1 Kronieken 28:1-10
David had in zijn tijd zeer veel dienst gedaan, "zijn geslacht gediend naar de wil van God," Handelingen 13:36.
Maar nu nadert de tijd dat hij moet sterven en, als een type van de Zone Davids, hoe dichter hij bij zijn einde komt, hoe ijveriger hij is, hoe meer hij zijn werk doet met alle macht.
Hij is nu een weinig hersteld uit de ziekte, waarvan gesproken wordt in 1 Koningen 1:1, toen zij hem dekten met klederen, doch hij geen warmte kreeg, maar welke remedie is er tegen ouderdom? Daarom maakt hij gebruik van zijn herstel als een gelegenheid om God en zijn land nog een weinig te dienen.
I. Hij roept al de groten van zijn rijk tot zich ten einde van allen afscheid te nemen, vers 1. Dat heeft ook Mozes gedaan, Deuteronomium 31:28, en Jozua, Hoofdstuk 23:2, 24
David wilde de overgang van de kroon bekend maken in tegenwoordigheid en tot voldoening van hen, die de vertegenwoordigers des volks waren.
II. Hij sprak hen aan met groten eerbied en liefde. Door al zijn krachten in te spannen kon hij niet slechts opstaan uit zijn bed om hen te ontvangen (bezield en opgewekt zijnde door deze plechtige gelegenheid), maar hij verhief zich van zijn zetel, en stond op zijn voeten, vers 12, uit eerbied voor God, wiens wil hij zou bekendmaken, en uit eerbied voor deze plechtige vergadering van het Israël Gods alsof hij, hoewel `major singulis' -groter dan enig afzonderlijk persoon onder hen zich toch beschouwde als `minor universis' -minder dan zij allen tezamen.
Zijn hoge leeftijd, zowel als zijn zwakheid en waardigheid, zou hem wel gerechtigd kunnen hebben om te blijven zitten, maar hij wilde tonen dat hij wezenlijk verootmoedigd was voor de hoogmoed zijns harten in het aantal zijns volks en zijn heerschappij over hen.
Toen was het hem maar al te zeer welgevallig, dat zij allen zijn dienaren waren, Hoofdstuk 21:3, thans noemt hij hen zijn broederen, die hij liefhad, zijn volk waarvoor hij zorgde, niet zijn knechten, over wie hij heeft te gebieden.
Hoort mij, mijn broeders en mijn volk! Het betaamt meerderen om aldus met genegenheid en minzaamheid te spreken zelfs tot hun minderen, zij zullen er niet minder om geëerd maar er wel temeer om bemind worden. Aldus vraagt hij hun aandacht voor hetgeen hij gaat zeggen.
III. Hij spreekt van het voornemen, dat hij heeft gehad, om een tempel te bouwen voor God, maar dat God hem niet toestond zijn voornemen te volvoeren, vers 2, 3. Dit had hij tevoren reeds aan Salomo te kennen gegeven, Hoofdstuk 22:7, 8.
Een huis van rust voor de ark wordt hier gezegd te zijn voor de voetbank van de voeten onzes Gods want de hemel is Zijn troon van de heerlijkheid, de aarde en de prachtigste tempels, die er op gebouwd kunnen worden, zijn slechts zijn voetbank. Zoveel verschil is er tussen de openbaringen van de Goddelijke heerlijkheid in de boven en in de benedenwereld. Engelen omringen Zijn troon, Jesaja 6:1.
Wij, arme wormen aanbidden slechts aan de voetbank van Zijn voeten, Psalm 99:5, 132:7. Als een blijk van de oprechtheid van zijn voornemen, om de tempel te bouwen, zegt hij hun dat hij er toebereidselen voor heeft gemaakt, maar dat God hem niet wilde toelaten er mee voort te gaan, omdat Hij ander werk voor hem te doen had werk dat genoeg was voor een man, namelijk het voeren van de oorlogen Israëls, hij moet het algemene welzijn dienen met het zwaard een ander moet het doen met paslood en lijn. Tijden van rust zijn tijden om te bouwen, Handelingen 9:31.
IV. Hij toont eerst zijn eigen recht op de kroon, en dan Salomo's recht er op, beide waren ontwijfelbaar `jure divino', naar Goddelijk recht. Zij konden hun recht op de troon bewijzen, zoals geen andere monarch ter wereld dit kan, de Heere, de God Israëls, heeft zelf beide verkoren, onmiddellijk door profetie niet door leidingen van de voorzienigheid, vers 4, 5. Geen aanspraak wordt gemaakt op recht naar eerstgeboorte-'Detur digniori', niet senior, -naar waardigheid, niet naar ouderdom.
1. Juda was niet de oudste zoon van Jakob, en toch heeft God die stam verkoren om de heersende stam te zijn, Jakob vermaakte er de scepter aan, Genesis 49:10.
2. Het blijkt niet dat het geslacht van Isai tot het oudste huis behoorde van die stam, tenminste niet van Juda, want Sela was vóór Perez, of het van Nahesson en Salmon afstamde, is niet zeker. Ram, de vader van Nahesson, had een ouderen broeder, 1 Kronieken 2:9, misschien ook Boaz, Obed en Isai, en toch: "God heeft mijns vaders huis verkoren."
3. David was de jongste zoon van Isai, en toch heeft God een welgevallen gehad aan hem om hem koning te maken. aldus was het welbehagen voor Hem. God neemt in wie Hij een welbehagen heeft, en heeft een welbehagen in hen, die Hij zich gelijk maakt, dat is: in wie Hij Zijn beeld doet zien, zoals David, die een man was naar Zijn hart.
4. Salomo was een van de jongere zonen van David, en toch heeft God hem verkoren om op de troon te zitten, omdat hij van allen de persoon was, die waarschijnlijk de tempel zou bouwen, de verstandigste was, en de beste gezindheid had.
V. Hij legt hun Gods genaderijke voornemens bloot betreffende Salomo, vers 6, 7. Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon. Aldus maakt hij het raadsbesluit bekend, dat de Heere had gezegd tot Salomo, als een type van Christus, "Gij zijt Mijn Zoon," Psalm 2:7, de zoon Mijner liefde, want hij werd Jedidjah genoemd, omdat de Heere hem liefhad en Christus is Zijn geliefde Zoon. Van hem, ais type en afschaduwing van Hem, die komen zou, heeft God gezegd:
1. Hij zal Mijn huis bouwen. Christus is beide de grondlegger en het fondament van de Evangelietempel.
2. Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. Deze belofte moet haar vervulling hebben in het koninkrijk van de Messias, dat in Zijn handen zal blijven tot aan het einde des tijde, Jesaja 9:6 , Lukas 1:33, en dan aan God de Vader overgegeven zal worden.
Wat Salomo betreft: deze belofte van de bevestiging zijns koninkrijks is hier voorwaardelijk gegeven: indien hij sterk wezen zal om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, gelijk te dezen dage.
Salomo was nu zeer volgzaam en goed. "Indien hij dit blijft, dan zal zijn koninkrijk in stand blijven, maar anders niet."
Als wij standvastig zijn in onze plicht, dan maar anders niet, kunnen wij de voortduring verwachten van Gods gunst. Laat hen, die wèl onderwezen zijn en goed beginnen, hiervan nota nemen-indien zij standvastig zijn in het goede, zijn zij gelukkig, volharding draagt de kroon, of schoon zij er niet door gewonnen wordt.
Vl. Hij vermaant hen God en hun plicht getrouw aan te kleven, vers 8.
Merk op:
1. Waartoe hij hen vermaant: Houdt en zoekt al de geboden des HEEREN, uw Gods. De Heere was hun God, Zijn geboden moeten hun richtsnoer zijn, zij moeten ze allen waarnemen en nauwgezet houden, en te die einde moeten zij ze zoeken, dat is: zij moeten weetgierig zijn omtrent hun plicht, de Schriften onderzoeken raad aannemen, de wet zoeken in de mond van hen, wier lippen deze wetenschap bewaren, en God bidden hen te onderwijzen en te leiden. Zonder grote zorg zullen Gods geboden niet gehouden worden.
2. Het plechtige er van. Hij vermaant hen voor de ogen van geheel Israël, dat er kennis van zal bekomen, en voor de oren Gods: God is getuige en Zijn gemeente is getuige dat hun goede raad gegeven is en dat zij behoorlijk gewaarschuwd zijn, indien zij de raad niet aannemen, dan is dit hun schuld, en dan zullen God en de mensen tegen hen getuigen. Zie in Timotheus 5:21, 2 Timotheus 4:1 T. Zij die de Godsdienst belijden, moeten, als zij de gunst van God en een goede reputatie onder de mensen willen hebben, getrouw zijn aan hun belijdenis.
3. De beweegreden om deze last te volvoeren: het was het middel om gelukkig te zijn, zelf het vreedzame bezit te hebben van dit goede land en er het erfdeel van te bewaren voor hun kinderen.
VII. Hij besluit met een vermaning, een last aan Salomo zelf, vers 9, 10. Het is zijn grootste wens dat hij een Godsdienstig man zal zijn. Hij zal een groot man wezen, maar hij moet de Godsdienst niet beneden zich achten, hij zal een wijs man zijn, en dit zal zijn wijsheid wezen.
Merk op:
1. De last, die hij hem geeft. Hij moet op God zien als de God zijns vaders, die zich aan God had gewijd, en hem voor God had opgevoed. Hij was geboren in Gods huis, en daarom gehouden en verplicht de Zijne te wezen, opgevoed in Zijn huis, en daarom tot dankbaarheid verplicht. Verlaat uw vriend en de vriend uws vaders niet.
Hij moet God kennen en dienen, wij kunnen God niet recht dienen als wij Hem niet kennen, en tevergeefs kennen wij Hem, zo wij Hem niet dienen, dienen met hart en ziel.
Wij maken niets van de Godsdienst als wij er geen acht op slaan er geen werk van maken met het hart, God niet dienen met een volkomen, dat is een oprecht hart want oprechtheid is onze Evangelie- volmaaktheid, en met een gewillige ziel, uit een beginsel van liefde, en als een gewillig volk, blijmoedig en met genot.
2. De argumenten om aan deze vermaning kracht bij te zetten. Twee argumenten als algemene beweeggronden.
a. Dat de geheimen van onze ziel blootliggen voor God, Hij doorgrondt alle harten, zelfs het hart van koningen, die voor de mensen ondoorgrondelijk zijn Spreuken 25:3.
Wij moeten oprecht zijn omdat God het ziet als wij bedrieglijk handelen en er niet in bedrogen kan worden, wij moeten onze gedachten bezighouden met en gebruiken in de dienst van God, omdat Hij er al de overleggingen, goede en kwade, van kent.
b. Dat wij, al naar wij God dienen of niet dienen, in deze wereld en voor eeuwig gelukkig of rampzalig zullen zijn. Als wij Hem naarstiglijk zoeken, zal Hij van ons gevonden worden, Hebreeën 11:6.
Als wij Hem verlaten, Zijn dienst verlaten, ons afkeren van Hem te volgen, dan zal Hij ons voor altijd verstoten, en dat is genoeg om ons rampzalig te maken. God verlaat niemand, voordat hij Hem verlaten heeft.
Hier is een bijzonder argument voor Salomo, vers 10. "De Heere heeft u verkoren, dat gij een huis ten heiligdom bouwt, zo zoek en die dan God, opdat dit werk uit een goed beginsel gedaan worde, op de rechte wijze, en opdat het Gode welbehaaglijk zal zijn."
3. Het middel dat hiertoe voorgeschreven wordt, en dat ons allen wordt voorgeschreven.
a. Omzichtigheid. Zie nu toe, hoed u voor alles wat gelijkt op of leidt naar hetgeen kwaad is.
b. Moed. Wees sterk, en doe het. Wij kunnen ons werk niet doen, zoals wij het behoren te doen, tenzij wij vastberaden zijn en kracht zoeken in de Goddelijk genade.