Openbaring 22:1-5
De hemelse staat, die tevoren als een stad voorgesteld was en het nieuwe Jeruzalem genoemd werd, vinden wij hier beschreven als een paradijs, met zinspeling op het aardse paradijs, dat door de zonde van den eersten Adam verloren werd, hier is een ander paradijs hersteld door den tweeden Adam. Een paradijs in een stad, of de gehele stad paradijs. In het eerste paradijs waren slechts twee mensen, om zijn schoonheid te aanschouwen en zijn genoegens te smaken, maar in het tweede paradijs zullen ganse steden en gehele volken overvloed van genieting en voldoening vinden. Merk hier op:
I. De rivier van het paradijs. Het aardse paradijs was goed van water voorzien, een plaats, die aan water gebrek heeft, kan niet vruchtbaar of aangenaam zijn. Deze rivier wordt beschreven:
1. Naar haar oorsprong: De troon Gods en des Lams. Alle bronnen van genade, vertroosting en heerlijkheid zijn in God, en al wat uit Hem ons toestroomt, komt tot ons door tussenkomst van het Lam.
2. Naar haar hoedanigheid: Klaar als kristal. Al de stromen van aards genoegen zijn modderig, maar deze is klaar, gezondheid gevend, verfrissend, leven-gevend, leven-bewarend, aan allen die er uit drinken.
II. De boom des levens in dit paradijs. Zulk een boom was in het aardse paradijs, Genesis 2:9. Hoe ver overtreft deze boom dien eersten! Merk, wat dezen boom betreft, op:
1. Zijn standplaats: In het midden van de straat en op de ene en de andere zijde der rivier, of zoals wellicht beter vertaald worden kan, in het midden tussen de wandelplaats aan den oever en de rivier. Deze boom des levens wordt gedrenkt door de zuivere wateren der rivier, die ontspringt uit den troon van God. De tegenwoordigheid en de volkomenheden Gods delen al de heerlijkheid en gelukzaligheid des hemels mede.
2. De vruchtbaarheid van dezen boom.
A. Hij brengt verscheidene soorten van vruchten voort, twaalf soorten, geschikt naar den verfijnden smaak der heiligen.
B. Hij brengt vrucht voort op elke tijd van het jaar. Van maand tot maand gevende zijne vrucht. Deze boom is nooit ledig, nooit dor, er is altijd vrucht aan te vinden. In den hemel is niet alleen verscheidenheid van genoegens en reine blijdschap, er is ook onafgebroken voortzetting daarvan en altijd fris.
C. De vrucht is niet alleen smakelijk, maar ook gezondheid-gevend. De tegenwoordigheid Gods in den hemel is de gezondheid en de gelukzaligheid der heiligen, daar vinden zij in Hem het geneesmiddel voor al hun vroegere ziekten, en door Hem worden zij bewaard in volmaakt- gezonden en levenskrachtigen toestand. III. Het volkomen vrij-zijn van dit paradijs van al wat kwaad is, vers 3. En gene vervloeking zal er meer tegen iemand zijn, geen vervloekte, katana-thema, daar is geen slang gelijk in het aardse paradijs. Dat is de grote voortreffelijkheid van dit paradijs. De duivel heeft daar niets te doen, hij kan de heiligen niet van den dienst van God aftrekken om hem onderworpen te worden, zoals hij onze eerste voorouders deed, ook kan hij hen in geen enkel opzicht in den dienst van God hinderen.
IV. De uitnemende gelukzaligheid van dezen paradijsstaat.
1. Daar zullen de heiligen het aangezicht Gods zien en zich verlustigen in dat onbeschrijflijk gezicht.
2. God zal hen voor de Zijnen erkennen, want zij zullen Zijn zegel en Zijn naam op hun voorhoofden dragen.
3. Zij zullen als koningen met Hem heersen in alle eeuwigheid, hun dienst zal niet alleen vrijheid zijn, maar eer en heerschappij.
4. Dat alles zal gepaard gaan met volmaakte kennis en blijdschap. Zij zullen vervuld zijn met wijsheid en vreugde, altijd in het licht des Heeren wandelen, en dan tot in alle eeuwigheid.