2. a) Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak de Geest, dien Hij over mij uitstortte, en daarmee nieuwe levenskracht, die mij volgens Zijn bevel stelde op mijne voeten, en ik hoorde, nu ook bekwaam om goddelijke openbaring te vernemen, Dien, die tot mij sprak.
a) Ezechiel 3:24. Daniël 10:10.
De aanspraak Mensenkind is bij Ezechiël zo gewoon, dat zij meer dan 80 maal bij hem voorkomt, en als ene eigenaardigheid van zijne profetie moet worden beschouwd. Verder komt het woord nog slechts eens in Daniël 8:17 voor. Welke betekenis heeft zij? Dat zij met een bijzonder doel door den Heere gekozen is, kan bij het gedurig terugkeren geen ogenblik twijfelachtig zijn. De meningen der uitleggers lopen naar twee zijden uit elkaar, maar zijn ook weer in bijzonderheden onderscheiden. Sommigen zien daarin een woord tot verootmoediging en nederbuiging, anderen een woord tot opheffing en versterking. Ten opzichte der eersten vermelden wij eerst de mening van Hiëronymus: "Ezechiël en Daniël, die veel onder engelen zich bevinden, worden, opdat zij zich niet in trotsheid verheffen en zich engelenwaarde of natuur zouden toeschrijven, aan hun nietigheid herinnerd, en mensenkinderen genaamd, opdat zij weten, dat zij mensen zijn. " Dat deze mening geheel verkeerd is blijkt daaruit, dat zij juist op zulk een ogenblik wordt gebruikt, dat Daniël zowel als Ezechiël in de diepste verootmoediging des harten op hun aangezicht liggen en oprichting en versterking nodig hebben. Wanneer men, om die mening te steunen toch beweerd heeft, dat in `t bijzonder Ezechiëls krachtige natuur ene gedurige aanwijzing nodig had van hetgeen zij in zichzelve was, zwak en nietig, zondig en gebrekkig, zo is voor eerst het aannemen van zulk ene natuur bij onzen Profeet niets dan ene veronderstelling, die door niets kan worden bewezen, en aan de andere zijde is de betekenis der aanspraak voor Daniël buiten aanmerking gelaten. Ook dit treft echter niet juist doel, dat Ezechiël daarom aan zijne menselijke zwakheid wordt herinnerd, om hem, die toch met zó hoge openbaring word verwaardigd, dat hem niet alleen, gelijk anderen Profeten, Gods Woord, door inwendige ingeving des Goddelijken Geestes, maar meest in visioen of gezichten ten deel werd, levendig in de gedachte te houden, hoe Gods kracht in het zwakke machtig is, en zeker ook het nu machteloos onder den druk der heidenen liggend Israël uit zijne ellende kon verlossen en weer oprichten. Wij moeten ons liever tot de andere uitleggers wenden, die als doel van dien naam de verheffing en versterking van den Profeet noemen, en de bedoeling zelf in verband brengen met den naam, waarmee Christus Zichzelven zo dikwijls noemt: "Mensenzoon" die eveneens meer dan 80 maal in het Nieuwe Testament voorkomt (Mattheus 16:16.), Horen wij vooreerst, hoe Hengstenberg zich uitspreekt: "De moeilijkheid in de zending van Ezechiël bestond daarin, dat hij als mensenkind tot mensenkinderen werd gezonden, waardoor een menigte van tegenwerpingen was weerlegd als: wat weet gij, dat wij niet weten enz; de aanspraak als mensenzoon doet die moeilijkheid oprijzen, maar nu wordt er op gewezen, dat achter den mensenzoon een ander staat, die alles bezit, wat het mensenkind ontbreekt (Vers 4 : zo zegt de Heere HEERE), zodat hij niet behoeft te vrezen, en niemand zijn woord mag weerstaan, of zich aan hem mag vergrijpen. Wanneer zo de bedoeling wordt opgevat, dan werpt dit ook licht op de betekenis van den naam, dien Christus zo dikwijls Zichzelven geeft, en die voornamelijk in uitspraken voorkomt, welke Zijne miskenning, nederigheid en lijden aangaan. Ook daar wordt gewezen op hetgeen voor ogen is, maar tevens gewezen op den Goddelijken achtergrond Zijner verschijning. In Daniël 7:13 wordt van Christus gezegd: "er kwam een met de wolken des hemels als een mensenzoon" eens mensenzoon, en toch niet een mens; dit "als eens mensenzoon" is in zekeren zin ook van Ezechiël waar. Hij bezit niet als de Messias nevens de menselijke ene Goddelijke natuur, maar er is toch ook bij hem, als bij elken waarachtigen dienaar Gods nevens de menselijke zijde zijner existentie ene Goddelijke. Hij is engel van den Heere der heirscharen (Haggai 1:13). Wie hem hoort, die hoort God, en wie hem versmaadt, zal Gods oordeel ondervinden. " Toch komt ons deze wijze van beschouwing nog te algemeen voor, zij past op den enen Profeet zo goed als op den anderen, en ziet geheel voorbij, waarom in `t bijzonder en bijna uitsluitend de naam aan Ezechiël wordt gegeven en aan dezen even zo dikwijls als aan Christus de Zijne. Er moet natuurlijk in onzen Profeet iets zijn, dat hem in zeker opzicht tot een voorbeeld van Christus maakt. Wij komen de zaak nader bij, wanneer wij het woord van Kliefoth vernemen: "In het Goddelijk gezicht (Hoofdstuk 1:26, was God aan Ezechiël in menselijke gedaante verschenen; wij zien ook, dat dit gezicht van God niet alleen op zijne roeping betrekking heeft, maar dat het voor hem wordt herhaald op de meest beslissende tijdpunten van zijne profetische roeping; zodat men kan zeggen: alle protetische woorden van Ezechiël kwamen tot hem van deze gezichten Gods, die hem steeds in denzelfden vorm ten dele werden. Met deze omstandigheid, dat God aan Ezechiël, om hem Zijne woorden te geven, die hij mocht verkondigen, steeds in menselijke gedaante verschijnt, hangt ook ene andere te zamen, dat Hij hem altijd als mensenkind, altijd den mens in hem aanspreekt met hem gelijk een man met zijnen vriend spreekt. God spreekt met hem als een mens tot een mens (vgl. Exodus 33:11. 11 Numeri 12:8 en Ezechiel 1:3). Zo opgevat is dan ook dit gebruik der uitdrukking "Mensenzoon", voorafbeelding en van betekenis voor het gebruik, dat de Heere voor Zich van deze uitdrukking maakt. Hierbij hebben wij nog twee zaken te voegen: 1) daar waar Christus Zich voor de eerste maal "Mensenzoon" noemt (Johannes 1:51) doet Hij dit in verband met een woord, waarin Hij den hemel voor open verklaart, en een bestendig verkeer tussen Hem en den hemel mededeelt; het is duidelijk dat ook de aanspraak aan Ezechiël (opzettelijk is vertaald "mensenkind, " om het onderscheid tussen type en anti-type aan te wijzen) met het hemelse gezicht, dat hij zo even gehad heeft, zamenhangt; 2) in Daniël 8:17 heeft de Profeet, die daar door den engel Gabriël wordt aangesproken, eveneens een onmiddellijk verkeer met den hemel, want het is de menselijke stem van den Zone Gods, die aan den engel opdraagt hetgeen, en nu is Daniël enigermate in betrekking tot den Oud-Testamentischen Antichrist, over welken hij ene openbaring ontvangt, wat Christus de mensenzoon is in betrekking tot den Antichrist van den laatsten tijd; daarom wordt hij met die uitdrukking genoemd.
Er ligt een diepe zin in dit opwekkend woord des Heeren: Vooreerst valt het schepsel voor de oneindigheid van den Schepper zwijgend neer-dat is de ootmoed, grond en wortel van allen godsdienst-maar hij mag niet blijven liggen in stomme aanbidding, hij, die een weinig minder gemaakt is, dan de engelen, die met eer en heerlijkheid is gekroond (Psalm 9:6). Hij moet ook op zijne voeten staan, om het woord Gods te vernemen. Maar zichzelven kan hij niet op de voeten plaatsen, de Geest moet hem opheffen tot den Geest, zal hij de woorden Gods verstaan.
Het medegedeelde is ene gelijkenis der wedergeboorte; wanneer ons God beveelt op te staan uit den dood, waarin wij liggen (Efeze 2:1, 5; 5:14), dan geeft Hij tevens Zijnen Geest in ons, die ons levend maakt en opricht; desgelijks is het met elke versterking in alles goeds-wij moeten onzen plicht doen, en Hij maakt dat wij dien kunnen volbrengen. (Filippenzen 2:13)
Ezechiël gebruikt nu dikwijls dezen vorm van spreken, dat hij zegt, dat hij mensenkind genoemd wordt. Ik twijfel niet of God heeft hem daarmee willen voortrekken, opdat het volk hem niet zou verachten, als iemand uit het gemeen. Hij was toch in ballingschap getrokken niet zonder smaad. Dewijl hij derhalve voor het oog in niets van het gemeen was te onderscheiden, kon zijn onderwijs bespot en veracht worden. Doch God voorkomt dat, en bij wijze van vergunning noemt Hij hem: mensenkind.
Het konstante gebruik van dezen aanspraak bij Ezechiël hangt veel meer met den aard en wijze waarop hem de meeste openbaringen ten deel vallen, te zamen, n. l. dat van het predomineren van het visioen, waarin het onderscheid tussen God en de mensen sterker naar voren treedt, als bij de gewone inspiratie of openbaring, door innerlijke inspraken. Deze opheffing van den afstand tussen God en de mensen echter moest den Profeet zowel als het volk waaraan hij zijn Godsopenbaringen mededeelde, niet alleen aan de menselijke zwakte herinneren, maar ook tegelijk tonen, hoe machtig Gods kracht in den zwakken mens is, zowel als, dat God, die den Profeet tot orgaan van Zijn wil heeft verkoren ook de macht bezit het machteloze, onder den druk der heidenen liggende volk, uit zijn ellende te verlossen en weer op te richten.
Wij hebben met opzet de verschillende verklaringen van deze aanspraak Gods tot den Profeet meegedeeld, opdat daaruit kon worden opgemaakt, hoe de gevoelens uiteenlopen.
Wij voor ons zijn van mening, dat de aanspraak wel degelijk zamenhangt met de wijze van Gods openbaring, opdat de Profeet, zich eigen zwakheid bewust en daaraan gedurig herinnerd, in de mogendheden des Heeren zich zou opmaken om zijn last te volbrengen.
Mensenkind, herinnert hem van eigen krachteloosheid en maant hem altijd weer de kracht en sterkte te zoeken bij Hem, die hem als orgaan van Zijn wil wil gebruiken.