Johannes 14:18-24
Als vrienden van elkaar scheiden, zullen zij gewoonlijk dit verzoek tot elkaar richten: "Laat ons toch zo dikwijls mogelijk van u horen", en Christus heeft zich bij Zijne discipelen er toe verbonden, dat zij voor Hem niet, gelijk de mensen plegen te zeggen, "uit het oog, uit het hart" zouden wezen.
I. Hij belooft, dat Hij voor hen zal blijven zorgen, vers 18. Ik zal u geen wezen laten, want, hoewel Ik van u heenga, laat Ik u toch deze vertroosting: Ik kom weer tot u. Wat hen smartte was Zijn heengaan van hen, maar het was niet zo erg als zij vreesden, want het was niet geheel en al, en niet voor altijd.
1. Niet geheel en al. "Hoewel Ik u zonder Mijn lichamelijke tegenwoordigheid laat, laat Ik u toch niet zonder troost." Hoewel zij kinderen waren, en nog klein zijnde verlaten werden, hadden zij toch de aanneming tot zonen ontvangen, en Zijn Vader zal hun Vader zijn, bij wie zij, die anders wezen zouden zijn, ontferming zullen vinden. De toestand der ware gelovigen kan soms wel smartelijk, maar toch nooit troosteloos zijn, omdat zij nooit wezen zijn, want God is hun Vader, die een eeuwige Vader is.
2. Niet voor altijd: "Ik kom weer tot u, dat is:
a. Ik zal spoedig tot u komen na Mijne opstanding, Ik zal niet lang wegblijven, maar zal binnenkort weer bij u zijn." Hij had dikwijls gezegd: Ten derden dage zal Ik opstaan.
b. Ik zal dagelijks tot u komen in Mijn Geest. In de tekenen van Zijne liefde, en de bezoekingen Zijner genade komt Hij nog altijd, blijft Hij komen.
c. "Ik zal voorzeker komen aan het einde des tijds, Ik zal haastelijk komen om u in te leiden in de vreugde uws Heeren." De gedachte aan Christus' komen tot ons behoedt er ons voor om troosteloos te wezen bij Zijn heengaan van ons, want, zo Hij voor een kleinen tijd van ons gescheiden is geweest, het is opdat wij Hem eeuwig zouden weer hebben. Laat dit onze smart matigen: De Heere is nabij.
II. Hij belooft, dat hun bekendheid met Hem zal voortduren, vers 19, 20. Nog een kleinen tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, dat is: Nadat Ik niet meer in de wereld ben. Na Zijn dood ziet de wereld Hem niet meer, want, hoewel Hij opgestaan is ten leven, heeft Hij zich nooit den volke geopenbaard, Handelingen 10:41. De boze wereld dacht, dat zij nu al genoeg van Hem gezien hadden, en zij riepen: Weg met hem, kruis hem, en zo zal dan ook hun oordeel wezen, zij zullen Hem niet meer zien. Alleen diegenen, die Christus zien met het oog des geloofs, zullen Hem voor eeuwig zien. De wereld ziet Hem niet meer tot aan Zijne wederkomst, maar Zijne discipelen oefenen gemeenschap met Hem ook in Zijne afwezigheid.
1. Gij ziet Mij, en zult Mij blijven zien, als de wereld Mij niet meer ziet. Zij zagen Hem met hun lichamelijke ogen na Zijne opstanding, want Hij heeft zich aan hen vertoond met vele gewisse kentekenen. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen. Zij zagen Hem met het oog des geloofs na Zijne hemelvaart, zittende aan de rechterhand Gods, als Heere over allen, zagen datgene in Hem, wat de wereld niet zag. 2. Want Ik leef, en gij zult leven. Wat hen smartte was, dat hun Meester ging sterven, en zij stelden zich niets anders voor dan met Hem te sterven. Neen, zegt Christus:
a. Ik leef, hierin roemt de grote God. Ik leef, zegt de Heere, en Christus zegt hetzelfde, niet slechts: Ik zal leven, zoals Hij van hen zegt, maar Ik leef, want Hij heeft leven in zich zelven, en leeft tot in eeuwigheid. Zolang wij weten dat onze Verlosser leeft, zijn wij niet zonder troost.
b. Daarom zult ook gij leven. Het leven der Christenen is opgesloten in het leven van Christus, zo zeker als Hij leeft, en zo lang als Hij leeft, zullen zij, die door het geloof met Hem verenigd zijn, ook leven, zij zullen geestelijk leven, en Goddelijk leven in gemeenschap met God. Dat leven is verborgen met Christus, indien het hoofd en de wortel leven, dan zullen de leden en de takken ook leven. Zij zullen eeuwig leven, hun lichaam zal opstaan in de kracht van Christus' opstanding, het zal in de toekomende wereld wèl met hen wezen. Het kan niet anders dan wèl wezen met hen, die de Zijnen zijn, Jesaja 26:19.
3. Gij zult hiervan de verzekerdheid hebben, vers 20. In dien dag, als Ik verheerlijkt ben, als de Geest is uitgestort, zult gij bekennen, helderder en zekerder dan thans, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u.
a. Deze heerlijke verborgenheden zullen ten volle bekend zijn in den hemel. In dien dag, als Ik u tot Mij zal nemen, zult gij volkomen weten hetgeen gij thans slechts als door een spiegel ziet in een duistere rede. Thans is het nog niet openbaar wat wij zijn zullen, maar dan zal het openbaar worden wat wij waren.
b. Zij werden meer ten volle gekend na de uitstorting des Geestes op de apostelen, in dien dag zal een Goddelijk licht schijnen, en hun ogen zullen meer klaarlijk zien, hun kennis zal dan grotelijks toenemen, zal uitgebreider en duidelijker worden, en wezen als die van den blinde, op de tweede aanraking van Christus' hand, die in het eerst slechts mensen als bomen had zien wandelen.
c. Zij worden gekend door allen, die den Geest der waarheid ontvangen, en dat wel tot hun grote voldoening, want in deze kennis is de gemeenschap gegrond met den Vader en Zijn Zoon Jezus Christus, Zij weten: a. dat Christus in den Vader is, een is met den Vader, door hun ervaring van hetgeen Hij in hen en voor hen heeft gewrocht, weten zij welk een bewonderenswaardige overeenstemming er is tussen het Christendom en den natuurlijken Godsdienst, dat deze geënt is in dien, en aldus weten zij, dat Christus in den Vader is. b. Dat Christus in hen is, ervaren Christenen weten door den Geest dat Christus in hen blijft, 1 Johannes 3:24. c. Dat zij in Christus zijn, want de betrekking is wederzijds, en van beide zijden gelijk, Christus in hen, en zij in Christus, hetgeen een innige en onafscheidelijke vereniging aanduidt, uit kracht daarvan is het, dat zij, omdat Hij leeft, ook zullen leven. Eenheid met Christus is het leven van de gelovigen, en hun betrekking tot Hem, en tot God door Hem, is hun zaligheid. De wetenschap van deze eenheid is hun onuitsprekelijke vreugde en voldoening, zij waren nu in Christus, en Hij in hen, maar Hij spreekt er van als van een nog nadere daad van genade, dat zij het zullen weten en er de vertroosting van zullen smaken. Het deel hebben aan Christus en de kennis daarvan zijn twee onderscheiden zaken, die niet altijd met elkaar gepaard gaan. III. Hij belooft, dat Hij hen zal liefhebben, en zich aan hen zal openbaren, vers 21-24. Merk hier op:
1. Wie zij zijn, op wie Christus zien zal, en die Hij als liefhebbers van Hem zal aannemen, zij zijn het, die Zijne geboden hebben en ze bewaren. Hiermede toont Christus, dat de liefderijke dingen, die Hij hier zegt tot Zijne discipelen, niet slechts bestemd waren voor hen, die toen Zijn volgelingen waren, maar voor allen, die door hun woord in Hem zullen geloven. Hier is
a. De plicht van hen, die aanspraak maken op de waardigheid van discipelen te zijn. Christus' geboden hebbende, moeten wij ze bewaren, als Christenen in naam en belijdenis hebben wij Christus' geboden, het geklank er van is in onze oren, zij zijn geschreven voor onze ogen, wij hebben er de kennis van, maar dit is niet genoeg, willen wij ons waarlijk als Christenen betonen, dan moeten wij ze bewaren, dat is houden. Ze in ons hoofd hebbende, moeten wij ze bewaren in ons hart en leven.
b. De waardigheid van hen, die den plicht van discipelen volbrengen. Zij worden door Christus beschouwd als de zodanige, die Hem liefhebben. Niet zij, die het meeste vernuft hebben, en weten hoe van Hem te spreken, of de grootste bezittingen aan Hem ten koste leggen, of voor Hem besteden, maar zij, die Zijne geboden bewaren. Het zekerste blijk van onze liefde voor Christus is gehoorzaamheid aan de wetten van Christus. Zodanig is de liefde van een onderdaan voor zijn vorst, een gehoorzame, eerbiedige liefde, een zich gedragen naar zijn wil, een tevreden berusten in zijne wijsheid.
2. Hoe Hij hun liefde zal vergelden, het zal een grote, rijke vergelding wezen, aan Christus is gene liefde verloren.
a. Zij zullen des Vaders liefde hebben: die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden. Wij zouden God niet liefhebben, indien Hij niet eerst door Zijne liefde tot ons, ons genade gaf om Hem lief te hebben, maar er is ene liefde des welbehagens beloofd aan hen, die God liefhebben, Spreuken 8:17. Hij heeft hen lief en laat hun weten, dat Hij hen liefheeft, Hij ziet hen aan met welgevallen en. omhelst hen. Alzo lief heeft God Zijn Zoon, dat Hij lief heeft allen, die Hem liefhebben.
b. Zij zullen de liefde hebben van Christus: en Ik zal hem liefhebben, als Godmens, als Middelaar. God zal hem liefhebben als een Vader, en Ik zal hem liefhebben als een broeder, een oudste broeder. De Schepper zal hem liefhebben, en de gelukzaligheid zijn van zijn wezen, de Verlosser zal hem liefhebben, en de Beschermer wezen van zijn welzijn. In den aard Gods is er niets, dat helderder schittert en uitblinkt dan dit: dat God liefde is. En in het werk van Christus is er niets heerlijker dan dit, dat Hij ons liefgehad heeft. Nu is beide deze en die liefde de kroon en de vertroosting, de genade en ere, die met allen zullen zijn, die "den Heere Jezus Christus liefhebben in onverderflijkheid. Christus ging Zijne discipelen nu verlaten, maar Hij belooft hen te blijven liefhebben, want, hoewel afwezig, behoudt Hij niet slechts een vriendelijke gezindheid voor de gelovigen, maar in Zijne afwezigheid bewijst Hij hun vriendelijkheid, want Hij draagt hen op Zijn hart, en leeft eeuwig om voor hen te bidden.
b. Zij zullen de vertroosting der liefde hebben: Ik zal Mij zelven aan hem openbaren. Sommigen verstaan dit in dier voege, dat Christus zich levend aan Zijne discipelen getoond heeft na Zijne opstanding, daar het echter beloofd is aan allen, die Hem liefhebben en Zijne geboden bewaren, moet het zo verstaan worden, dat het zich tot die allen uitstrekt. Er is een geestelijke openbaring van Christus en Zijne liefde aan alle gelovigen. Als Hij hun geest verlicht om Zijne liefde te kennen, en den omvang er van te kennen, Efeze 3:18, 19, als Hij hun genade verlevendigt en ze in beoefening doet komen, en aldus hun vertroosting in Hem verruimt-als Hij duidelijk voor hen maakt, dat zij deel in Hem hebben, en hun de tekenen geeft van Zijne liefde, de ervaring van Zijne tederheid en een onderpand van Zijn koninkrijk en heerlijkheid-dan openbaart Hij zich aan hen, en Christus wordt aan niemand anders geopenbaard dan aan hen, aan wie het Hem behaagt zich te openbaren.
3. Wat voorviel toen Christus deze belofte deed.
a. Een Zijner discipelen drukte er zijne verwondering over uit, vers 22. Merk op a. wie het was, die dat zei-Judas, niet de Iskariot. Juda, of Judas, was een beroemde naam, de vermaardste stam van Israël was die van Juda, twee van Christus' discipelen droegen dien naam, een van hen was een verrader, de ander was de broeder van Jakobus, Lukas 6:16, een van hen, die verwant waren aan Christus, Mattheus 13:55. Hij wordt genoemd Lebbeus en Thaddeus, was de schrijver van den laatsten brief, dien wij den algemenen brief van Judas noemen. Deze was het, die hier gesproken heeft. Merk op: Ten eerste. Er was een zeer goed man en een zeer slecht man, die dezelfden naam droegen, want namen bevelen ons niet Gode, en evenmin maken zij de mensen slecht, Judas de apostel is er niet erger aan toe geweest, en Judas de verrader was er niet beter aan toe, omdat zij naamgenoten waren. Maar: Ten tweede. De evangelist onderscheidt hen zorgvuldig en nauwkeurig, als hij van dezen Godvruchtigen Judas spreekt, voegt hij er bij: niet de Iskariot. Wacht u voor vergissing, laat ons het kostbare en snode niet met elkaar verwarren. b. Wat hij zei-Heere! wat is het? hetgeen te kennen geeft, of: Ten eerste, de zwakheid van zijn verstand. En aldus wordt het door sommigen opgevat. Hij verwachtte het aardse koninkrijk van den Messias, dat het openbaar zou worden in uitwendige heerlijkheid en macht, waarover de wereld verbaasd zou staan. "Hoe kan het dan", denkt hij, "alleen tot ons bepaald worden?" Hij vraagt dus wat hier de reden van is. Waarom wilt Gij Uzelven niet, gelijk wij verwachten, openlijk openbaren, opdat de heidenen tot Uw licht gaan, en koningen tot den glans, die U is opgegaan? Wij scheppen ons moeilijkheden door ons in den aard van Christus' koninkrijk te vergissen, alsof het van deze wereld ware. Of: Ten tweede, als uitdrukking van de kracht zijner genegenheid en zijner ootmoedige en dankbare bewustheid van Christus' onderscheidende gunst jegens hen, zoals David, 2 Samuël 7:18. Wat is er in ons om zo grote gunst te verdienen? Christus' openbaring van zich zelven aan Zijne discipelen geschiedt op voor hen onderscheidende wijze-aan hen, niet aan de wereld, die in duisternis is gezeten, aan de geringen, niet aan de machtigen en edelen, aan kinderkens en niet aan de wijzen en verstandigen. Zulke onderscheidende gunsten zijn zeer verbindend, in aanmerking genomen wie voorbijgegaan en wie verkoren worden.
IV. Het is met volle recht wonderlijk in onze ogen, want het kan alleen door vrije genade verklaard en daaraan toegeschreven worden.
Ja, Vader! want alzo is geweest het welbehagen voor U.
b. In antwoord hierop verklaart en bevestigt Christus wat Hij gezegd had, vers 23, 24. Hij ziet de zwakheid voorbij in hetgeen Judas gezegd had, en gaat voort met Zijne vertroostingen. Hij geeft een nadere verklaring van de voorwaarde der belofte, die bestond in Hem lief te hebben en Zijne geboden te houden. En hieromtrent toont Hij hun het nauw, onafscheidelijk verband tussen liefde en gehoorzaamheid: liefde is de wortel, gehoorzaamheid is de vrucht. Ten eerste. Waar oprechte liefde tot Christus in het hart is, daar zal ook gehoorzaamheid wezen. Zo iemand Mij liefheeft, in waarheid liefheeft, dan zal die liefde zulk een heersend en dringend beginsel in hem zijn, dat hij zonder twijfel Mijn woord zal bewaren. Waar oprechte liefde is voor Christus, daar bestaat ook waardering van Zijne gunst, eerbied voor Zijn gezag en een algehele overgave van den gehelen mens aan Zijne leiding en regering. Waar liefde is, zal plichtsbetrachting als vanzelf volgen, want zij is dan gemakkelijk en natuurlijk en vloeit voort uit een beginsel van dankbaarheid. Ten tweede. Van den anderen kant: waar geen oprechte liefde voor Christus bestaat, daar zal men zich er ook niet om bekommeren Hem te gehoorzamen: Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijne woorden niet, vers 24. Dit komt hier voor als ene ontdekking van hen, die Christus niet liefhebben, wàt zij ook zeggen of beweren, diegenen hebben Hem voorzeker niet lief, die Zijne waarheden niet geloven en Zijne wetten niet gehoorzamen, voor wie Christus' woorden slechts ijdele klanken zijn, waarop zij geen acht slaan, of harde redenen, die zij niet gaarne horen. Het is ook ene reden, waarom Christus zich niet zal openbaren aan de wereld, die Hem niet liefheeft, omdat zij Hem de belediging aandoet van Zijne woorden niet te bewaren. Waarom zou Christus gemeenzaam zijn met hen, die voor Hem vreemd willen wezen? Hij geeft een nadere verklaring van de belofte, vers 23. "Indien iemand Mij aldus liefheeft, dan zal Ik Mij aan hem openbaren. Ten eerste. Mijn Vader zal hem liefhebben. Dat had Hij tevoren gezegd, vers 21, en hier herhaalt Hij het ter bevestiging van hun geloof, omdat het zo moeilijk is zich voor te stellen, dat de grote God diegenen tot voorwerpen van Zijne liefde zou maken, die zich zelven tot "vaten Zijns toorn" hebben gemaakt. Judas verwonderde er zich over, dat Christus zich aan hen zou openbaren, maar Hij antwoordt: "Indien Mijn Vader u liefheeft, waarom zou Ik dan niet vrij en gemeenzaam met u wezen?" Ten tweede. Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. Dit verklaart de betekenis van Christus' zich openbaren aan hem, en maakt de gunst groot.
1. Niet slechts: Ik zal, maar: Wij zullen, Ik en de Vader, die hierin een zijn, zie vers 9. Het licht en de liefde van God worden meegedeeld aan den mens in het licht en de liefde van den Verlosser, zodat waar Christus ene gestalte heeft verkregen, het beeld Gods er op ingedrukt is.
2. Niet slechts: "Ik zal Mij aan hem tonen op een afstand", maar: "Wij zullen tot hem komen, om nabij hem te zijn, met hem te zijn", zodanig zijn de machtige invloeden der Goddelijke genade en vertroostingen op de zielen, die Christus in oprechtheid liefhebben.
3. Niet slechts: "Ik zal hem een ogenblikkelijk, voorbijgaand gezicht op Mij geven, of hem een kort bezoek brengen", maar: Wij zullen woning bij hem maken, hetgeen welbehagen in hem aanduidt en voortdurende trouw aan hem. God zal niet slechts gehoorzame gelovigen liefhebben, maar Hij zal er behagen in scheppen hen lief te hebben, zal rusten in Zijne liefde voor hen, Zefanja 3:17 1). Hij zal bij hen als tehuis zijn. Hij geeft een goede reden, zowel om ons te verplichten de voorwaarde te houden, als om ons aan te moedigen om staat te maken op de belofte. Het woord, dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, die Mij gezonden heeft. In dien zin had Hij dikwijls gesproken, Hoofdstuk 7:16, 8:28, 12:44, en hier wordt het zeer gepast er bijgevoegd. Ten eerste. Het klemmende van den plicht wordt dan gelegd op het voorschrift van Christus als onzen regel, en terecht, want dat woord van Christus, hetwelk wij moeten bewaren, is het woord des Vaders, en Zijn wil is de wil des Vaders. Ten tweede. De nadruk van onze vertroosting wordt gelegd op de belofte van Christus. Daar wij nu bij ons staat maken op die belofte, ons zelven moeten verloochenen, ons kruis op ons moeten nemen, en alles moeten verlaten, is het voor ons van het grootste belang om te onderzoeken, of de waarborg wel voldoende is, om er ons alles op te kunnen wagen, en dit geeft ons de overtuiging dat die waarborg voldoende is, dat het niet het blote woord is van Christus, maar van den Vader, die Hem gezonden heeft, en waarop wij dus met volle gerustheid aan kunnen.