2 Petrus 1:16-18
Hier vinden wij de reden voor den ijver en den ernst, waarmee de voorgaande vermaning gegeven werd. Deze dingen zijn geen vertelseltjes, geen ijdele dingen, maar van zekere waarheid en grote gevolgen. Het Evangelie is geen kunstig verdichte fabel. Het bevat niet de woorden van iemand, die den duivel had, ook niet de mening van een groep mensen, die door list en geslepenheid trachtten anderen te bedriegen. De weg van zaligheid door Jezus Christus is blijkbaar de raad Gods. Hij zelf vond dezen weg tot zaliging van zondaren door Jezus Christus, wiens macht en komst door het Evangelie zijn geopenbaard en door de apostelen gepredikt werden, om ze ons bekend te maken.
1. De prediking van het Evangelie is het bekendmaken van de kracht van Christus, dat Hij machtig is om ook de grootste zondaren, die tot God komen, te redden. Hij is de machtige God, en daarom kan Hij redden zowel van de onreinheid als van de schuld der zonde.
2. Ook de komst van Christus is bekendgemaakt door de prediking van het Evangelie. Hij, die beloofd werd onmiddellijk na den val des mensen, als in de volheid des tijds te zullen geboren worden uit ene vrouw, is nu in het vlees gekomen, en wie dat ontkent is de antichrist, 1 Johannes 4:3, die wordt bezeten en bezield door den geest van den antichrist. Maar zij, die de ware apostelen en dienaren van Christus zijn en bestierd en geleid worden door Zijnen Geest, getuigen dat Christus gekomen is volgens de belofte, in het vertrouwen waarop alle Oud-Testamentische gelovigen stierven, Hebreeën 11:39. Christus is in het vlees gekomen. Omdat zij, die Hij kwam redden, des vlezes en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij die evenzeer deelachtig geworden, opdat Hij in hun natuur en in hun plaats zou lijden en daardoor voor hen verzoening aanbrengen. Die komst van Christus wordt in het Evangelie zeer helder en omstandig voor ogen gesteld. Maar er is een tweede komst, die ook daarin vermeld wordt, en welke de dienaren van het Evangelie evenzo moeten verkondigen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders met al Zijn heilige engelen, want Hij is aangewezen om de Rechter van levenden en doden te zijn. Hij zal komen om de wereld in gerechtigheid te oordelen door het eeuwig Evangelie en ons allen oproepen om rekenschap af te leggen van al wat in het lichaam geschied is, hetzij goed hetzij kwaad.
3. En ofschoon dit Evangelie van Christus godslasterlijk een fabel genoemd is door een van de ongelukkigen, die zich zelven de opvolgers van den heiligen Petrus noemen, bewijst de apostel hier dat het de grootste zekerheid en werkelijkheid bezit. Gedurende den tijd, dien onze Zaligmaker hier op aarde doorbracht, toen Hij de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen had en in de gelijkenis van een mens verschenen was, heeft Hij soms zelf getuigd dat Hij God was, en voornamelijk aan onzen apostel en de beide zonen van Zebedeus, die aanschouwers geweest zijn van Zijne majesteit, toen Hij voor hen van gedaante veranderd werd, en Zijn aangezicht scheen als de zon, en Zijn kleding wit werd als het licht, zo wit als sneeuw, zoals geen voller ter aarde witter maken kan. Petrus, Jakobus en Johannes waren daar ooggetuigen van, zij mochten en moesten het dus aan ons getuigen. En hun getuigenis is waarachtig, want zij deelden mede wat zij met hun ogen gezien hadden en met hun oren gehoord, want behalve dat de zichtbare heerlijkheid van Christus hun geopenbaard werd, was er een hoorbare stem van den hemel. Merk hier op:
A. Welk een heerlijke verklaring hier afgelegd werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in welken Ik Mijn welbehagen heb, de beste stem, die ooit van den hemel op de aarde kwam. God heeft een welbehagen in Christus, en door Hem in ons. Deze is de beloofde Messias, door wie allen, die in Hem geloven, aangenomen en zalig gemaakt worden.
B. Deze verklaring werd afgelegd door God den Vader, die daardoor openlijk Zijn Zoon erkende (ook in Zijn toestand van vernedering, toen Hij in de gestaltenis van een dienstknecht rondwandelde), ja, Hij verklaarde Hem Zijn geliefde Zoon te zijn, toen Hij in dien vernederenden toestand verkeerde. Zo weinig verhinderen de lage en nederige omstandigheden van Christus de liefde van den Vader voor Hem, dat er gezegd wordt dat het afleggen van Zijn leven een der voorname redenen van de liefde Zijns Vaders is, Johannes 10:17.
C. De bedoeling van deze stem was onzen Zaligmaker bijzonder eer te geven terwijl Hij hier beneden was. Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen. God schept er behagen in Hem te eren. Gelijk Hij van ons eist dat wij eer en heerlijkheid aan den Zoon zullen brengen, door te belijden dat Hij onze Zaligmaker is, zo geeft Hij eer en heerlijkheid aan den Zaligmaker door te getuigen dat Hij zijn Zoon is.
D. Deze stem kwam van den hemel, welke hier de hoogwaardige heerlijkheid genoemd wordt, en daardoor wordt nog groter heerlijkheid op onzen Zaligmaker afgestraald. Deze verklaring kwam van God, de fontein van alle eer, en uit den hemel, den zetel der heerlijkheid, waar God in volle majesteit troont.
E. Deze stem werd niet alleen gehoord, maar ook verstaan door Petrus, Jakobus en Johannes. Zij hoorden niet alleen een geluid (zoals de menigte deed: Johannes 12:28, 29), maar zij verstonden de woorden. God opent de oren en het verstand van Zijn volk om te ontvangen wat voor hen van belang is, terwijl de anderen, zoals de reisgezellen van Paulus, alleen den klank der woorden hoorden, Handelingen 9:7, maar ze niet verstonden, en daarom gezegd worden niet gehoord te hebben de stem, die tot hem sprak, Handelingen 22:9. Gezegend zijn zij, die niet alleen horen maar ook verstaan, die de waarheid geloven en de macht van de stem uit den hemel gevoelen, zoals hij deed die deze dingen getuigt. En wij hebben de meest-gegronde reden om zijne getuigenis aan te nemen, want wie zou weigeren geloof te hechten aan hetgeen zo omstandig verhaald wordt omtrent deze stem van den hemel?
F. Zij werd door hem gehoord, toen zij met Jezus op. den heiligen berg waren. De plaats, welke God verkiest voor een of andere openbaring van buitengewone genade, wordt daardoor zelf heilig gemaakt, niet met inwonende heiligheid, maar gelijk de grond, waarop God aan Mozes verscheen, heilig was, Exodus 3:5, en gelijk de berg, waarop de tempel gebouwd werd, heilig was, Psalm 87:1. Zulke plaatsen zijn betrekkelijk heilig, en moeten als zodanig beschouwd worden gedurende den tijd dat men daar ondervindt, of door het Woord gewaarborgd er gelovig mag verwachten, de bijzondere tegenwoordigheid en den genadigen invloed van den heiligen en heerlijken God.