8. Maar als ware het hunnen koningen nog niet genoeg geweest Mijn heiligdom in hun leven te verontreinigen door oprichting van afgodsbeelden (
2 Koningen 21:1), hebben zij het ook na hunnen dood gedaan, als zij hunnen dorpel stelden aan Mijnen dorpel, en hunnen post nevens Mijnen post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was 1) Zij bouwden onmiddellijk aan de plaats van den tempel in den hof Usa hun lustslot en lieten zich daar begraven (
2 Koningen 21:18,
26), enzij verontreinigden Mijnen heiligen naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijnen toorn, gelijk Ik reeds in
Exodus 32:10 hunnen vaderen in de woestijn wilde doen.
Niet alleen voor het geestelijk volk Gods, de gemeente der gelovigen, maar voornamelijk ook voor het lichamelijk Israël (en daarin nog in ene zeer bijzondere mate) is deze belofte eindelijk ter vervulling bewaard, want zo heeft de Profeet ze zeker opgenomen en geloofd. Deze Goddelijke verordening, die zich voornamelijk van het volk Israël zal verheerlijken, is volgens Hebreeën 8 gene, die op den natuurlijken zin ziet, maar ene geestelijke. Evenmin als de offers in Vers 19 genoemd, tot heden konden plaats vinden, zo min mogen zij nog plaats hebben. De tempel is door rangschikking, inrichting en versiering als het ware een gekristalliseerd beeld van het goddelijk rijk. De Heere God, aleer Hij komt met de belofte en toezegging, met de woorden Zijner vertroosting, houdt Israël zijne schuld en zijne overtreding voor. Niet omdat Hij het begenadigde volk verwijten wil doen. Hij is toch een God, die mildelijk schenkt en niet verwijt, maar opdat het begenadigde volk zijn schuld en zonde zal indachtig blijven en daarmee de oorzaak van hun ballingschap.
Dat de Heere hier zegt, dat de kinderen Israëls stelden hun dorpel aan den dorpel des Heeren en hunnen post nevens Zijnen post, het was om daarmee te herinneren, dat zij hun eigene uitvindingen bij Gods instellingen voegden en eigene uitvindingen, hun eigenwilligen godsdienst dezelfde kracht en hetzelfde gezag toekenden als de instellingen Gods. Daardoor hadden zij een scheiding gemaakt tussen hen en tussen hun God.