Exodus 40:34-38
Gelijk als bij de schepping God, toen Hij de aarde volbracht had, welke Hij bestemd had tot woonplaats van de mens, de mens schiep en er hem in het bezit van stelde, zo is God toen Mozes de tabernakel voleindigd had, die tot woonplaats van God bestemd was onder de mensen, gekomen en heeft er bezit van genomen. De Shechina, het goddelijke eeuwige Woord, hoewel het nog niet vlees was geworden, is toch, als inleiding tot die gebeurtenis, gekomen en heeft onder hen gewoond Johannes 1:14. Dit was van nu voortaan "de plaats van Zijn troon en de plaats van de zolen van Zijn voeten," Ezechiël 43:7, hier woonde Hij, hier regeerde Hij. Door de zichtbare tekenen van Gods komst onder hen om bezit te nemen van de tabernakel, gaf Hij hun het weerkeren van Zijn gunst jegens hen te kennen, die zij door het gouden kalf hadden verbeurd, Hoofdstuk 33:7, alsmede Zijn genadige aanneming van de offeranden die zij gebracht hadden voor de tabernakel, en al de moeite, die zij er zich voor gegeven hadden. Aldus heeft God hen erkend, toonde Hij Zijn welbehagen in hetgeen zij gedaan hadden, en heeft Hij er hen overvloedig voor beloond. God zal wonen onder hen, die Hem een woning bereiden. Het verbroken en verslagen hart, het rein en heilig hart, dat toegerust is tot Zijn dienst en toegewijd is aan Zijn eer, zal Zijn rust zijn tot in eeuwigheid, daar zal door het geloof Christus in wonen, Efeziers 3:17. Waar God een troon en een altaar heeft in de ziel, daar is een levende tempel. En God zal gewis de werkingen van Zijn eigen genade erkennen en kronen, evenals de waarneming van Zijn eigen inzettingen.
Gelijk God zich geopenbaard had op de berg Sinaï, zo heeft Hij zich ook in deze pas opgerichte tabernakel geopenbaard. In hoofdst. 24:16 lazen wij, dat de heerlijkheid van de Heer woonde op de berg Sinai, welke gezegd wordt als een verterend vuur te zijn, vers 17, en dat de wolk die heerlijkheid bedekte. Evenzo heeft de wolk, toen God neerkwam om bezit te, nemen van Zijn huis, het van buiten bedekt, en van binnen heeft de heerlijkheid van de Heer het vervuld, waarop waarschijnlijk gezinspeeld wordt in Zacheria 2:5, waar God belooft een vurige muur rondom Jeruzalem te zijn, (en de wolkkolom was `s nachts een vuurkolom) en tot heerlijkheid in het midden van haar.
I. De wolk bedekte de tent, diezelfde wolk welke als wagen, of tent, van de Shechina uit Egypte voor hen heen was gegaan, en hen herwaarts had geleid, vestigde zich nu boven de tabernakel, zweefde er over, zelfs op de heetste en helderste dag, want het was geen van de wolken, die door de zon uit elkaar worden gedreven. Deze wolk was bestemd om:
1. Een teken te zijn van de tegenwoordigheid van God, altijd zichtbaar, bij dag en bij nacht, vers 38, voor geheel Israël, zelfs voor hen die zich aan de uiterste hoeken van het leger bevonden, opdat zij haar nooit meer in twijfel zouden trekken, zeggende: Is de Heer in het midden van ons of niet? Diezelfde wolk, welke reeds zo vruchtbaar was in wonderen in de Rode Zee en op de berg Sinai, waaruit zo duidelijk bleek, dat God in waarheid zich daarin bevond was gedurig voor de ogen van het gehele huis van Israël op al hun reizen zodat zij niet te verontschuldigen waren, zo zij hun eigen ogen niet geloofden.
2.Een verberging te zijn voor de tabernakel, en de heerlijkheid van God daarin. God heeft in waarheid onder hen gewoond, maar Hij woonde in een wolk, Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verborgen houdt. Geloofd zij God voor het evangelie van Christus, waarin wij allen met ongedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, als in een spiegel, niet in een wolk. 3. Een bescherming te zijn voor de tabernakel. Zij hadden hem beschut met de ene bedekking boven de andere, maar de wolk, die hem bedekte, was met dat al zijn beste beschutting. Zij, die in het huis van de Heer wonen zijn er verborgen en veilig onder de goddelijke bescherming, Psalm 27:4, 5. Maar hetgeen toen een bijzondere gunst was voor de tabernakel, is beloofd voor iedere woning op de berg Zion, Jesaja 4:5, "want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen."
4. Om een gids te zijn voor het leger van Israël op hun reis door de woestijn vers 36, 37. Zolang de wolk op de tabernakel bleef, bleven zij stil, reisden zij niet, als zij opgeheven werd, dan volgden zij haar, daar zij geheel onder de leiding van God waren. Daarvan wordt uitvoeriger gesproken in Numeri 9:15 en verv. en lang daarna wordt hier met dankbaarheid en ter ere Gods melding van gemaakt, Nehemia 9:19, Psalm 78:14, PS. 105:39. Vóór de oprichting van de tabernakel hadden de Israëlieten ook de wolk tot hun gids, zij was toen nu eens in de ene en dan weer in een andere plaats, maar van nu voortaan werd zij alleen daar gevonden, en zo heeft de kerk voordat de Schrift geschreven was, van het begin de goddelijke openbaring tot gids gehad, maar sedert de vaststelling van die canon blijft zij daarin als in haar tabernakel, en daar alleen is zij te vinden, evenals bij de schepping het licht, dat op den eerste dag gemaakt was, zich op de vierde dag concentreerde in de zon. Geloofd zij God voor de wet en het getuigenis.
II. De heerlijkheid van de Heer vervulde de tabernakel, vers 34, 35. De Shechina hield nu een ontzagwekkender, majestueuzer intocht in de tabernakel, door welks buitenste delen zij heenging naar het heilige der heiligen, als de audiëntiezaal, en daar zetelde zij tussen de cherubim. Het was in licht en vuur, en (voorzover wij weten) in niets anders, dat de Shechina zich zichtbaar maakte, want God is licht, onze God is een verterend vuur. Daarmee was nu de tabernakel vervuld, maar evenals tevoren de braambos niet verteerd werd, zo werden nu de gordijnen zelfs niet verzengd door dit vuur, want voor hen, die de zalving ontvangen hebben, is de ontzagwekkende majesteit van God niet verderf aanbrengend, niet verwoestend. Toch was dit licht zó verblindend, en het vuur zó vreeslijk, dat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, voor de deur bleef hij staan, totdat de glans en gloed een weinig afgenomen waren, en de heerlijkheid van de Heer binnen de voorhang was gegaan, vers 35. Dit toont hoe ontzagwekkend de heerlijkheid en majesteit Gods zijn, en hoe zelfs de grootste en beste van de mensen niet vermogen om voor Hem te bestaan. Het goddelijk licht en vuur, uitgezonden in hun volle kracht, zal de sterkste hoofden overweldigen, en de reinste harten. Maar hetgeen Mozes niet doen kon wijl hij zwak was door het vlees heeft onze Heer Jezus gedaan, die God heeft doen naderen, en die, als de Voorloper, voor ons ingegaan is, en ons genodigd heeft om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon van de genade. Hij kon `ingaan in het heiligdom, dat niet met handen gemaakt is" Hebreeën 9:24, ja Hij zelf is de ware tabernakel, vervuld met de heerlijkheid van God, Johannes 1:14, namelijk met de goddelijke genade en waarheid die afgeschaduwd zijn door dit vuur en licht. In Hem heeft de Shechina haar woning tot in eeuwigheid want in Hem woont de volheid van de godheid lichamelijk. Geloofd zij God voor Jezus Christus.