Ezechiël 43:7-12
God vernieuwt hier wezenlijk Zijn verbond met het volk Israëls, nadat Hij weer bezit van Zijn huis heeft genomen, en Ezechiël is hier middelaar, gelijk vroeger Mozes was geweest. Dit zou van groot belang zijn voor de ballingen bij hun terugkeer, beide tot onderwijzing en bemoediging, maar het ziet verder en bedoelt ook degenen, die met de voorrechten van den Evangelie-tempel begiftigd zijn, opdat ook zij helpen mogen, omdat ook zij in gehoorzaamheid voor God moeten staan.
1. Door den profeet herinnert God hen, hoe ze Hem vroeger tot toorn hebben verwekt, waarom zij lang onder de teekenen van zijn ongenoegen hebben gezucht. Dit wordt herdacht, om plaats te bereiden voor de hem toegedachte zegeningen. Ofschoon God geeft en niet verwijt, toch betaamt het ons, wanneer Hij vergeeft, ons zelf te verwijten, dat wij ons onwaardig jegens Hem hebben gedragen. Laat hen daarom nu gedenken
1. Dat zij vroeger Gods heiligen naam hadden ontheiligd en al die heilige dingen misbruikten ontheiligd, waardoor Hij zich aan hen had bekend gemaakt, vers 7. Zij en hun koningen hadden smaad gebracht over den godsdienst, dien zij beleden, en over hun betrekking tot God, door hun geestelijke hoererij, hun afgoderij en hun aanbidding van beelden, die zij hun koningen noemden (want dat beteekent Moloch, of heeren (want dat beduidt Baäl), maar die inderdaad geraamten van koningen waren, niet slechts levenloos en nutteloos, maar tevens verachtelijk en afschuwelijk als doode lichamen, de hoogten opgezet ter eere der afgoden. Zij hadden door hun gruwelen Gods naam ontheiligd. En wat waren die? Het was door hunnen dorpel aan Mijnen dorpel te stellen, en hunnen post nevens Mijnen post, dat is door hun eigen uitvindingen aan Mijne inzettingen toe te voegen, en die samenvoeging allen op te dringen, of die van gelijk gezag en kracht waren, leerende leeringen die menschengeboden zijn, Jesaja 29:13, of liever, door voor hun afgoden altaren op te richten tot in de voorhoven des tempels, de onbeschaamdste beleediging, die men der goddelijke majesteit kan aandoen. Zoo zetten zij een muur des afscheidsels tusschen Hem en zichzelf, die den stroom Zijner gunsten jegens hen tegenhield en de aannemelijkheid hunner diensten bij God wegnamen. Zie, hoe onwaardiglijk zondaars God behandelen, als zij hun muren in tegenstelling met de Zijne oprichten en Hem onthouden wat het Zijne is. En zie, welk onrecht ze zichzelf doen, want hoe nader bij God iemand zijne zonden begaat, op des te grooter afstand verwijderen zij dien van Hem. Sommigen nemen deze uitlegging aan: Hoewel hun huizen zeer dicht bij Gods huis stonden, hun posten en dorpels vlak bij de Zijne, zoodat zij als het ware naaste buren waren (er was maar een wand tusschen Mij en tusschen hen), zoodat men kon verwachten, dat zij al beter met Hem bekend werden en te zorgvuldiger waren om Hem te behagen, -toch waren zij alles behalve buren. Zie, het blijkt vaak waar te zijn: hoe nader bij de kerk, des te verder van God. Naar hun belijdenis stonden zij in een verbond met God, en toch hadden zij de plaats van Zijnen troon en Zijner voetzolen Zijn tempel, waar Hij woonde en regeerde. Jeruzalem heet de stad des grooten Konings, Psalm 48:3, en Zijne voetbank, Psalm 99:5, 132:7. Zie, wanneer Godsinzettingen verzaakt worden, wordt Zijn heilige naam ontheiligd.
2. Dat God daarom in de laatste tegenspoeden een twist met hen gehad had. Zij konden Hem niets verwijten, want Hij had niets over hen gebracht dan de verdienste hunner zonder. Waarom Ik ze verteerd heb in Mijnen toorn, vers 8. Zie, die Gods heiligen naam ontheiligen, vallen onder Zijn rechtvaardig ongenoegen. 11. Hij roept ze op, boete te doen en zich te bekeeren, en, daartoe, zich te schamen over hun ongerechtigheden, vers 9:"Nu zullen zij hunne hoererij verre van Mij wegdoen, nu zij er zóó om geleden hebben. Nu God in genade tot hen wederkeert, en Zijn heiligdom weer onder hen opricht, laat ze thans hun afgoden wegwerpen en er niets meer mee te doen hebben, opdat zij de voorrechten niet weer verliezen, werker waarde ze nu door het gemis hebben leeren kennen. Laat ze hun afgoden wegwerpen, die gruwelijke geraamten hunner koningen, verre van Mij, die Mij een afschuw geweest zijn." Dit was een raad juist van pas, nu de profeet het model van den tempel hun geteekend had, want:
1. Wanneer zij dat model zien, zullen zij zeker beschaamd zijn over hunne zonden, vers 10, wanneer zij zien, welke genade God voor hen bestemd had, ondanks hun algeheele onwaardigheid, zullen zij beschaamd zijn over hun zondig gedrag jegens dien God. Zie, de goedertierenheid Gods jegens ons moet tot bekeering leiden, vooral tot berouwvolle schaamte. Laat ze de afteekening nameten, en zien, hoezeer die de vorige overtreft en daaruit opmaken, welke groote zegeningen God voor hen bewaard heeft. Het zal hen zeker doen ontstellen, wanneer zij daarmede de verdienste hunner zonden vergelijken. En dan
2. Als zij beschaamd zijn over hun zonden, dan zullen ze zeker meer van het patroon zien, vers 11. Indien zij schaamrood worden vanwege alles wat zij gedaan hebben, en daarbij een algemeen overzicht van de goedertierenheid Gods, geef hun dan eene beschrijving van den tempel, die meer in bijzonderheden afdaalt. Zij, die goed beschouwen wat zij zien en de goedheid Gods kennen, zullen er meer van zien en weten. Dan en niet eer zijn wij bereid voor Gods gunst, als wij waarachtig berouw hebben over onze eigene dwaasheden: "Maak hun bekend den vorm van het Huis, Iaat hen zien welk een statig gebouw het is en toon hun deszelfs inzettingen en wetten." Zie, met het vooruitzicht onzer zegeningen behoort gepaard te gaan de kennis van onzen plicht, bij de voorrechten van Gods huis past bekendheid met Zijne regelen. Maak hun deze ordonnantiën bekend, opdat zij ze bewaren en doen. Zie, daarom wordt ons onze plicht geleerd, dat wij dien onderhouden en daarin zalig zijn.
III. Hij belooft, dat zij dezulken zullen zijn als zij behooren te zijn, en dan zal Hij voor hen zijn wat zij wenschen, dat Hij zijn zal, vers 7.
1. Het huis Israëls zal Mijnen heiligen naam niet meer verontreinigen. Dit is louter Evangelie. Het voorschrift der wet eischt: Gij zult Mijn naam niet verontreinigen, en de genade des Evangelies belooft: Gij zult niet. Wat in het eene verbond geeischt wordt, wordt in het andere beloofd, les. 32:40.
2. Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid, en hetzelfde wederom vers 9. God verzekert ons van Zijne goedwilligheid door in ons Zijn goede werk te bevestigen. Indien wij Zijn heiligen naam niet verontreinigen, kunnen wij zeker zijn, dat Hij ons niet verlaten zal.
IV. De algemeene wet van Gods huls wordt aangekondigd, vers 12. Dat, terwijl vroeger alleen het heiligdom heilig was, is het nu de geheele berg des huizes, zijne gansche grens, alle hoven en kamers inbegrepen, zullen het allerheiligste zijn, in de kerk des Nieuwen Verbonds.
1. De gansche kerk zal het voorrecht genieten, het allerheiligste te zijn, dat is den vrijen toegang tot God hebben. Alle geloovigen hebben, onder het Evangelie, vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom, Hebreeën 10:19, met dit voordeel, dat terwijl de hoogepriester met het bloed van stieren en bokken inging, wij binnengaan op grond van het bloed van Jezus, en waar wij ook zijn, wij hebben door Hem den toegang tot den Vader.
2. De gansche kerk zal onder sterke verplichting liggen, voorwaarts te jagen naar de volmaakte heiligheid, daar hij, die ons heeft geroepen, heilig is. Alles moet nu allerheiligst zijn. De heiligheid is Gods huis sierlijk tot lange dagen, en in onzen Nienwtestamentischen tijd meer dan ooit. Zie, dit is de wet des huizes, laat niemand zijne bescherming verwachten, die zich niet aan die wet wil onderwerpen.