16. a) Want wij, apostelen (
1 Johannes 1:1,
Handelingen 1:21 v.
Lukas 1:2) zijn geen kunstelijk verdichte fabels nagevolgd, zoals mensenverstand die inhoudt en anderen verleidt door de schijnbaar daarin verborgen wijsheid. Op een dergelijke grondslag stonden wij niet, toen wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus, b) maar wij zijn, reeds in de dagen van Zijn vlees, aanschouwers geweest van Zijn majesteit, bij Zijn verheerlijking op de berg (
Mattheus 17:1,
Markus 9:2,
Lukas 9:28).
a) 1 Corinthiërs 1:17; 2:1, 4; 4:20 b) Johannes 1:14. 1 Johannes 1:1
Wij zijn geen kunstig verdichte fabels nagevolgd. U verlangt niet, geliefden, dat wij u al de gronden herinneren, waarop wij deze stelling uitspreken als een volstrekt onloochenbaar feit. Wij bepalen ons tot zulke herinneringen, als min of meer door het verband van de tekst worden uitgelokt en vestigen uw aandacht een ogenblik op de getuigen, het karakter, de werking van de Evangeliegeschiedenis, als onderpanden van haar stellige zekerheid. Wij zijn aanschouwers geweest van zijn Majesteit, zo roept Petrus in heilige opgetogenheid uit. Reeds zijn meer dan dertig jaren daarheen gesneld, sinds Zijn voet de heilige bergtop mocht drukken, maar nog staat het toneel van de Thabor in onverbleekte glans voor Zijn oog en het is, als klinkt hem andermaal de stem uit de hoogwaardige heerlijkheid tegen: "deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb. " U bemerkt het, geliefden, hier spreekt de oog- en oorgetuige uit eigen rijke herinnering en u heeft geen andere keuze, dan de schrijver van deze brief voor de apostel Petrus zelf, of anders voor een sluwe bedrieger te houden. Maar was hij echt de eerstgenoemde, welk gewicht zet dan deze zijn apostolische rang aan zijn ondubbelzinnige getuigenis bij en hoe is het u, als verneemt u hier reeds de aanhef van de toon, die zo plechtig in Johannes' eerste Zendbrief wordt aangeslagen: "Hetgeen van de beginne was, hetgeen wij gezien hebben, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij aanschouwd hebben met onze ogen en onze handen getast hebben van het Woord van het leven, dat verkondigen wij u! " Wat dunkt u, mogen wij er niet met hem in volle verzekerdheid bijvoegen, dat het leven geopenbaard is geworden? Maar reeds wat wij van de getuigen van deze wondergeschiedenis weten, is in de hoogste mate geschikt, ons geloof en vertrouwen te wekken. Of wie zijn het toch, die ons met de leer, daden en lotgevallen van de Heiland het eerst bekend gemaakt hebben? Onbekenden wellicht, die lange tijd na Hem geleefd, die van horen zeggen gesproken, die door anderer ogen gezien hebben? Nee, tijdgenoten van Jezus, apostelen, die Zijn leven wat leven was meer van de openbaarheid gewijd van stap tot stap gevolgd zijn; evangelisten, die Hem vroegtijdig terzijde stonden en voor wie het evenmin aan gelegenheid als aan lust heeft ontbroken, om wat zij zelf niet bijwoonden, te onderzoeken bij volkomen vertrouwenswaardige gidsen. Maar dan zijn het mogelijk bedriegers geweest, die er een zonderling behagen in schiepen om hun tijdgenoten door het verhaal van wat heerlijks en groots te misleiden? Een zeldzaam soort van bedriegers, die zo nauwkeurig de tijd en de plaats van al wat zij vertellen, vermelden, dat een kinderhand zelfs de draad van het weefsel van het bedrog zou kunnen ontdekken; die zo openhartig hun eigen gebreken onthullen, dat zij duidelijk tonen geen eigen eer te zoeken; die zo eenvoudig en ongekunsteld zelfs van het allerverbazendste spreken, dat zij nauwelijks zelf schijnen te voelen, wat een grote dingen zij schrijven! Een merkwaardig soort van bedrog denk maar alleen aan de opstanding dat geheel de Joodse raad nooit heeft kunnen bewijzen, ontmaskeren, straffen. Maar dan waren het wellicht dwepers, wier ontgloeide verbeelding in de Heere iets geheel buitengewoons heeft gezien? Inderdaad, maar hoe was het mogelijk, zo aan het dwepen te slaan, als deze "grote onbekende" zo weinig bovenmenselijks had, als het ongeloof in Zijn geschiedenis overlaat; hoe kon die dweepzucht zich niet van één, niet van twintig, maar van honderden zo gelijktijdig meester maken, dat zij allen zich verbeeld hebben, de opgewekte Jezus te zien, waar niets te zien was dan het gewrocht van hun verhitte verbeelding alleen? Hoe is het vuur van die dweepzucht niet uitgeblust door de kille adem van de tijd, door de moeiten van het leven, door de haat van hun vijanden? Maar zij hebben mogelijk tijdelijke eer en voordeel door hun opgesmukte getuigenis bedoeld en verkregen! O een fraaie eer, om bij al wie wijs en groot wordt genoemd, het uitvaagsel van de mensheid te heten; een onschatbaar voordeel, om voor Christus' zaak de hele dag gedood te worden en geacht als schapen ter slachting! Petrus is zeker rijk geworden door het bekend maken van "de kracht en toekomt van de Heere. " Paulus is zeker gekroond of gelauwerd, sinds hij zich niet meer aan Gamaliëls voeten neerzette! Waartoe meer, geliefden, omdat u het redelijk toestemmen moet: of deze getuigen verdienen stellig geloof, of alle geloof op historisch getuigenis is ten enenmale ondenkbaar. Tevergeefs trekt men de echtheid van hun geschriften in twijfel; zij dragen allen uit- en inwendig blijken, dat zij echt van geen andere, dan van deze handen afkomstig zijn en voortreffelijke geleerden, die op dit grondgebied met ontkennen begonnen, hebben meer dan eenmaal zich eindelijk tot erkennen gedwongen gezien. Ja, al laat u mij van het kostbaar viertal ook slechts één Evangelie, mits ongeschonden van tekst en onverwaterd van zin, de grote zaak, waarom het hier te doen is, staat reeds daarmee onwankelbaar vast; en vergelijkt u straks dat éne met anderen, zelfs de verscheidenheid en strijd, die u opmerkt, maakt uw getuigenis te vaster, dat hier allerminst onderlinge afspraak, maar eenvoudige mededeling van gebeurde feiten op verschillend standpunt heeft plaats gehad. Wij zwijgen van de leiding van de apostelen door de Heilige Geest, die hun naar Zijn beloften alles leren en indachtig maken zou, wat de Heiland vroeger gesproken had, omdat wij voor het ogenblik het Evangelie nog slechts alleen van zijn menselijke zijde bezien. Wij laten u zelf beslissen, of zulke getuigen verdienen, met achterdochtige blikken beschouwd te worden, in plaats van met vertrouwen gehoord en of hier het woord niet te pas komt: "Ik sla aan gezanten geloof, die voor hun Zender het hoofd op het blok durven leggen. "Of zou wellicht het karakter van de Evangeliegeschiedenis dit gunstig voelen weerspreken? Maar als u weer aan de hand van Petrus de berg van de verheerlijking optreedt, dan treft reeds bij de eerste aanblik een vereniging van geringheid en majesteit, van heiligheid en liefde, van aarde en hemel uw oog, die volstrekt zonder weerga daar staat. En is dat niet gedurig opnieuw het geval en is geheel de geschiedenis van de Heere niet van die aard, dat zij niet slechts onverdicht, maar ook onverdichtbaar mag heten? Wèl mocht Lavater eens schrijven "dat alle twijfel voor de onuitvindbaarheid van de Christus moet zwichten", want ik bidt u, zo'n Christusbeeld, hoe had het uitgedacht kunnen worden door een handvol vissers en tollenaars aan een uitgelegen uithoek van de aarde? Evengoed kon men u diets maken, waar u in de wereld van de kunst voor het meesterwerk van een Titiaan of Rafaël stilstaat, dal het door de ruwe hand van een leerknaap op het paneel te voorschijn was getoverd! Sinds achttien eeuwen is de mensheid op menig gebied met reuzenstapn vooruitgegaan; is ook het Christusbeeld geëvenaard of overtroffen geworden? Hoort wat een Rousseau moest getuigen: "Ik moet bekennen, dat de majesteit van de Schrift mij verbaast en de heiligheid van het Evangelie spreekt tot mijn hart. De boeken van de wijsgeren met al hun uitwendig vertoon, wat zijn zij klein bij dat boek! Is het mogelijk, dat een boek, beurtelings zo verheven en zo eenvoudig, het werk van mensen zou zijn? Is het mogelijk, dat Hij, Wiens geschiedenis het beschrijft, niet meer zou zijn dan mens? Is dat de toon van een geestdrijver, van een eergierige sektestichter? Wat een zachtheid, wat een reinheid van zeden, wat een treffende bevalligheid in Zijn onderwijs, wat een verhevenheid van beginselen, wat diepe wijsheid in Zijn redenen! Wat een tegenwoordigheid van geest, wat een scherpzinnigheid en juistheid in Zijn antwoorden, wat een beheersing van Zijn hartstochten! Waar is de mens, waar de wijze, die zo weet te handelen, te lijden, te sterven, zonder zwakheid, maar ook zonder uitwendig vertoon? Men moet wel door vooroordeel verblind zijn, als men de zoon van Sophroniscus durft vergelijken met de Zoon van Maria. Ja, Socrates leefde en stierf als een wijze, maar Jezus leefde en stierf als een God! Zullen wij de geschiedenis van het Evangelie nu als een verdichtsel beschouwen? Maar echt, zo verdicht men toch niet en het ware nog onbegrijpelijker, dat vele mensen te samen uit zichzelf dit boek hadden opgemaakt, dan dat er werkelijk Eén heeft bestaan, die daartoe de stof heeft geleverd. Joodse schrijvers zouden nooit die toon getroffen, die zedenleer uitgedacht hebben. Het Evangelie heeft kenmerken van waarheid zó groot, zó treffend, zo onnavolgbaar, dat de verdichter nog meer bewondering dan de held van het verhaal zou verdienen. " Tot dusver de wijsgerige twijfelaar. Wat zullen wij nog aan zijn getuigenis toevoegen, dan dit éne wellicht, dat God uit de mond niet slechts van kinderen en eenvoudigen, maar ook van spotters en ongelovigen zich lof en eer bereid heeft. Ja echt, men proeft, men tast, men ruikt zei ik bijna, de waarheid aan menig evangelisch verhaal, nog na zo vele eeuwen niet ongelijk aan de pas geplukte vrucht, met de dauw van de morgen bepereld. Wat zeg ik, menig verhaal is van die aard, dat de verdichting niet slechts uiterst onwaarschijnlijk, maar zelfs volstrekt ondenkbaar mag heten. Of als tot verstandigen spreek ik: oordeelt u wat wij zeggen, is het denkbaar, dat Petrus op de Pinksterdag en bij Cornelius van de opstanding en verheerlijking van de Heere, even vrijmoedig als van Zijn leven en dood zou gesproken hebben, als de eerste iets minder dan de laatste stonden? Denkbaar, dat Paulus, ongeveer vijfentwintig jaar na de hemelvaart, zich op vijfhonderd, meest nog levende getuigen van de opstanding beroepen zou hebben, als de zaak twijfelachtig was? Denkbaar, dat hij kort daarna aan Agrippa zou hebben toegeroepen van deze dingen, dat zij in een andere hoek hadden plaats gehad, als daar reden geweest was om tegen het nauwkeurigst onderzoek op te zien? Ja, daar staan wij thans, bestrijder van het Christendom, bij het grote pleitgeding sinds eeuwen gevoerd tussen de geschiedenis, die verkondigt: "het is zo" en de wijsbegeerte, die antwoordt: "het kan onmogelijk waar zijn. " Hier, u voelt het, hangt alles af van het godsbegrip, waarvan wij in onze voorstelling uitgaan. Zeker, uw God kan geen wonderen doen, ongelovige! Een God, die of geheel van de wereld afgescheiden is, of met de stof vereenzelvigd. Maar onze God, Hij staat voorwaar wat hoger dan de koning van de Meden en Perzen bij Daniël, die wel wetten maken, maar ze zelf niet opheffen kon en een nieuwe ontdekking van tot dusver onbekende natuurverschijnselen en wetten volstaat, om de man, die het woord onmogelijk zo ras op de lippen neemt, op eens te doen verstommen van schaamte. Hoe langer wij nadenken, des te vrijmoediger zeggen wij, die op het gebied van de gewijde openbaring de mogelijkheid van wonderen loochent, hij verdient eer bespot, de in volle ernst weerlegd te worden. Immers zijn recht tot die ontkenning heeft hij nog nimmer voldoende bewezen en de feiten, die hij weerspreekt, nog nimmer voldoende verklaard.
En dit brengt ons vanzelf tot een derde herinnering: de werking van deze wondergeschiedenis, het grote bewijs van haar waarde. Hoe heerlijk moet, om weer van het tekstverband uit te gaan, de verschijning op Thabor geweest zijn, dat zij nog na meer dan drie tientallen jaren de stramme borst van de apostel van zo hoge geestdrift deed gloeien. Maar wat is ook die indruk bij de oneindig diepere schok vergeleken, die de verschijning van Christus, niet enkel aan haar eerste getuigen, maar aan heel de mensheid gegeven heeft? Zeker, als ooit buitengewone gevolgen ons recht gaven, om aan een geheel buitengewone oorzaak te denken, het is wel op dit gebied, mijn lezers. Welaan, veronderstel eens een ogenblik, dat de Heere niets was dan een voortreffelijk mens, die door leer en voorbeeld heeft uitgemunt, maar wiens wonderen zo niet allen, dan toch de meesten op de lijst van de kunstig verdichte fabels thuis behoren. Maar nu zal dan toch wel de vraag niet onbillijk zijn, hoe zo'n verschijning bij aardsgezinde Galileërs een zo onuitwisbare indruk kan wekken, dat zij, zelfs met kerker en dood in het oog, onmogelijk kunnen nalaten om te spreken van wat zij gezien en gehoord hebben; hoe zo'n Evangelie, zonder enige vleselijke arm de overwinning behalen kon over de vereende macht van de Joodse en Heidense wereld? Want dit staat toch wel ontwijfelbaar vast: de apostelen zijn overal opgetreden met de prediking, niet van begrippen, van stelsels, van zedeleringen, maar van feiten, van wonderfeiten, die, vergunt ons de uitdrukking, aan al de wijsheid van de wereld een slag in het aangezicht gaven. Lees eens de redevoeringen van Petrus en Paulus, u bewaard in de Handelingen: het is wonder op wonder gestapeld, om Jood en Heiden tot het geloof te bewegen en werkelijk, het lukte hun bij duizenden. Verklaar mij die uitkomst, als de wonderen niet zijn geschied; verklaar mij de bekering en het leven van Paulus, als Jezus niet herleefd en verhoogd is; verklaar mij het is nog altijd het onopgeloste probleem de stichting van het Christendom door een gekruisigde Jood, als Hij in de dood is gebleven. Maar moet u althans het een wonder van de opstanding toestemmen, waarom dan de mogelijkheid van enig evangelisch wonder betwijfeld, als de zekerheid slechts voldoende betuigd wordt en waartoe u langer aan het buitengewone in de persoon van de Heere geërgerd, omdat Hij zelf het wonder is? Zie eens, hoe de prediking van het wonder-Evangelie mits gepredikt in al zijn volheid in weinige eeuwen de gedaante van de wereld herschiep. Zie, wat nog de wereld overwint, vernieuwt, verbroedert na bloedige strijd, namelijk de dwaasheid van de prediking, waardoor het God behaagt, wie geloven zalig te maken. Het rationalisme, u verstaat het woord, kan evenmin zendelingen kweken als echte zendingsgeest wekken; heeft u niets meer aan de Heiden te zeggen, dan dat er een God is en ook eens een volmaakt mens is geweest en dat hij voorts verplicht is, naar zijn leer en voorbeeld braaf en ingetogen te leven wat gaat ons dat aan, zal het antwoord wezen en onwillig wendt zich het oog van een prediking af, die eerder iedere andere naam, dan die van Evangelie verdient. Maar laten Kajarnaks in Groenland van het somber Gethsémané horen, waar niemand minder dan de Heere der heerlijkheid voor hun behoudenis wemelt als een worm in het stof, dat ontdooit het ijs van het bewogen hart aan de poolstreek en de eerste vraag wordt gehoord: herhaal dat nog eens, ik wens ook zalig te worden. Ja, mag ik mij niet op u zelf beroepen, geliefden, voor zo velen u bent wedergeboren, niet uit onvergankelijk zaad en u vragen, of de prediking van volmaaktheid alleen zo'n levenwekkende indruk op u teweeg zou hebben gebracht? Ons althans had zij, als wij niets meer van Hem wisten, veeleer tot wanhoop dan tot bekering geleid en al de lessen van de Heere, hoe voortreffelijk, mij niet leren knielen voor het wonderfeit van de diepste ontferming. Gods eigen Zoon, die heerlijkheid bij de Vader had, eer de wereld was, als de armste in het vlees verschenen voor u; aan het vloekhout genageld voor u; opgewekt en verheerlijkt aan de rechterhand van de Vader voor u. Ja, mijn Jezus, dat gaat door de ziel, zodra men het juist mag verstaan en wie eens de kracht van Uw Evangelie aan het eigen hart heeft ervaren, hij kan eer aan zichzelf dan aan uw heerlijkheid twijfelen, Zon der gerechtigheid, wier glansrijke stralen geen zwakke mensenhand aan het uitspansel schilderen kan.