1 Corinthiërs 3:16-17
Hier trekt de apostel zijn bewijsvoering en vermaning samen, gegrond op zijn vroegere uitspraak: Gij zijt Gods gebouw, vers 9. En hier: Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont? Zo iemand den tempel Gods schendt (bederft en verwoest) dien zal God schenden (in beide zinnen wordt in het oorspronkelijke hetzelfde woord gebruikt) want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. Het schijnt uit andere gedeelten van den brief, waar de apostel hetzelfde onderwerp aanroert, 6:13-20, dat de valse leraars onder de Corinthiërs niet alleen losbandigen waren, maar ook verderfelijke leringen onderwezen, die uitnemend geschikt waren voor den smaak van deze gezonken stad, het brandpunt der onzedelijkheid. Zulke leerstellingen moesten niet gerekend worden onder het hout, hooi en stoppelen, die verbranden zouden, terwijl hij, die ze op het fondament had gebouwd, aan het vuur ontkomen zou, want die waren er op aangelegd om de kerk te bederven en te verwoesten, welke een gebouw Gods was. Hem geheiligd en derhalve rein en heilig te bewaren. Zij, die zulke leringen verbreidden, tartten God om hen te vernielen. Zij, die slechte leringen verbreiden, welke rechtstreeks de bedoeling hebben om de kerk te besmetten, onheilig en onrein te maken, lopen gevaar verwoesting over zich zelven te brengen. Het kan ook opgevat worden als een bewijsvoering tegen hun tweedracht en scheurmakerij, daar verdeeldheid den weg baant tot verwoesting. Maar wat ik eerst aangaf schijnt de eigenlijke bedoeling te zijn van de woorden: Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in u woont? Men kan dit verstaan van de gemeente te Corinthe als een geheel of van iedere gelovige in het bijzonder, Christelijke gemeenten zijn tempels Gods. Hij woont in haar met Zijn Heiligen Geest. Ze zijn opgebouwd tot ene woonstede Gods in den Geest, Efeze 2:22. Elke Christelijke gemeente is een levende tempel van den levenden God. God woonde in den Joodsen tempel, nam daar bezit van, en hield daar verblijf door die heerlijke wolk, welke het teken was van Zijn tegenwoordigheid bij dat volk. Zo woont Christus door Zijn Geest in al Zijn ware gelovigen. De tempel was gewijd en geheiligd aan God, en van al het ongeheiligde afgezonderd tot den onmiddellijken dienst van God. Zo zijn alle Christenen van al het ongeheiligde afgezonderd voor God en Zijn dienst. Zij zijn Hem geheiligd, een zeer goed verweermiddel tegen alle vleselijke lusten en alle leerstellingen, die deze vergoelijken. Zo wij de tempels Gods zijn, mogen wij niets doen dat ons van Hem kan vervreemden, of ons zelven bederven of besmetten en daardoor voor Zijn dienst ongeschikt maken, en wij mogen het oor niet lenen aan enige leerstelling of leraar, die ons tot zulke daden verlokken wil. Christenen zijn heilig door hun belijdenis, en moeten beiden in hart en mond rein en zuiver zijn. Wij zullen hartelijk verafschuwen en zorgvuldig vermijden alles, wat Gods tempel zou ontreinigen en onteren hetgeen Hem geheiligd is.