Jeremia 48:1-13
In deze verzen kunnen wij opmerken,
I. De auteur van Moabs verwoesting, het is de Heere van de heirscharen, die legers, alle legers tot Zijn beschikking heeft, en de God Israëls, vers 1, die hier de zaak van Israël zal opnemen tegen een volk, dat altijd lastig voor hen is geweest, en die hen nu zal straffen voor het onrecht, dat zij Israël van ouds aangedaan hebben, hoewel het Israël verboden was, zich met hen te bemoeien, Deuteronomium 2:9, daarom wordt de verwoesting van Moab het werk des Heeren genoemd, vers 10, want Hij is het, die het voor Israël opneemt, en Zijn werk zal nauwkeurig overeenstemmen met Zijn woord, vers 8.
II. De werktuigen er van: De verstoorder zal komen, zal komen met een zwaard, een zwaard, dat achter hen henen zal gaan, vers 2. "Ik zal hem vreemde gasten toezenden, dezulken, die van verre komen, alsof zij zwervers waren, of verdwaald, maar zij zullen hem in vreemde plaatsen voeren, zij schijnen zelf vreemdelingen te zijn, maar zij zullen de Moabieten inderdaad tot vreemdelingen maken, want sommigen zullen vluchten en anderen in gevangenschap gevoerd worden." Deze verstoorders wekken zich zelf op om de straf te voltrekken", zij hebben kwaad tegen Hesbon gedacht, een van de voornaamste steden van Moab, en zij bedoelen niets minder dan het verderf van het koninkrijk: Komt en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij, vers 2, niets minder dan dat zal de invallers bevredigen, zij komen, niet om te plunderen, maar om het te verderven. De profeet draagt hun in Gods naam op, geen half werk te doen, vers 10 :Vervloekt zij, die des Heeren werk bedrieglijk doet, het bloedige werk, het werk van de vernieling, hoewel het medelijdende mensen tegen de borst stuit, het is het werk des Heeren, en moet niet ten halve gedaan worden. De Chaldeën hebben de opdracht door een geheim instinct, zegt Gataker, om de Moabieten te verderven, en daarom mogen zij niet sparen, ze mogen niet uit een dwaas medelijden, hun zwaard van het bloed onthouden, daardoor zouden zij een zwaard, en een vloek er bij, over zich zelf brengen, zoals Saul deed, door de Amalekieten te sparen, en Achab door Benhadad te laten gaan. "Uw ziel zal zijn in de plaats van zijn ziel". Op dit werk wordt toegepast de algemene regel, die aan allen gesteld wordt, die in de dienst van God werkzaam zijn: "Vervloekt zij, die des Heeren werk bedrieglijk doet," of zorgeloos, die beweert het te doen, maar het niet inderdaad doet, die de schijn aanneemt Gods ere te bevorderen, maar in werkelijkheid zijn eigen bedoelingen bevordert en het werk des Heeren in zoverre doet, als dienstbaar is aan zijn eigen belangen, of die traag is in de dienst van God en zich moeite noch inspanning getroost om het te doen, zoals het behoort gedaan te worden, Maleachi 1:14. Laat dezulken zich niet bedriegen, want God laat Zich niet aldus bespotten.
III. De droeve voorbeelden en resultaten van de verwoesting. De steden zullen met de grond gelijk gemaakt worden, zij zullen verstoord, vers 1, en in puin gelegd worden, vers 2, zij zullen eenzaam worden, dat niemand daarin wone, vers 9, er zullen geen huizen zijn, om in te wonen, of geen volk om er in te wonen, of geen veiligheid en rust voor hen, die er in zouden willen wonen. Elke stad zal verwoest worden, niet één stad zal ontkomen. De sterkste stad zal niet in staat zijn zich zelf te beveiligen tegen de macht van de vijanden, ook zal de schoonste stad niet in staat zijn, zich het medelijden en de gunst van de vijanden te verzekeren. Het land zal ook verwoest worden, het dal zal verderven, en het effen veld verdelgd worden, vers 8. Het graan en de kudden, die de vlakten bedekten en de dalen deden juichen, zullen alle vernield opgegeten, vertreden, of meegevoerd worden. De heiligste personen zullen niet ontkomen: De priesteren en vorsten zullen tezamen uitgaan in gevangenis. Ja, Camos, de god, die zij dienen, die hen, naar zij hopen, beschermen zal, zal in hun ondergang delen, zijn tempels zullen in de as gelegd worden en zijn beeld met de overigen buit meegenomen worden. Het gevolg van dit alles zal zijn,
I. Grote beschaming en ontsteltenis: Kirjathaim is beschaamd, en de stad des hogen vertreks is beschaamd. Zij zullen beschaamd zijn over de grote roem, die zij op hun steden gedragen hebben: Moabs roem van Hesbon is er niet meer, vers 2, zij zullen niet meer pochen op de sterkte van de stad, wanneer het kwaad, dat men er tegen gedacht heeft, er over gebracht wordt. Ook zullen zij niet meer roemen in hun goden, vers 12, zij zullen beschaamd worden vanwege Camos (beschaamd vanwege de gebeden, die zij tot hem gericht hebben en vanwege het vertrouwen, dat zij gesteld hebben op die drekgod), gelijk als het huis Israëls beschaamd is geworden vanwege Beth-El, dat is het gouden kalf, dat zij te Beth-El hadden, waarop zij vertrouwden als hun beschermer, maar waar zij bedrogen mee uitkwamen want het was niet in staat hen van de Assyriërs te redden, evenmin zal Camos in staat zijn de Moabieten van de Chaldeën te redden. Die niet overtuigd willen worden van en beschaamd over hun afgoderij, door het Woord van God, zullen overtuigd en beschaamd worden door de oordelen Gods, als zij door droeve ervaringen de volkomen onbekwaamheid zullen bemerken, van de goden, die zij gediend hebben, om hun enige dienst te bewijzen.
1. Er zal grote smart zijn, er is een stem van gehuil gehoord, vers 3, en het geschrei is niet anders dan verstoring en een grote breuk. Helaas, helaas! Moab is verbroken, vers 4. De volwassenen hebben de steden verlaten, om voor hun eigen veiligheid te zorgen, en nu hebben de kleine kinderen een geschei laten horen de lagere standen, of de kleine kinderen, de onnozelen, en onschuldigen, wier kreten in zulke tijden het meest beklagenswaardig zijn. Klim op de heuvels, daal af in de valleien, en gij vindt geween bij geween, allen zijn in tranen, gij vindt niemand met droge ogen. Zelfs de vijanden hebben het gehuil gehoord, voor wie zij het geheim gehouden zouden hebben, als zij wijs waren geweest, want zij zullen er door bezield en bemoedigd worden, maar het gekrijs is zo groot, dat het wel gehoord moet worden.
2. Er zal grote haast zijn, zij zullen de een tot de ander roepen: "Weg, weg! vlucht, redt uw ziel, vers 6, zorgt met de meest mogelijke spoed voor uw eigen veiligheid, al ontkomt gij bloot en "naakt als de heide, of de dorre struiken in de woestijn," denk er niet aan iets met u mee te nemen, want de poging kan uw leven kosten, Mattheus 24:16-18. Verschuil u al is het in een naakte woestijn, opdat gij uw ziel tot een buit moogt hebben. Het gevaar zal plotseling en snellijk komen, daarom, geeft Moab vleugels, vers 9, dat zou de grootste vriendelijkheid zijn, die gij ze kondt bewijzen, daarom zullen ze roepen: Och, dat mij iemand vleugels, als van een duif gaf! want als zij geen vleugels hebben, om te vliegen, zal er geen ontkomen voor hen zijn."
IV. De zonden, waarom God nu met Moab afrekenen zal, en die God rechtvaardigen in dit strenge optreden tegen hen.
1. Het is, omdat zij zeker geweest zijn, en vertrouwd hebben op hun rijkdom en kracht, hun werken en schatten, vers 7. Zij hadden zich veel moeite getroost om hun steden te versterken en er grote werken om aan te leggen, en hun schatkist en geldkisten te vullen, zodat zij dachten, dat zij even goed in staat waren oorlog te voeren als enig ander volk, en dat niemand een inval bij hen zou durven wagen, en daarom tartten zij het gevaar. "Die vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms, hij was sterk geworden door zijn beschadigen", Psalm 52:9. Om deze reden, en opdat zij op voelbare wijze overtuigd mogen worden van de ijdelheid en dwaasheid van hun vleselijk vertrouwen, zal God een vijand zenden, die hun werk zal vermeesteren en hun schatten roven. Wij verbeuren de troost van het schepsel, waarin wij ons vertrouwen stellen, dat wij in God alleen stellen moesten. De rietstaf, waarop men leunt, zal breken.
2. Het is, omdat zij geen goed gebruik hebben gemaakt tot verbetering, van de degen van hun vrede en voorspoed, vers 11.
a. Zij zijn lang met rust gelaten: Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest. Het was een oud koninkrijk, van vóór Israëls tijd, en had grote rust genoten, hoewel een klein land en omringd door machtige naburen. Gods Israël was beproefd geworden van zijn jeugd af aan, Psalm 129:1, 2 "maar Moab is gerust geweest van zijn jeugd aan." Hij is niet van vat in vat geledigd, heeft geen moeitevolle veranderingen, gepaard met verzwakking, gekend, maar is als wijn op de droesem gelaten, en niet afgetapt of afgeschonken, waardoor hij zijn kracht en geur behoudt. Hij is niet opgejaagd, of op enigerlei wijze verontrust, "hij heeft niet gewandeld in gevangenis" zoals Israël vaak gedaan heeft, en toch is Moab een goddeloos, afgodisch volk, en een van de samenspanners tegen Gods verborgenen, Psalm 83:47. Er zijn er velen, die hardnekkig blijven in onboetvaardige ongerechtigheid en toch een onafgebroken voorspoed genieten.
b. Al die tijd waren zij verdorven en onbekeerd gebleven: "Hij heeft op zijn uitvaagsel stil gelegen, " hij is zeker en zinnelijk in zijn voorspoed geweest, heeft er in gerust, en al zijn kracht en geest daaruit geput, zoals de wijn uit de droesem. "zijn smaak is in hem gebleven en zijn reuk niet veranderd, " hij is steeds dezelfde, zo slecht als altijd. Zolang slechte mensen zo gelukkig zijn in de wereld als altijd, is het geen wonder, als zij zo slecht zijn als altijd. Er is geen verandering in hun vrede en voorspoed, daarom vrezen zij God niet, hun hart en wandel zijn niet veranderd.