27. En, om nu tenslotte nog aan te wijzen, hoe ook wat in
Jesaja 60:18 gezegd is, tot vervulling komt, in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt Re 22:15; maar die geschreven zijn a) in het boek des levens van het Lam zodat nu ook het woord in
Jesaja 60:12 v. tot werkelijkheid en waarheid is geworden.
a) Exodus 32:32 Psalm 69:29 \Filippenzen 4:3 Openbaring :5; 20:12 Hoe goed zal voor hen, voor de burgers van het nieuwe Jeruzalem deze zekerheid, deze hele bevrijding van alle onreinheid zijn, nadat zij in de wereld, waar zelfs het beste niet rein is, waar men zich zelfs voor zijn vrienden niet veilig weet, op geen mens kan vertrouwen, zo lang en zwaar angst gevoeld hebben en in onrust zichzelf hebben geplaagd.
Bij het "boek des levens" is gevoegd "van het Lam" om daarop te wijzen, dat de mens het alleen in Christus daartoe kan brengen, dat hij in het boek des levens wordt ingeschreven en op de nieuwe aarde komt. Zo weten wij dan, wat wij van de bewoners van de nieuwe aarde hebben te denken. Zij zullen persoon voor persoon degenen zijn, die in Christus verkregen hebben, om bij het laatste oordeel in het boek des levens gevonden te worden.
Sinds de vroegste tijdperken van de geschiedenis van de mensheid zijn de grote steden op aarde niet enkel de zetels van de beschaving, maar ook de brandpunten van zedelijke verdorvenheid en allerlei zonden geweest. Wat van Ninevé geschreven staat: "hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht", het kan ook van Babel en Rome, van Tyrus en Sidon, bij herhaling zelfs van het aards Jeruzalem gelden. Van veel wat heimelijk in de nieuwe wereldsteden geschiedt, zou men met Paulus kunnen schrijven: "het is schandelijk ook om te zeggen" (Efeze 5:12). Hoe groter stad, hoe meer ongerechtigheid; wie zou niet kunnen wensen, eindelijk eens een glansrijke uitzondering op dien algemenen regel te zien? Die uitzondering, wij zoeken op aarde haar vruchteloos, maar eenmaal zal zij meer zijn dan droom. een stad zonder droom, ziet daar het heerlijk beeld, dat voor het verhelderd oog van Johannes zich plaatste; nadat de eerste hemel en de eerste aarde voorbij gegaan waren. Allen kennen we de prachtschilderij, die daarvan op het laatste blad van de Bijbels wordt opgehangen, maar allen beseffen we tegelijk, dat in die schilderij de schoonste trek van allen ontbreken zou, als daaraan het woord niet toegevoegd ware: "daar zal niet inkomen, dat ontreinigt, dat gruwelijkheid doet en leugen spreekt. " Dat woord, als opschrift boven de poort van de Godsstad geplaatst, het is wel echt een woord om stil bij te worden en zich rekenschap te geven van de verschillende indrukken, die het bij voortgezet nadenken wekt. Een ontzaglijk vonnis, dat voelen wij het eerst van al, staat hier in weinige woorden te lezen; een vonnis, dat niet slechts enkelen, maar ontelbaar velen oordeelt, wanneer het in zijn onverbiddelijke strengheid wordt toegepast, "Niet inkomen", het is nog veel ontzettender oordeel dan het strafgericht, dat Israël van Kanaäns grenzen, die het reeds dacht te overschrijden, op eenmaal terugwierp in het hart van de woestijn. Het is in zeker opzicht nog sterker, "dan het leven niet zien. " Denkt u de pelgrim, die in zijne verbeelding reeds van verre de Godsstad aanschouwt en de poorten open ziet staan, maar aan de dorpel zich op eenmaal met een: "niet verder" ziet afgewezen. En toch, al huiveren wij, ontkennen laat het zich niet; het is een rechtvaardig gericht over alles wat in enig opzicht ontreinigt. Het kan niet anders zijn, dan hier met hoog gezag wordt verkondigd, om het even, of wij de hemel tegenover de onreine, of den onreine tegenover de hemel ons voorstellen, wij kunnen geen andere uitkomst ons denken. Wat meer is, dat vonnis, het wordt zelfs ene onschatbare weldaad; het kan niet anders, maar ook, het moet niet anders, dan hier de Geest van de waarheid getuigt. Denkt u een ogenblik, dat daarboven ook slechts iets, wat ontreinigt, kon binnengaan, wat waarborg zou er voor het genot van een stoorloze zaligheid overblijven en waar is de zon van de vreugde, die niet maar al te snel door ene donkere wolk zou bedekt worden? Neen, eerst door dat vonnis wordt in het hemels Jeruzalem de vrede van iedere burger afzonderlijk, maar ook de onderlinge vrede van alle hemelburgers te samen gewaarborgd. Eerst zo kan de Godsstad, hoe groot ook, een onafzienbaar huisgezin heten, omdat volmaakte heiligheid alle zelfzucht, leugen en gruwel verbant en zo ontsluit zich hier voor het oog van het geloofs een hartverheffend verschiet, als de waarneming van de macht van de zonde rondom ons en de ervaring van diezelfde macht in ons binnenste ons hoe kan het anders de ziel niet zelden met de diepsten weedom vervult. Er zijn diepten van de satans in de grote wereld daarbuiten, maar helaas ook in de kleine wereld daarbinnen, waarvan soms de verre aanblik ons sidderen doet en het heerlijkst loflied van de schepping wordt telkens voor ons oor door de wanklank van de zonde verstoord. De Schoonste stad, het liefste huis, het beste hart worden voor het geestelijk oog door die noodlottigen invloed bedorven. Ja, ook wij zelf, kenden we slechts één dag, dat wij onze God volmaakt konden loven en dienen, daar zullen wij het in eeuwigheid, zo velen wij echt gereinigd zijn en hoe ver het onsterfelijk oog rondom zich heen moge staren, nergens zal het in de verste verte één spoor van die verfoeilijke zonde aanschouwen, die ons hier zoveel bittere tranen deed wenen. Verrukkelijk uitzicht, nog eens, maar bovenal, indrukwekkende roepstem ter bekering voor iedere zondaar, ter rusteloos voortgezette heiligmaking voor elke gelovige! Geen tittel of jota kan zelfs door een engelenhand van dit Godswoord uitzekert worden, maar zolang de genadetijd duurt, is de weg voor allen geopend, dat ook van hen de getuigenis gelde: "u bent gerechtvaardigd in de naam van de Heere Jezus Christus en door de Geest van onze Gods" (1 Corinthiërs 6:11). Maar dan ook: "die geheiligd is, dat hij nog geheiligd worde" (Openbaring 2:11 b), al ware het ten koste van oog of hand of voet, die de ingang ten leven beletten zouden, zo ze niet in tijds afgehouwen en uitgerukt werden. Ach hoeveel, dat wij nog sparen en strelen en kweken zelfs en dat daar toch niet inkomen zal! God opent daarvoor nog intijds onze ogen!
Met dit ontzaglijk woord eindigt een van de verrukkelijkste bladzijden van de Heilige Schrift. De apostel-profeet heeft ons de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem, de stad van de eeuwige rust voor het volk van God, geschilderd. Aan de heerlijkheid van het Jeruzalem, dat op de aarde was, zijn de trekken, de kleuren, de beelden van de schilderij ontleend; maar alle schoonheid op aarde moet verbleken bij de vereniging van alle volkomenheden, die de op aarde gedaalde hemelstad zal aanbieden. Al wat zich de verbeelding kostbaars, in de ongelofelijkste rijkdom en overvloed en onder de grootste afmetingen kan voorstellen, wordt bijeengebracht en uitgeput, om aan het in de ellende van het leven versmachtend hart een denkbeeld bij te brengen van het gans zeer uitnemend eeuwig gewicht van zaligheid en heerlijkheid, dat in de toekomst voor Gods kinderen is weggelegd. Heilig en veilig, achter haar hoge muur, met engelen tot poortwachters op de hechtste grondslagen en de schoonste evenredigheden, ligt daar de grote stad, waarvan de kunstenaar en bouwmeester God is en die van Hemzelf uit de hemel is neergedaald. Haar muren, haar straten, haar grondzuilen, haar poorten schitteren van goud, van edelgesteenten, van parels, van doorluchtig kristal. Al deze pracht is nochtans haar grootste heerlijkheid niet. De grootste heerlijkheid van het aardse Jeruzalem was Zijn tempel, dat wonder van de wereld. Maar een grote tempel is geheel de hemelse stad. Zij bezit de heerlijkheid van God. Geen zon en maan gaan over haar op en onder. God en Zijn Christus zijn haar zon, haar maan, haar fakkel. Dus kent zij nacht noch duisternis. De uitverkorenen van alle natiën stromen van alle kanten haar naar alle zijden geopende poorten binnen. Maar geen enkele onreine, geen enkele gruweldader, geen enkele leugendienaar mag daar ingaan. Zij alleen, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam, de door God gekenden, door het bloed van Zijn Zoons gekochten, door Zijn Geest geheiligden. In haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen, maar die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam. Ik heb dat woord ontzaglijk genoemd; wat dunkt u? Wee hem, die het zonder ontzag, zonder vrees en beven horen kan. Het behelst een ontzaglijk vonnis voor de eeuwigheid. Het behelst een ontzaglijke voorwaarde van de zaligheid. En zo een ontzaglijke prediking voor het leven. Vreselijk woord, uit hoofde van de vreselijkheid van het vonnis, dat het uitspreekt. Dat vreselijk vonnis voelen wij in al zijn kracht, als wij het ons in zijn inhoud, zijn toepassing, zijn rechtvaardigheid voorstellen. "Niet inkomen! " Wat een woord, wat een uitspraak, wat een lot! U heeft gehoord van de afschuwelijke leer, door sommigen geleerd, dat alles eindigt met dood en vernietiging; geen rust na dit leven vol onrust dan in de groeve van de vertering; het hemels paradijs, het nieuw Jeruzalem, de eeuwige zaligheid bij God kunstig verdichte fabels, ijdele inbeeldingen, dwaze doornen. Welnu, deze afschuwelijke leer, zo ijselijk voor uw gevoel en waarbij uw hart ineenkrimpt, wat is zij anders dan een wanhopige poging om zich te beschermen tegen de veel groter ijselijkheden van dat vonnis: "niet inkomen". Denk het in. U weet, daar is een plaats van rust na al uw zwerven, van geluk na zoveel tranen, van blijvend goed na zo menige teleurstelling, van waarachtig leven na duizend doden; deze plaats is u getoond, haar poorten staan open, u ziet anderen, u ziet velen, u ziet uw gelijken, u ziet dierbaren daarin gaan voor eeuwig en u zelf wordt afgewezen met koele, met strenge ernst: "terug van hier, voor u geen toegang; hier is de hemel, maar niet voor u; hier is de stad van God, maar zij sluit u buiten; hier de zaligheid, maar u zult die niet smaken; hier zijn de heiligen, maar van u gescheiden; hier is de tegenwoordigheid van God, maar u zult die niet genieten; hier de Heere Jezus Christus, de Zaligmaker van zondaren, maar Hij zegt: Ga weg van Mij! " "Niet inkomen. " Waarheen gaat hij, tegen wie dat vonnis is gesproken? Is daar in Gods groot heelal voor de gebannenen uit het hemels Jeruzalem nog een toevluchtsoord, waar zij zijn in een toestand, verdraaglijk, ofschoon niet zalig; met enig licht, al is het niet dat van het hemelse leven, of waar ten minste een straal van hoop, een druppel van vertroosting overschiet? Ach! wij kennen al te goed de kracht van dat woord: "niet inkomen. " Afgewezen te worden aan de poorten van de hemel, is verwezen te worden tot de holen van de hel. Daar is geen middelbare toestand tussen de eeuwige zaligheid en de eeuwige afgrijzing. Op een andere plaats van dit boek staat geschreven: "Als iemand niet gevonden wordt geschreven in het boek des levens, die wordt geworpen in de poel van vuur. " Niet in te komen, het is buiten geworpen te worden; niet in te komen, het is alle hoop te laten varen; niet in te komen, het is de grootste kloof voor eeuwig gevestigd te zien tussen zich en alle heil, tussen zich en alle goeden, tussen zich en alle vertroosting; niet in te komen, het is overgegeven te worden aan de worm, die niet sterft. Vreselijk is het, mijn broeder in Adam, mijn vlees en mijn been! dit vonnis u voor te stellen. Maar God heeft het u voorgesteld. Wee ons, als wij het ons ontveinzen! Dit bid ik, dat wij allen bewaard worden, de ijselijke kracht ervan te ervaren in onszelf. Dat bijbelwoord zegt ons niet slechts, wie in het hemels Jeruzalem niet zullen inkomen, het zegt ons ook, wie deel zullen hebben aan de zaligheid en heerlijkheid van de eeuwige Godsstad. Maar ook zo is het een ontzaglijk woord. Immers het snijdt alle hoop, om zonder de tussenkomst van Christus zalig te worden, niet slechts af, het laat ook niemand toe, gerust te zijn, zonder dat hij van zijn deel aan Christus wel overtuigd zij. Het snijdt alle hoop, om zonder de tussenkomst van Christus zalig te worden, af. Daar is niemand, die niet wel eens in zijn hart overtuigd is, dat hij, zoals hij is, onwaardig is om voor God te verschijnen, om deel aan de eeuwige zaligheid te ontvangen. Het is bij enig nadenken onmogelijk, om niet in te zien de rechtvaardigheid van dat vonnis, dat in het hemels Jeruzalem niet zal inkomen iets, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen. Zelfs de lichtzinnigste gelooft, dat hij niet dan door een zekere toegevendheid, die hij in God veronderstelt, zalig zal kunnen worden; en zij, in wie maar enige ernst is, nemen graag aan, dat er met hen nog veel gebeuren moet, dat zij nog geheel anders zullen moeten worden dan zij heden zijn, zullen zij bereid wezen voor de hemel en die hemelse zaligheid, waaraan ook zij na hun dood wensen deel te hebben. Daar zijn zelfs niet weinigen, die uit wezenlijk besef van deze noodzakelijkheid de hand aan hun verbetering slaan en zich op een meer en meer deugdzaam, nauwgezet, godsdienstig leven toeleggen; en verre zij het van ons, deze pogingen te verachten, die, zo ze in ootmoed worden aangewend, de naar deugd en heiligheid strevende mens tot een heilzame kennis van zijn onvermogen en voorts verder brengen zullen. Wie worden gezegd, in te zullen komen in het hemels Jeruzalem? Zij, die het grootste denkbeeld gehad hebben van de toegevendheid van God? Zij, die het verst gevorderd zijn op het pad van de deugd, op de weg van de verbetering, van de volmaking? Nee, maar zij, die geschreven zijn in het boek van het Lam. Wie is het Lam? "Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. " Het Lam van God is Christus, de Zoon van God, de Zaligmaker van de wereld. Wat ik mij verbeelden mag, voor wie ik gehouden wordt, of mij zelf houdt, wie ik wezen mag, hoe veel beter dan anderen, hoe veel deugdzamer dan vroeger als er geen betrekking bestaat tussen die Christus en mij, al hield ik mij ook van voldoende reinheid en heiligheid overtuigd, al meende ik ook, dat alle waarheid in mij was, al stond de hele wereld verbaasd over mijn goede werken en gerechtigheden als er geen betrekking bestaat tussen die Christus en mij, als mijn naam niet geschreven staat in het boek des levens van het Lam, ik zal worden afgewezen aan de poort van de hemel met al wat ontreinigt, al wat gruwelijkheid doet en leugen. Heb ik ook niet op de grootste leugen van mijn hart vertrouwd, die mij deed geloven, dat er geen bloed van verzoening nodig was om mij te reinigen, om mij te rechtvaardigen, om mij te heiligen? Heb ik niet gruwelijkheid gedaan, het Evangelie van God, dat mij verkondigd was, versmadend? Heb ik mij niet verontreinigd met een farizese hoogmoed, die niet bewegen wilde bij het kruis van de Zoon van God? Ja, daar moet ik Hem leren kennen, daar erkennen als Hem, die ik voor mijn zondige ziel nodig heb, als Hem, die God mij tot mijn Zaligmaker gegeven heeft. Daar eerst wordt Hij mij het Lam van God, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Daar moet Hij in mij een boetvaardige, een in Hem gelovige zien. Als ik geen deel begeer aan die verzoenende dood van het Lam, mijn naam komt niet in het boek des levens van het Lam en als mijn naam niet geschreven staat in het boek des levens van het Lam, vruchteloos heb ik Zijn naam geschreven in mijn boeken, of gevoerd in mijn mond, als die van een wijze, als die van een heilige, als die van een martelaar; ik zal niet ingaan in die stad, waar niemand ingaat, dan die met volle overtuiging van het hart het Lam heeft leren toezingen: "U bent geslacht en heeft mij voor God gekocht met Uw bloed. " "Die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam. " Dat woord laat niemand toe gerust te zijn, zonder dat hij van zijn deel aan Christus wel overtuigd zij. Naam-Christendom baat niet. Alle valse gronden van gerustheid ontzinken. Onze naam geschreven te hebben in het doopboek, in het lidmatenboek doet niets af. Hoog aangeschreven te staan bij de maatschappij, bij de gemeente, bij de godvruchtigen, bewijst niet genoeg. Men kan Heere Heere roepen en Christus niet toebehoren. Men kan anderen prediken en zelf verwerpelijk worden bevonden. Men kan wonderen en tekenen gedaan hebben; de geesten kunnen ons onderworpen zijn geweest in de naam van de Heere; maar als onze naam niet geschreven staat in het boek des levens van het Lam, wij zullen geen hemelzaligheid smaken. Hiervan zeker te zijn, kan ons alleen voor de eeuwigheid gerust stellen. En hoe zullen wij daarvan zeker zijn? Immers alleen zó, als wij zeker kunnen zijn van de dingen, die het voorwerp van onze hoop uitmaken, alleen zo, als wij "een bewijs kunnen hebben van de zaken, die wij niet zien", door het geloof. Het boek des levens van het Lam zal op aarde voor ons niet ontzegeld, ons niet ter lezing gegeven worden, geen afschrift van de bladzijde, die ons betreft, zal ons uit de hemel worden toegereikt, geen buitengewone openbaring zal ons zijn hoge geheimenis verraden. Maar door het geloof kan de zondaar zijn naam in het verzegeld, in het in de hemel bewaard boek lezen; door datzelfde geloof, waardoor hij verzegeld heeft, dat God waarachtig is, door datzelfde geloof, waardoor hij gelooft in Jezus Christus, het Lam van God, dat de zonde van de wereld, dat ook zijn zonde wegneemt. Die in Mij gelooft, heeft de Heiland gezegd, heeft het eeuwige leven. Die in de Heiland gelooft, mag en hij moet noodwendig overtuigd zijn, dat hij het eeuwige leven heeft, dat zijn naam in het boek des levens staat geschreven. Ontzaglijk woord! Nog komt het tot mij en vermaant tot bekering van de weg van de zonde, tot geloof in het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt, tot zelfbeproeving, of u in het geloof bent, tot heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal, niemand van zijn geloof zeker wezen mag of kan. Zeker, niet voor het eerst komt het tot u. Maar misschien voor het laatst.