17. Als iemand de tempel van God schendt, die zal in rechtvaardige wedervergelding God schenden (
Mattheus 10:28.
Openbaring 2:18 v.); want de tempel van God is als Zijn woning of plaats van Zijn tegenwoordigheid, heilig. Die is dus onschendbaar en niet te schenden zonder zware, goddelijke straf, die tempel u bent, omdat ieder lid van de gemeente, als behorend tot de kerk, voor zijn deel is wat de kerk in het geheel is (
1 Corinthiërs 6:19.
Efeze 2:21 v.).
Tot hiertoe heeft Paulus de gemeente beschouwd als een gebouw aan God toebehorend en de grote verantwoordelijkheid aangetoond van de werkzaamheid van verder opbouwen daaraan. Nu gaat hij voort tot nadere aanwijzing van haar heilig karakter als van een tempel van God, bewoond door de Geest van God, terwijl het schenden daarvan een dienovereenkomstig goddelijk gericht na zich zal slepen. Met de vraag: "weet u niet? " doet hij een beroep op hun Christelijk bewustzijn en geeft te kennen, dat in de partijgeest, die de gemeente ondermijnt en tot haar oplossing, dus tot verwoesting van de tempel van God leidt, zich een verduistering van dit bewustzijn openbaart zodat zij zich zo gedragen, als wisten zij dat niet.
Aan de stelling in Vers 9 : "u bent Gods gebouw", dat hem aanleiding heeft gegeven om over het bouwen te spreken, dat na hem alleen mogelijk is, sluit de apostel nu de andere aan: "u bent de tempel van God", om vervolgens voor de verderver van deze tempel te waarschuwen. Vers 10-15 was bestemd voor hen, die het makkelijk opnamen met een voortzetting van zijn arbeid. Het volgende daarentegen is bestemd voor hen, die zich niet ontzagen de vrucht van zijn arbeid te gronde te richten (in het bijzonder is het gezegd voor de partijhoofden van die sekten, die het "ik ben van Céfas - ik ben van Christus" in de mond hadden en die zich niet stelden als die stichters of grondleggers, Paulus en Apollos (Vers 5), die tegen hun wil tot partijhoofden waren verheven, maar die in tegenstelling tot hen als "dienaars", als verdervers konden worden gekarakteriseerd. Wat hij tot deze te zeggen heeft moet de gemeente zich laten gezeggen, om daarnaar haar gedrag jegens hen te richten; daarom begint hij met een herinnering aan haar zelf gericht.
Onder het verderven van de tempel is iets anders en ergers verstaan, dan de bijvoeging van slechte bouwstoffen, van onechte, menselijke leer en leerwijze (Vers 12); er wordt hier gesproken over beschadiging van het gebouw, omverstoten van het fundament door anti- christelijke leraars, verscheuring van de gemeente door partijgeest en door deze teweeggebrachte gevaarlijke bewegingen. Paulus wekt daar, in wederaanknoping aan de algemene erenamen van de Christenen in Hoofdstuk 1:2, het ware, heilige eergevoel en de heilige gemeenschap van de Corinthiërs op, in tegenstelling met de onwaardige dienstbaarheid in de onderwerping onder verwoestend menselijk gezag en laat de ernstige toepassing van hetgeen hij zegt aan henzelf over.