zij wees op de Joodse natie in haar geheel, die in haar ongeloof wilde volharden, zodat hare steden verwoest werden, zodat er geen inwoner was, Jesaja 6:11, 12, maar toch nog een overblijfsel behoudende, vers 13, nog een tiende deel zal daarin zijn, hetgeen genoegzaam was om ene deur der hope open te houden voor bijzondere personen, want iedereen zou kunnen zeggen: Waarom zou ik niet tot dat overblijfsel kunnen behoren? Eindelijk. De profetie aangehaald hebbende, toont de evangelist, vers 41, dat dit bestemd was om verder te zien dan de dagen van den profeet zelven, en dat het voornamelijk betrekking heeft op de dagen van den Messias: Dit zei Jesaja, toen hij Zijne heerlijkheid zag, en van Hem sprak.
1. Wij lezen in de profetie, dat dit gezegd was tot Jesaja, Jesaja 6:8, 9. Maar hier wordt ons gezegd, dat het door hem gezegd was, en wel tot dat doel. Want er werd niets door hem, als profeet, gezegd, dat niet eerst tot hem gezegd was, en er was niets tot hem gezegd, dat niet later door hem gezegd werd tot hen, tot wie hij was gezonden, zie Jesaja 21:10.
2. Het visioen, dat de profeet aldaar had van de heerlijkheid Gods, daarvan wordt hier gezegd, dat hij de heerlijkheid zag van Jezus Christus: toen hij Zijne heerlijkheid zag, Jezus Christus is dus gelijk in macht en heerlijkheid met den Vader, en Zijn lof wordt gelijkelijk bezongen. Christus had ene heerlijkheid voor de grondlegging der wereld, en Jesaja heeft haar gezien.
3. Er wordt gezegd, dat de profeet daar van Hem sprak. Het schijnt van den profeet zelven te zijn gesproken (want aan hem zijn aldaar de opdracht en de aanwijzingen gegeven), en toch wordt hier gezegd, dat het van Christus was gesproken, want, gelijk al de profeten van Hem getuigd hebben, zo zijn zij ook allen typen van Hem geweest. Zij hebben dit van Hem gesproken: dat voor velen Zijne komst niet alleen vruchteloos, maar noodlottig zou zijn, een reuke des doods ten dode. Tegen Zijne leer zou men kunnen aanvoeren: Indien zij van den hemel was, waarom hebben de Joden er dan niet in geloofd? Maar dit is het antwoord hierop: het was niet uit gebrek aan bewijs, maar omdat hun hart vet was gemaakt, en hun oren zwaar waren. Het was gezegd van Christus, dat Hij verheerlijkt zou worden in het verderf der ongelovige menigte, zowel als in de behoudenis van een daartoe onderscheiden overblijfsel.