2 Thessalonicenzen 1:5-10
Na hun vervolgingen en verdrukkingen vermeld te hebben, die zij ondergingen om de zaak van Christus, gaat de apostel er toe over om hun, tot hun troost, verscheidene dingen onder de aandacht te brengen.
I. Hij spreekt over het tegenwoordig geluk en voordeel van hun lijden, vers 5. Hun geloof werd er door beproefd, hun lijdzaamheid geoefend, zij werden door het lijden verbeterd, en zij werden waardig geacht het koninkrijk Gods. Hun lijden was een sterk bewijs daarvoor, dat zij waardig waren Christenen te heten, aangezien zij leden ter oorzake van het Christendom. En in waarheid, indien de godsdienst iets waard is, dan is hij alles waard, en zij, die in `t geheel geen godsdienst hebben, of dien niet weten te waarderen, of een godsdienst hebben die de moeite niet waard is, zullen nooit bereid gevonden worden om er voor te lijden. Bovendien, hun geduldig lijden leverde het bewijs, dat naar het rechtvaardig oordeel Gods zij de hemelse heerlijkheid waardig geacht zouden worden, niet door de waardigheid van hun gedrag, maar in overeenstemming daarmee, zij konden den hemel niet verdienen, maar zij werden voor den hemel bereid gemaakt. Wij kunnen evenmin door ons lijden als door onze werken den hemel verdienen, maar door onze lijdzaamheid onder onze verdrukkingen worden wij bereid gemaakt voor de heerlijkheid, die toegezegd is aan geduldige lijders voor de zaak van God.
II. Hij zegt hun welke toekomstige vergelding gegeven zal worden aan vervolgers en vervolgden.
1. In de toekomst zal:
A. Straf toegepast worden op de vervolgers.
God zal verdrukking vergelden degenen, die u verdrukken, vers 6. Er is niets dat een mens onfeilbaarder voor het eeuwig verderf voorbereidt dan de geest der vervolging en vijandschap tegen den naam en het volk van God. Het geloof, de lijdzaamheid en de standvastigheid der heiligen zijn hun een zaad van eeuwige rust en vreugde. Evenzo zijn de hoogmoed, boosheid en kwaadaardigheid van hun vervolgers voor dezen een bron van eeuwige ellende. Want ieder mens draagt in zich, en zal de wereld uitdragen, zijn eigen hemel of hel. God zal vergelding doen en verdrukken hen, die Zijn volk verdrukken. Dit heeft Hij soms in deze wereld gedaan, zoals men zien kan aan het verschrikkelijk uiteinde van menige vervolger, maar voornamelijk zal Hij dit doen in de toekomende wereld, waar het deel van de godlozen zal zijn wening en knersing der tanden.
B. Een vergelding voor hen, die vervolgd worden. God zal hun verdrukking vergelden met verkwikking, vers 7. Er blijft een rust over voor het volk van God, een ruste van de zonde en de smart. Ofschoon thans de tegenspoeden des rechtvaardigen vele zijn, zal God hem uit alle deze verlossen. De toekomstige rust zal overvloedige vergelding zijn voor al hun tegenwoordige moeiten. Het lijden van dezen tegenwoordigen tijd is niet waardig gewaardeerd te worden tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Er is in den hemel genoeg om ons alles te vergoeden wat wij hier om den naam van Christus moeten lijden en verliezen. De apostel zegt: U, die verdrukt wordt, verkwikking met ons. In den hemel zullen dienaren en gemeente tezamen rusten en zich tezamen verblijden, gelijk zij tezamen geleden hebben, en de geringste Christen zal verkwikt worden gelijk de grootste apostel. Ja, meer nog, indien wij met Christus lijden, dan zullen wij ook met Hem heersen, 2 Timotheus 2:12.
2. Ten aanzien van de toekomstige vergelding valt verder op te merken:
A. Hare zekerheid, die gestaafd wordt door de rechtvaardigheid en gerechtigheid Gods.
Het is recht bij God, vers 6, een ieder te vergelden naar zijne werken. De gedachte daaraan moet verschrikkelijk zijn voor de godlozen en de vervolgers, en een grote steun voor de rechtvaardigen en de vervolgden, want omdat er een rechtvaardig God is zal er rechtvaardige vergelding zijn. Het lijdende volk van God zal door zijn lijden niets verliezen, en hun vijanden zullen niets winnen door de voordelen, die zij nu op hen behalen.
B. De tijd, waarop die rechtvaardige vergelding geschieden zal. In de openbaring van den Heere Jezus van den hemel, vers 7. Dat zal zijn de dag der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, want dan zal God de wereld in gerechtigheid oordelen door een man, dien Hij daartoe gesteld heeft, Jezus Christus den rechtvaardigen Rechter. De rechtvaardigheid Gods wordt allen mensen niet zo duidelijk in de beschikkingen Zijner voorzienigheid als ze dat worden zal in den groten oordeelsdag. De Schrift leert ons dat het oordeel komen zal, en wij hebben de openbaring aan te nemen die ons hier omtrent Christus gegeven wordt:
a. De Heere Jezus zal op dien dag geopenbaard worden van den hemel. Nu bevatten de hemelen Hem, zij verbergen Hem, maar dan zal Hij geopenbaard worden en zich vertonen. Hij, op wie wij zien als onzen Zaligmaker, zal komen in al de pracht en heerlijkheid van de hogere wereld.
b. Hij zal geopenbaard worden met Zijn machtige engelen, vers 7, of de engelen Zijner kracht, deze zullen Zijn lijfwacht zijn om den dag Zijner verschijning op te luisteren, zij zullen de uitvoerders van Zijn gerechtigheid zowel als van Zijne genade zijn, zij zullen de misdadigers ter rechtbank dagen, de uitverkorenen vergaderen, en het gevelde vonnis uitvoeren.
c. Hij zal komen met vlammend vuur, vers 8. Een vuur gaat voor Zijn aangezicht en het steekt Zijn wederpartijders rondom aan brand. De aarde en al de werken, die daarin zijn, zullen verbranden, en de elementen zullen brandende versmelten. Dat zal een beproevend vuur zijn, waarin ieders werk beproefd wordt, -een louterend vuur, om de heiligen te reinigen, die deel zullen hebben aan de reinheid en het geluk van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, en een verterend vuur voor de godlozen. Zijn licht zal doordringend zijn en zijn gloed verterend, voor allen die in dien dag bevonden worden kaf te zijn.
d. Het gevolg van Zijne verschijning zal voor den een vreeslijk en voor den ander vreugdevol zijn.
Ten eerste. Het zal vreeslijk zijn voor velen, want Hij zal wraak nemen over de godlozen.
1. Over hen, die zondigden tegen de beginselen van den natuurlijken godsdienst en in opstand waren tegen het licht der rede, die God niet kennen, vers 8, ofschoon Zijn onzienlijke dingen geopenbaard worden in de dingen die gezien worden. 2. Over hen, die zich verzetten tegen het licht der openbaring, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus ongehoorzaam zijn. En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever hebben dan het licht. Dat is de grote misdaad van de meerderheid: het Evangelie is hun geopenbaard en zij willen het niet geloven, of, indien zij voorgeven het te geloven, willen zij het niet gehoorzamen. Het geloof aan de waarheden van het Evangelie moet het gehoorzamen van zijn voorschriften bewerken, de gehoorzaamheid des geloofs moet er zijn. Voor de hier genoemde mensen zal de openbaring van onzen Heere Jezus Christus vreeslijk zijn, want hun vonnis wordt hier meegedeeld, vers 9.
A. Zij zullen dan gestraft worden. Hoe lang zondaren ook verschoond mogen blijven, zij zullen ten laatste gestraft worden. Hun ellende zal de rechtvaardige straf zijn voor hun misdaden, en niet meer dan zij verdiend hebben. Zij bedreven de zonde en ontvangen haar loon.
B. Hun straf zal niets minder zijn dan het eeuwig verderf, verderf niet van hun bestaan, maar van hun zegen, niet van het lichaam alleen, maar van lichaam en ziel.
C. Deze straf zal eeuwig zijn. Zij zullen voortdurend sterven in den eeuwigen dood, zonder te sterven. Hun ellende duurt zolang als de eeuwigheid duurt. De ketenen der duisternis zijn eeuwige ketenen, het vuur is een vuur, dat niet uitgeblust wordt. Het moet zo zijn, want de straf gaat uit van een eeuwig God, tegen een onsterfelijke ziel, die buiten bereik van goddelijke barmhartigheid en genade geplaatst werd.
D. Dit verderf zal komen van het aangezicht des Heeren, dat is onmiddellijk van God zelf. Hier straft God zondaren door schepselen, door werktuigen, maar dan zal Hij het werk in eigen handen nemen. Het zal een verderf zijn, uitgaande van den Almachtige, en verschrikkelijker dan het vuur, dat Nadab en Abihu verteerde, die onwettig voor des Heeren aangezicht kwamen.
E. Het zal uitgaan van de heerlijkheid Zijner sterkte, of van Zijn heerlijke sterkte. Niet alleen van Gods rechtvaardigheid, maar van Zijn almachtige kracht, zal het verderf der zondaren uitgaan, en beide zullen er in verheerlijkt worden. En wie kent de sterkte Zijns toorns? Hij is machtig om hen in de hel te werpen.
Ten tweede. Het zal een dag van vreugde zijn voor anderen, namelijk voor de heiligen, zij die het Evangelie geloven en gehoorzamen. En dan zal des apostels getuigenis betreffende dezen dag bevestigd en geloofd worden, vers 10. Op dien heerlijken en gezegenden dag:
1. Zal Christus Jezus verheerlijkt en wonderbaar worden in Zijne heiligen. Zij zullen Zijne heerlijkheid aanschouwen en met blijdschap bewonderen, zij zullen Zijne genade verheerlijken en de wonderen van Zijn macht en goedheid jegens hen bewonderen, en Hem op dien dag hun Halleluja zingen over Zijne overwinning, die hun volkomen zegepraal en gelukzaligheid is.
2. Christus zal in hen verheerlijkt en wonderbaar worden. Zijne genade en macht zullen dan geopenbaard en verheerlijkt worden, wanneer zal gezien worden wat Hij verworven en gewrocht heeft in, en geschonken aan allen, die in Hem geloven. Al Zijn toorn en macht zal Hij openbaren in en bij de verderving van Zijne vijanden, en evenzo zullen Zijne genade en macht verheerlijkt worden in de zaligmaking Zijner heiligen. Christus' behandeling van Zijne heiligen zal zo zijn, dat de wereld er zich over verwonderen zal. Zij zijn nu een wonder voor velen, maar hoe zullen zij bewonderd worden op dien groten en heerlijken dag, of liever: hoe zal Christus, wiens naam is Wonderlijk, bewonderd worden, wanneer de verborgenheid Gods zal vervuld zijn. Christus zal niet zo bewonderd worden in de heerlijkheid der engelen, die Hij met zich van den hemel zal medebrengen, als in de vele heiligen, de vele zonen, die Hij dan tot de heerlijkheid leiden zal.