19. En Ik zal een teken aan hen, de tot op dien tijd ongelovig gebleven Joden, zetten, waaruit de Joden, die nog kunnen gered worden, den Messias van Israël zullen herkennen, zodat op eens het deksel van hun hart afvalt (
2 Corinthiërs 3:16.
Romeinen 11:23,
25 v.) vergelijk het teken, dat aan Saulus op zijnen weg naar Damascus werd gegeven (
Handelingen 9:3); en uit hen, die tengevolge van hun bekering nog op het laatste beslissende ogenblik het gericht (
Vers 17) ontkomen zullen zijn, zal Ik als verkondiger van het Evangelie zenden tot de Heidenen naar Tarsis, in het westen van Europa (
Hoofdstuk 60:9) en verder naar het werelddeel Amerika, naar Pul (
Genesis 10:6.
Jeremia 46:9) en Lud (
Genesis 10:13) naar de boogschutters in Afrika, naar Tubal aan de zuidoostkust der Zwarte zee (
Genesis 10:2), naar oostelijk Azië, en Javan, westelijk Azië en oostelijk Europa, tot de ver gelegene eilanden van Australië, die Mijn gerucht niet gehoord hebben, die aan de ondernemingen (
Vers 18) tegen Mij geen deel hebben genomen, noch Mijne heerlijkheid gezien hebben, omdat de prediking van het Evangelie nog niet tot hen was doorgedrongen; en zij zullen even als Paulus, die van een vervolger wonderbaar tot een Apostel is bekeerd, in dien laatsten tijd vóór het einde aller dingen, Mijne heerlijkheid onder de Heidenen verkondigen.
Het kleine zendingswerk geschiedt, het grote moet nog geschieden, en het zal geschieden door Israël. God zal dit volk tot een volk van zendelingen maken, die de wereld zullen overstromen met geloof, gelijk zij nu doen met ongeloof. Heerlijke wereld, die wij verwachten en biddend, werkend wachten; want men moet niet stil zitten, neen, maar al het werk der Christelijke kerk is nog slechts een feest der eerstelingen, een Pinksterfeest; de zending van Israël zal het Loofhuttenfeest, het feest van den vollen oogst zijn. Is er niet een vroege en spade regen? De vroege regen is er, de spade zal komen. Nu liggen nog de volken op hunnen droesem; maar Israël zal de grote hefboom van alle volken zijn. Doch nu is het nog dood; het heeft alle zendingskracht verloren, omdat het Christus niet heeft. Zonder Christus kan Israël gelijk wij allen niets geestelijks of goddelijks doen, maar Christus zal het levend maken en dan zal het voor Hem even en voor Hem alleen.
Zij, die zelf dus onderscheiden zijn door Gods genade, zullen afgezonden worden om anderen te nodigen om ook te komen en het voordeel van die genade te ontvangen. Zij, die de kracht der vooroordelen ontkomen, waardoor die natie in het algemeen in ongelovigheid gehouden wordt, zullen tot de Heidenen gezonden worden, om het Evangelie onder hen te brengen en aan alle creaturen te verkondigen. Hier zien wij dat zij, die zelf den toekomenden toorn ontvloden zijn, hun best zullen doen om anderen als een vuurhout uit het vuur te rukken. 20. En zij, de bekeerde heidenen, zullen al uwe aan Christus gelovig gewordene broeders en vrienden naar het vlees (Romeinen 9:3) uit alle Heidenen, onder welke zij tot hiertoe verstrooid waren (Hoofdstuk 11:12; 60:4, Zefanja 3:10), den HEERE ten spijsoffer, tot een lieflijk geschenk, brengen, op paarden en op wagens, en op rosbaren, overdekte wagens, en op muilen (2 Samuël 13:29 en op snelle lopers, dromedarissen (Richteren 6:5) naar Mijnen heiligen berg toe, naar Jeruzalem 1) zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israël's, zo lang de Oud-Testamentische eredienst nog duurt, het spijsoffer, dat op het altaar moet komen, als meel, gebak, eersteling-koren (Leviticus 2:1) in een rein vat brengen ten huize des HEEREN. 2)
1) Zie hier de gelukkige uitwerking van het gezantschap onder de heidenen; hun woorden vinden ingang, en zij komen niet alleen weer naar Jeruzalem terug; met zich brengen zij ene ganse schaar van nieuwe Godsvereerders, als een spijsoffer, naar Jehova's huis op Zion. De tocht is aanzienlijk en verscheiden; sommigen komen op paarden, anderen op kamelen, of gelijk er eigenlijk staat, op draagzetels, waarin men zich zette, als men een kameel bereed; anderen op wagens, anderen op muilen, anderen op dromedarissen. Waarschijnlijk dient deze optelling, om ene aanzienlijke staatsie aan te duiden, of om te kennen te geven, ene menigte uit verschillende landen, daar men in sommige landen paarden en muilezels gebruikt, om zich te laten voeren.
2) Het spijsoffer zelf, zijn degenen, die uit de verstrooiing worden toegebracht, en zij die in het reine vat brengen zijn de Heidenen, die zelf als vaten der ere en der barmhartigheid (Romeinen 9:23) zijn geheiligd. Waar door der Joden verwerping de Heidenen erfgenamen der belofte zijn geworden, daar zouden de Heidenen weer door God gebruikt worden om onder de Joden het Evangelie te verkondigen en hen toe brengen tot de gemeente, die zalig wordt.