Leviticus 26:1-13
I. Hier is het inprenten van die geboden van de wet, die van het allergrootste belang waren, en waaraan hun gehoorzaamheid het meest beproefd zal worden, vers 1, 2. Zij zijn een uittreksel van het tweede en het vierde gebod, die gelijk zij van al de tien geboden het uitvoerigst zijn, ook die zijn, waarop in andere delen van de wet het meest wordt aangedrongen. Gelijk een heer, die aan zijn dienstknecht vele zaken heeft opgedragen, besluit met de herhaling van die dingen, welke van het grootste gewicht zijn, maar het meest in gevaar om door de dienstknecht veronachtzaamd te worden, hem gebiedende, om wat hij ook doen mocht deze toch vooral niet te vergeten, zo besluit God hier door Mozes, na vele geboden, met een bijzonderen last om deze twee grote geboden te houden.
1. "Aanbidt toch, nooit beelden en maakt toch nooit beelden of schilderijen voor Godsdienstig gebruik," vers 1. Geen zonde was Godtergender dan deze, en toch was er geen waartoe zij meer neiging hadden, en die later bleek van verderflijker gevolgen voor hen te zijn. Bij de kennis van Gods wezen, eenheid en algemenen invloed, is het ons ook nodig te weten dat Hij een oneindige Geest is, Hem daarom voor te stellen door een beeld in het maken er van Hem of Zijn tegenwoordigheid te beperken tot een beeld door het te wijden, en Hem te aanbidden in een beeld door er zich voor te buigen, dat is, evenzeer als wat het ook zij, Zijn waarheid te veranderen in een leugen, en Zijn heerlijkheid in schande.
2. "Blijft grote eerbied behouden voor sabbaten en Godsdienstige bijeenkomsten," vers 2. Gelijk niets meer strekt om de Godsdienst te verderven dan het gebruik van beelden bij de eredienst, zo is er niets dat meer bijdraagt om de Godsdienst instand te houden dan het houden van de sabbat en het heiligdom te vrezen, dat is: te eerbiedigen. Hierin bestaat in grote mate het werktuigelijke of uitwendige van de Godsdienst, waardoor het innerlijke, het wezenlijke er van in stand wordt gehouden. Daarom zien wij in de profeten, dat er, na de zonde van afgoderij, geen zonde is waarvoor de Joden zo dikwijls bestraft, en met oordelen bedreigd worden, als de zonde van de sabbat te ontheiligen.
II. Zij worden ten sterkste aangemoedigd om in voortdurende gehoorzaamheid te leven aan al de geboden Gods, daar hun zeer ruim en zeer krachtig de verzekering wordt gegeven, dat zij, zo zij dit deden een gelukkig volk zullen zijn, en gezegend zullen worden met alle goed, dat zij slechts kunnen begeren. Menselijke regeringen zetten kracht bij aan hun wetten, door strafbepalingen voor de overtreding er van, maar God wil ook gekend zijn als een beloner van hen, die Hem zoeken en dienen.
Beschouwen wij deze grote en dierbare beloften, die, hoewel zij voornamelijk betrekking hebben op het tegenwoordige leven, en de openbare nationale belangen van dat volk, toch typen waren van de geestelijke zegeningen, welke door het verbond van de genade verzekerd zijn aan alle gelovigen door Christus.
1. Overvloed van de vruchten van de aarde. God zal hun regen geven op hun tijd, niet te veel en niet te weinig, maar zoveel als nodig is voor hun land, dat bevochtigd wordt door de regen van de hemel, Deuteronomium 11:10,11, zodat het zijn opbrengst zal geven, vers 4. De afhankelijkheid van de vruchtbaarheid van de aarde beneden van de invloeden van de hemel boven, is ons een duidelijke wenk, dat alle goede en volmaakte gave verwacht moet worden van boven van de Vader van de lichten. Er is beloofd dat de aarde haar vruchten in zulken grote overvloed zal voortbrengen dat zij voortdurend werk zullen hebben, altijd bezig zullen zijn beide om de korenoogst en de wijnoogst binnen te halen, vers 5. Vóór zij hun koren hadden gemaaid en gedorst, zal de wijnoogst gereed zijn, en eer zij hun wijnoogst voleindigd hadden, zou het hoog tijd wezen om te gaan zaaien. Langdurige oogsttijden zijn bij ons dikwijls het gevolg van ongunstig weer, maar bij hen zouden zij het gevolg wezen van grote vruchtbaarheid, en dus van overvloedige voortbrengselen. Dit is een beeld van de overvloed van genade, die uitgestort zou worden in Evangelietijden, wanneer "de ploeger de maaier genaken zal," Amos 9:13, en een grote oogst van zielen voor Christus ingezameld zal worden. De overvloed zal zo groot wezen, dat zij het oude zullen uitbrengen, om het aan de armen te geven, vanwege het nieuwe, teneinde er plaats voor te maken in hun schuren, die zij niet zoals de rijke dwaas, Lukas 12:18, wilden afbreken om grotere te bouwen, want God gaf hun deze overvloed om gebruikt, niet om van jaar tot jaar opgegaard te worden. "Wie koren inhoudt, die" "vloekt het volk," Spreuken 11:26. Het tiende vers hier wordt verklaard door de belofte in Maleachi 3:10 :"Ik zal u zegen" "afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen." En wat deze zegen van overvloed kroont, is wat in vers 5 gezegd is: gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, hetgeen te kennen geeft dat zij niet slechts overvloed zullen hebben, maar er genot en voldoening in zullen vinden. Zij zullen genoeg hebben en het weten. Aldus "zullen" "de zachtmoediger eten en verzadigd worden," Psalm 22:27.
2. Vrede onder de bescherming Gods, vers 5 gij zult zeker in uw land wonen, veilig in werkelijke zin, en veilig in uw eigen gevoel, uw schatting, in de kracht en de belofte Gods zult gij neerliggen en rusten, en niet alleen zal niemand u leed doen, maar er zal zelfs niemand zijn, die u verschrikt, vers 6. Zie ook Psalm 4:9. Zij zullen niet gekweld worden door wilde dieren, God zal die in het land doen ophouden, of zij zullen, zoals beloofd is in Job 5:23 " met hen bevredigd zijn." Zij zullen ook niet door krijgsgeruchten worden verschrikt: "het zwaard zal" "door uw land niet doorgaan." Deze heilige veiligheid is beloofd aan al de gelovigen, Psalm 91 en verv. Zij moeten wel veilig wonen, "die in" "God wonen."
3. Overwinning en voorspoed in hun buitenlandse oorlogen, terwijl zij binnenslands vrede en rust genieten, ver 7, 8. Hun wordt ook verzekerd, dat de hand Gods zo blijkbaar in hun veroveringen gezien zal worden, dat geen ongelijkheid van getal tot hun nadele zal wezen. Vijf uit u zullen de moed hebben om honderd aan te vallen, en de kracht om hen te vervolgen, zoals Jonathan gedaan heeft, 1 Samuël 14:12, de waarheid ervarende van zijn eigen zinspreuk, vers 6. Bij de Heere is geen verhindering om te verlossen door velen of door weinigen.
4. De toeneming van hun volk. Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, vers 9. Aldus moet de belofte aan Abraham gedaan, vervuld worden, dat zijn zaad zal wezen als het stof van de aarde, en veel talrijker nog zouden zij geweest zijn, indien zij zelf zich niet door hun zonden hadden verminderd. Aan de Evangeliekerk is beloofd, dat zij vruchtbaar zal zijn, Johannes 15:16.
5. De gunst van God, die de bron is van alle goed. Ik zal Mij tot u wenden, vers 9. Indien ons geloofsoog op God is gericht, dan zal het oog van Zijn gunst op ons gericht zijn. Er ligt meer opgesloten in die belofte, dan uitgedrukt is: Mijn ziel zal van u niet walgen, vers 11, zoals er meer opgesloten dan uitgedrukt is in de bedreiging: "Mijn ziel heeft in hem geen behagen," Hebreeën 10:38. Hoewel er datgene in hen was, dat hen met recht van Hem had kunnen vervreemden, zal toch, indien zij trouw Zijn inzettingen waarnemen, Zijn ziel niet van hen walgen. 6. Tekenen van Zijn tegenwoordigheid in en door Zijn inzettingen: Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten, vers 11. Het was hun eer en hun voordeel, dat Gods tabernakel onder hen was opgericht, maar hier geeft Hij hun kennis, dat de voortduring en vestiging er van afhingen van hun goed gedrag. De tabernakel, die nu opgericht was, zal gevestigd blijven indien zij gehoorzaam wilden zijn, maar anders niet. Het middel om Gods inzettingen onder ons gevestigd te hebben, als een nagel in een vaste plaats, is er trouw aan vast te houden. Er wordt bijgevoegd in vers 12, "Ik zal in het midden van u wandelen, met vermaak en voldoening, zoals iemand in zijn hof wandelt, Ik zal gemeenschap met u onderhouden, zoals een man, die met zijn vriend wandelt." Hierop schijnt gezinspeeld te worden in Openbaring 2:waar van Christus gezegd wordt, dat Hij "in het midden van" "de gouden kandelaren wandelt."
7. De genade van het verbond als de bron en grondslag, de lieflijkheid en vastheid van al deze zegeningen: Mijn verbond zal Ik met u bevestigen, vers 9. Laat hen hun deel van het verbond nakomen, dan zal God niet in gebreke blijven Zijn deel er van na te komen. Alle verbondszegeningen zijn saamgevat in de verbondsbetrekking, vers 12, Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn, en zij zijn allen gegrond op hun verlossing, vers 13, Ik ben uw God, want Ik heb u uit van de Egyptenaren land uitgevoerd. Hen verkregen hebbende, zal Hij hen als de Zijnen erkennen, en hen nooit verwerpen, voor zij Hem zouden verwerpen. Hij heeft de disselbomen van hun juk verbroken en hen rechtop doen gaan, dat is: hun bevrijding uit Egypte bracht hen in een toestand beide van gemak en van eer, opdat zij, verlost zijnde uit de handen van hun vijanden, God zouden dienen zonder vrees, een ieder van hen wandelende in zijn oprechtheid. Toen Israël Christus verwierp, en daarom door Hem verworpen werd, werd van hen gezegd, dat hun rug altijd verkromd is onder de last van hun schuld, die zwaarder was dan de last hunner slavernij in Egypte, Romeinen 11:10.